De Hoge
Raad heeft in 1993 geoordeeld dat een
afspraak (beding) dat de werknemer fooien moet afdragen aan de
werkgever, die
ze vervolgens voor zichzelf behoudt, nietig is (HR 8 oktober 1993, NJ
1994, 188
- Olympiada/Davrados). In deze zaak was een ober aan het werk in een
Grieks
restaurant. De werkgever van de ober had een beding ingesteld dat alle
in het
restaurant werkzame obers de door hen van restaurantgasten ontvangen
fooien
moesten afdragen aan de werkgever. Dit wordt een
‘fooienbeding’ genoemd. De
ober in kwestie hield zijn fooi zelf en werd daardoor ontslagen. De
Hoge Raad
heeft beslist dat een fooienbeding niet geldig is, als men ervan uit
kan gaan
dat de fooien door de restaurantgasten niet waren bestemd voor anderen
dan de
ober zelf. Met andere woorden: als gasten u een fooi geven met de
bedoeling dat
die fooi voor u is, dan mag u die fooi in principe zelf houden. De ober
had
volgens de Hoge Raad daarom niet ontslagen mogen worden. Het beding was
niet
rechtsgeldig (nietig) want het was in strijd met de wet. Alleen onder
onder ‘bijzondere
omstandigheden’ kan er dan aanleiding zijn tot ontslag op
staande voet (een ‘dringende
reden’ tot ontslag op staande voet).
⚠ In principe mag u de fooi
dus zelf
houden.
Maar let op: de fooien van de gasten moeten dan wel voor uzelf bestemd
zijn!
Zoals
gezegd, zijn fooien geen loon want u ontvangt fooi ook niet van de
werkgever,
maar van de klant of gast op uw werk. De werkgever kan dus ook nimmer
een
bedrag inhouden op deze fooi. De werkgever mag de fooien ook niet op
het loon
inhouden (Zie
deze
uitspraak: HR 2
maart 2001, LJN: AB1254, JAR 2001, 58
- Hotel NY/Horecabond FNV
). De fooi wordt
dus gezien als een ‘extraatje’ bovenop het
afgesproken loon.
Lees verder: