(Tekst geldend op: 04-12-2014)
Beleidsregel Informatieverstrekking
Waar let de AFM op bij het beoordelen van
informatieverstrekking door financiële ondernemingen over
financiële producten en diensten?
Autoriteit Financiële Markten
De AFM bevordert eerlijke en transparante
financiële markten. Wij zijn de onafhankelijke
gedragstoezichthouder op de markten van sparen, lenen, beleggen en
verzekeren. De AFM bevordert zorgvuldige financiële
dienstverlening aan consumenten en ziet toe op een eerlijke en
efficiënte werking van kapitaalmarkten. Ons streven is het
vertrouwen van consumenten en bedrijven in de financiële
markten te versterken, ook internationaal. Op deze manier draagt de AFM
bij aan de welvaart en de economische reputatie van Nederland.
Inleiding
In de Beleidsregel Informatieverstrekking
(hierna: de Beleidsregel) vindt u een bundeling van de interpretaties
van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) met betrekking tot
informatieverstrekking. Deze interpretaties door de AFM zijn in de
afgelopen jaren in projecten, formele besluiten en informele
normoverdracht tot stand gekomen. De interpretaties zijn gedaan op
basis van de Wet op het financieel toezicht (Wft) (met name Hoofdstuk
4), de Wet oneerlijke handelspraktien (Wohp) en onderliggende
regelgeving van de Wft zoals het Besluit Gedragstoezicht
financiële ondernemingen Wft (BGfo) en de Nadere regeling
gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Nrgfo). Deze
beleidsregel is ter consultatie voorgelegd aan marktpartijen en
belangenorganisaties.
Wat bedoelen we met...
Als we het in deze Beleidsregel hebben over
‘wij’ dan bedoelen we daar de AFM mee. Hebben we
het over ‘u’ dan bedoelen we daarmee
financiëdernemingen. Dit kunnen onder toezicht staande en niet
onder toezicht staande ondernemingen zijn Als we het in de Beleidsregel
hebben over ‘product’, dan bedoelen we hiermee ook
‘dienst’. Als we het hebben over
‘consument’, dan bedoelen we hiermee ook
‘cliënt’ en ‘klant’.
Waarom een Beleidsregel over
informatieverstrekking?
In de Wft en Wohp zijn door de wetgever open
en gesloten normen opgenomen. Open normen zijn normen die een globaal
geformuleerd doel bevatten en die aan marktpartijen de ruimte laten om
zelf te bepalen op welke wijze het doel wordt gerealiseerd of aan de
gedragsvoorschriften wordt voldaan. Een voorbeeld van een open norm is
dat informatie aan consumenten duidelijk
moet zijn. Gesloten normen zijn normen waarin heel precies is
aangegeven wat een marktpartij wel of niet mag. Een voorbeeld van een
gesloten norm is de verplichting om in reclame-uitingen over krediet
een kredietwaarschuwing op te nemen.
Het doel van de Beleidsregel is om het
beleid van de AFM op dit onderwerp voor marktpartijen inzichtelijk en
toegankelijk te maken. De interpretaties gaan vooral over de open
normen. Wij willen u inzicht geven in de manier waarop de AFM omgaat
met deze open normen in haar toezicht. De AFM wil een
oriëntatiepunt zijn voor marktpartijen, ook als het gaat om
open normen.
Alle interpretaties in dit document zijn in
het verleden met één of meerdere
financiële ondernemingen gedeeld. Aangezien wij transparant en
voorspelbaar willen zijn, hebben wij deze interpretaties verzameld en
voor u gebundeld. U kunt dit document gebruiken als referentiekader
voor uw informatieverstrekking.
Wat is de opbouw van de Beleidsregel?
Het document is zo opgebouwd dat u
stapsgewijs inzicht krijgt in de interpretaties die de AFM heeft
gedaan. Deze kunnen betrekking hebben op verschillende producten. In de
inhoudsopgave vindt u de vragen die we beantwoorden en de wetsartikelen
die aan deze vragen zijn gekoppeld. Door middel van hyperlinks kunt u
eenvoudig door dit document navigeren.
Heeft u vragen?
Mocht u na het lezen van dit document vragen
hebben, dan kunt u deze aan de AFM stellen via
vragen.informatieverstrekking@afm.nl.
Wat is de juridische status van dit
document?
De Beleidsregel Informatieverstrekking is
een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). De bevoegdheid van de AFM tot het
vaststellen van de Beleidsregel is gebaseerd op artikel 4:81, eerste
lid, Awb.
De Stichting Autoriteit
Financiële Markten besluit na openbare consultatie tot het
navolgende:
1. Reclame-uitingen – artikel
1:1 Wft
Voor reclame-uitingen voor
financiële producten gelden wettelijke vereisten. Deze kunnen
afwijken van de vereisten die gelden voor andere uitingen. Hieronder
kunt u lezen wanneer er sprake is van een reclame-uiting en of alle
reclame-uitingen aan de vereisten moeten voldoen.
Wanneer is een uiting een reclame-uiting?
In de Wft staat dat een reclame-uiting
iedere vorm van informatieverstrekking is die dient ter aanprijzing van
of een wervend karakter kent ter zake van een bepaalde
financiële dienst of een bepaald financieel product (artikel
1:1, Wft). Een uiting is wervend of aanprijzend als sprake is van een
selectieve weergave van met name de positieve kenmerken van een
financieel product. Dat naast positieve ook negatieve kenmerken worden
genoemd, maakt dat niet anders.
Het begrip reclame-uiting is in de Wft ruim
gedefinieerd. De AFM legt dit begrip daarom ook ruim uit. Het gaat er
om of de informatie de lezer probeert over te halen om een aankoop te
doen.
Om te kunnen bepalen of een uiting een
reclame-uiting is volgens de Wft, staat hieronder een aantal vragen.
Wanneer u één of meerdere vragen met
‘ja’ beantwoordt, is de kans groot dat het om een
reclame-uiting gaat.
-
•
Probeert de informatie de lezer over te halen tot het
doen van een aankoop?
-
•
Beveelt de informatie een product aan door de nadruk
op positieve eigenschappen te leggen?
-
•
Maakt de informatie over de prijs het product
aantrekkelijk?
-
•
Is er sprake van een vergelijking met een ander
product?
-
•
Geeft de tekst een subjectieve weergave van de feiten?
-
•
Is de doelstelling van de tekst het werven van
consumenten?
-
•
Is de doelstelling van de tekst het aanprijzen van een
product?
Of er sprake is van een reclame-uiting hangt
af van de informatie die over het product wordt gegeven. Het medium
en/of middel waarmee de informatie wordt gegeven is van ondergeschikt
belang. Ook bijvoorbeeld sms-berichten en interviews op de radio kunnen
in bepaalde gevallen worden aangemerkt als reclame-uiting. Ook iedere
afzonderlijke webpagina (niet alleen de startpagina) kan een
reclame-uiting zijn, wanneer die wervende of aanprijzende teksten over
een product bevat. Dat betekent dat iedere afzonderlijke webpagina die
een reclame-uiting is, zelfstandig aan de vereisten voor
reclame-uitingen moet voldoen. Het opnemen van een link naar een ander
document dat wel aan deze vereisten voldoet, is niet voldoende.
Wanneer is een uiting geen reclame-uiting?
Informatie die uitsluitend is bedoeld om
naamsbekendheid an uw onderneming te bereiken of te vergroten, zoals
shirt- of gevelreclame (waarbij u alleen uw bedrijfsnaam met eventueel
uw slogan noemt), of bedoeld is om enkel een feitelijke mededeling te
doen, zoals een adreswijziging, is geen reclame-uiting in de zin van de
Wft.
Andere voorbeelden van uitingen die in
principe geen reclame-uiting zijn, zijn de Europese standaardinformatie
voor krediet, het Dienstverleningsdocument, de Essentiële
Beleggersinformatie (EBi) of een jaarverslag.
Moeten alle reclame-uitingen zelfstandig
aan de regelgeving voldoen?
Zodra een uiting een reclame-uiting is, moet
deze uiting zelfstandig aan de wettelijke vereisten voldoen die van
toepassing zijn op die uiting. Het is niet voldoende om te verwijzen
naar een ander document of de consument de mogelijkheid te geven om
door te klikken naar aanvullende informatie. Dit betekent bijvoorbeeld
dat banners en gesponsorde koppelingen bij Google zelfstandig aan de
wettelijke vereisten moeten voldoen, zoals het verplicht opnemen van de
kredietwaarschuwing.
Wanneer een reclame-uiting bestaat uit twee
verschillende delen zijn dit zelfstandige reclame-uitingen. Een
voorbeeld hiervan is een televisiecommercial die bestaat uit twee delen
die worden gescheiden door andere reclames binnen
één reclameblok. Dit betekent dat per deel
gekeken moet worden of er sprake is van een reclame-uiting. Voor iedere
reclame-uiting gelden dan de vereisten voor een reclame-uiting.
Moet een reclame-uiting ook alle relevante
kenmerken van een product bevatten?
Nee, een reclame-uiting hoeft niet alle
relevante kenmerken van een product te bevatten. Artikel 4:20, Wft
stelt dat de financiële onderneming, voorafgaand aan een
overeenkomst, informatie verstrekt aan consumenten die alle relevante
kenmerken van het product moet bevatten. Hierin wordt niet gesteld dat
elke informatiedrager zelfstandig aan deze regels dient te voldoen. Een
reclame-uiting moet echter wel een juist beeld van het product geven en
een consument niet op het verkeerde been zetten. Dit wordt nader
uitgelegd in paragraaf 3.2 bij de vraag ‘Wanneer is wervende
en aanprijzende informatie niet duidelijk en/of misleidend?’.
Kan een uiting een reclame-uiting zijn
wanneer deze zich richt tot consumenten die het product al hebben?
Ook als een uiting zich uitsluitend richt
tot bestaande consumenten kan het nog steeds om een reclame-uiting gaan.
2. Correct, duidelijk en niet misleidend
– artikel 4:19, tweede lid, Wft
In het tweede lid van artikel 4:19, Wft
staat dat door een financiële onderneming verstrekte
informatie correct, duidelijk en niet misleidend moet zijn. Vaak is de
scheidslijn tussen niet-correcte, niet-duidelijke en misleidende
informatie niet gemakkelijk te trekken, er kan overlap zijn. Hieronder
geven wij nadere uitleg over wat wij onder correcte, duidelijke en
niet-misleidende informatie verstaan.
In de praktijk maakt de AFM altijd een
casusspecifieke beoordeling. Wij benadrukken dat de kwalificatie van
informatie als niet-correct, niet-duidelijk of als misleidend geen
verschil maakt voor de vraag of artikel 4:19, tweede lid, Wft is
overtreden. Aan alle drie de eisen (correct, duidelijk en niet
misleidend) moet de informatieverstrekking voldoen.
2.1. Correcte informatie
Wat
verstaan wij onder correcte informatie?
Bij de beoordeling of de informatie correct
is, kijken wij in ieder geval of:
-
•
de informatie inhoudelijk juist is;
-
•
de consument krijgt wat hem wordt verteld;
-
•
er geen tegenstrijdigheden in de informatie zitten,
zowel binnen een document als tussen verschillende informatiedragers.
Wat zijn voorbeelden van informatie die
niet correct is?
-
•
Als informatie op een website niet in overeenstemming
is met de voorwaarden van het product, dan is deze informatie niet
correct.
-
•
In een rekentool over hypotheken worden maandlasten en
jaarlijkse kostenpercentages getoond op basis van de Nationale
Hypotheek Garantie (NHG), terwijl bij de achterliggende berekeningen
van de rekentool geen rekening wordt gehouden met de eisen die worden
gesteld aan een hypotheek die onder NHG wordt verstrekt.
-
•
Als een onderneming op de website vermeldt dat zij de
grootste aanbieder van beleggingsfondsen van Nederland is, terwijl de
onderneming geen beleggingsfondsen aanbiedt en alleen maar orders
ontvangt en doorgeeft.
2.2. Duidelijke en niet-misleidende
informatie
Wanneer
is informatie duidelijk en niet misleidend?
Wij kijken of informatie eenvoudig inzicht
geeft in de relevante kenmerken van het product en of de informatie de
consument niet op het verkeerde been zet. Dit betekent dat de
informatie in ieder geval vindbaar, begrijpelijk en evenwichtig moet
zijn voor de doelgroep.
Immers, een consument die een vraag heeft en
de daarvoor benodigde relevante informatie niet kan vinden, kan zijn
vraag niet beantwoorden. Als hij de relevante informatie wél
gevonden heeft, dan moet hij deze ook kunnen begrijpen. In de
beoordeling of er sprake is van duidelijke of niet-misleidende
informatie kunnen wij een consumentenonderzoek van de onderneming in
kwestie op positieve wijze meenemen. Hieruit moet dan volgen dat het
percentage consumenten dat het antwoord op zijn vraag kan vinden en
vervolgens ook kan begrijpen, op een voldoende niveau ligt. Dit kan een
consumentenonderzoek zijn dat wij uitvoeren of laten uitvoeren, maar
dit kan ook een consumentenonderzoek zijn dat uitgevoerd is of wordt
door u.
Wanneer is wervende en aanprijzende
informatie niet duidelijk en/of misleidend?
Als een onderneming wervende of aanprijzende
informatie verstrekt over een product, moet de informatie een juist
beeld van het product geven en mag de informatie de consument niet op
het verkeerde been zetten. Om een juist beeld van een product te geven
moet u in ieder geval ook informatie geven over de (beperkende)
voorwaarden of risico’s die verband houden met de kenmerken
die worden benoemd in de informatie. Daarnaast moeten
niet-marktconforme kenmerken van het product nagenoeg altijd worden
vermeld.
Ook moet u alle redelijkerwijs relevante
informatie geven over het kenmerk waarmee u adverteert. Bijvoorbeeld
als er gesproken wordt over een fiscale aftrek bij een
lijfrenteproduct, dan moet ook worden vermeld dat de consument op een
later moment alsnog belasting moet betalen. In paragraaf
2.3 behandelen we meer voorbeelden.
2.2.1. Wanneer is informatie vindbaar?
De vindbaarheid van informatie hangt af van
de structuur van de informatiedragers. Het is van belang dat de
informatiedragers goed gestructureerd zijn. De gekozen structuur
(paragrafen, kopteksten) moet goed aansluiten bij de behoefte van de
lezer. Ook moeten informatiedragers onderling een duidelijke samenhang
vertonen. De consument moet gemakkelijk zijn weg vinden in de
verstrekte informatie. Het gaat hierbij dus niet om de beschikbaarheid
van informatie, maar om de vindbaarheid van informatie binnen een
website, binnen een document of binnen een pakket aan documenten.
Consumentenonderzoek is een goed hulpmiddel om te bepalen of informatie
vindbaar is voor de doelgroep.
Bij de beoordeling of de informatie vindbaar
is, kijkt de AFM in ieder geval of:
-
•
alle relevante kenmerken vindbaar zijn binnen
informerende documenten over een product;
-
•
onderwerpen die aan elkaar gerelateerd zijn, bij
elkaar staan. Een voorbeeld hiervan is dat bij fiscale producten de
fiscale aftrek en de belasting over het latere inkomen bij elkaar
worden beschreven.
Wat zijn voorbeelden van moeilijk vindbare
informatie?
-
•
De informatie in een document is moeilijk vindbaar als
een duidelijke inhoudsopgave ontbreekt of als informatie die op
verschillende plekken staat, gecombineerd moet worden om een
belangrijke lezersvraag volledig te beantwoorden.
-
•
Informatie op een website is moeilijk vindbaar als
informatie die bij elkaar hoort niet direct op dezelfde pagina staat en
ook niet aan elkaar gekoppeld is door bijvoorbeeld een duidelijke
verwijzing.
2.2.2. Wanneer is informatie begrijpelijk?
Bij de beoordeling of de informatie
begrijpelijk is, kijkt de AFM in ieder geval of:
-
•
de informatie zo weinig mogelijk moeilijke termen,
waaronder juridisch jargon, bevat;
-
•
u moeilijke begrippen die wel worden gebruikt
eenvoudig uitlegt;
-
•
u informatie zo simpel mogelijk uitlegt;
-
•
u de informatie zo expliciet mogelijk weergeeft.
Consumentenonderzoek is een goed hulpmiddel
om te bepalen of informatie begrijpelijk is voor de doelgroep.
2.2.3. Wanneer is informatie evenwichtig?
Evenwichtige informatie:
-
•
bevat zowel de relevante voordelen als de relevante
nadelen en risico’s van het product;
-
•
maakt de nadelen en risico’s van het product
even inzichtelijk als de voordelen;
-
•
omschrijft de (beperkende) voorwaarden en
risico’s van kenmerken van het product die worden genoemd in
een informatiedrager. Bijvoorbeeld: als de fiscale aftrek bij een
product wordt vermeld, maar er niet wordt aangegeven dat op een later
moment alsnog belasting betaald moet worden, dan is de informatie niet
evenwichtig.
2.3. Wat zijn voorbeelden van
niet-duidelijke en/of misleidende informatie?
Informatie is misleidend als de lezer op het
verkeerde been wordt gezet. Of sprake is van niet-duidelijke informatie
of van misleiding, hangt af van de specifieke casus. Het is hierbij
niet van belang of de opsteller van de informatie bewust of onbewust de
consument misleidt. Voorbeelden van niet-duidelijke en/of misleidende
informatie over:
Kosten, bijvoorbeeld als:
-
•
de indruk wordt gewekt dat er geen kosten zijn voor
het product, terwijl de consument deze wel betaalt. Dit is bijvoorbeeld
het geval wanneer een product als ‘gratis’,
‘voor niets’, ‘kosteloos’ of
met een vergelijkbare term omschreven wordt terwijl dit niet het geval
is. Als de consument de kosten indirect betaalt, kan niet gesproken
worden over ‘gratis’;
-
•
de indruk wordt gewekt dat de consument geld toe
krijgt op het product, terwijl de consument slechts een korting
ontvangt op de kosten;
-
•
wordt vermeld dat er geen afsluitkosten betaald hoeven
te worden bij de aanschaf van een hypotheek op NHG-voorwaarden, terwijl
bij een financiering op basis van NHG wel voor de NHG eenmalig
afsluitprovisie betaald moet worden;
-
•
u een indirecte beloning ontvangt voor het geven van
advies, terwijl er in een reclame-uiting wordt gesproken over
‘gratis advies’.
Risico’s, bijvoorbeeld als:
-
•
risico’s verhullend worden beschreven. Dit
kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer belangrijke risico’s
wel af te leiden zijn uit de verstrekte informatie, maar niet expliciet
genoemd worden. Bijvoorbeeld wel noemen dat sprake is van een
hoofdsomgarantie, maar niet expliciet benoemen dat de belegger de inleg
kan kwijtraken alde garantgever failliet gaat;
-
•
twee verschillende producten met verschillende
risico’s worden vergeleken, maar hierbij niet expliciet wordt
geïnformeerd over het verschil in risico;
-
•
er een risicoscore wordt gegeven (anders dan de
verplicht op te nemen risico-indicator zoals bedoeld in artikel 1,
BGfo), waarbij niet wordt toegelicht hoe deze tot stand is gekomen.
Beperkende voorwaarden, bijvoorbeeld als:
-
•
beperkende voorwaarden om in aanmerking te komen voor
een krediet of garantie niet worden vermeld;
-
•
beperkende voorwaarden verhullend worden beschreven.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer belangrijke beperkende
voorwaarden van een product onderbelicht blijven;
-
•
een belegger uit de tekst moet opmaken dat de zin ‘geschikt voor de middellange en
langetermijn belegger’ betekent dat een
deelnemingsrecht slechts beperkt verhandelbaar is.
Garanties weergeven, bijvoorbeeld als:
Vergelijkingen, bijvoorbeeld als:
-
•
twee producten worden vergeleken zonder alle relevante
verschillen duidelijk te maken;
-
•
in een grafiek de rentepercentages van concurrerende
aanbieders onjuist worden weergegeven;
-
•
het aangeboden product niet gelijksoortig is aan de
producten van andere aanbieders waarmee wordt vergeleken;
-
•
een beleggingsproduct met een spaarproduct wordt
vergeleken, terwijl het onderscheid niet duidelijk wordt gemaakt;
-
•
niet alle kenmerken die voor de vergelijking relevant
zijn worden meegenomen.
Historische cijfers/rendementen weergeven,
bijvoorbeeld als:
Naamgeving van producten of
productkenmerken, bijvoorbeeld als:
-
•
een beleggingsproduct wordt verkocht onder een naam
die suggereert dat het een spaarproduct is;
-
•
de term flexibele rente wordt gebruikt, terwijl
variabele rente bedoeld wordt.
Onverplicht verwijzen naar gezaghebbende
partijen, bijvoorbeeld als:
-
•
(onverplicht) verwezen wordt naar een gezaghebbende
partij en dit aan zekerheid wordt gekoppeld. Dit is van toepassing als
onverplicht de naam van de AFM genoemd wordt en deze gekoppeld is aan
zekerheid;
-
•
de indruk wordt gewekt dat de AFM producten
ondersteunt of aanbeveelt doordat op een website bijvoorbeeld staat dat
een aanbieder is opgericht ‘in nauw overleg’ met de
AFM.
Niet-evenwichtige informatieverstrekking,
bijvoorbeeld als:
-
•
de informatie uitleg geeft over het product, waarbij
wordt gewezen op de positieve kenmerken van het product, terwijl de
risico’s en de negatieve kenmerken minder inzichtelijk worden
gemaakt;
-
•
de informatie wel het belastingvoordeel benoemt, maar
daarbij niet vermeldt dat er op een later moment ook nog belasting
betaald moet worden;
-
•
relevante kenmerken van een financieel product alleen
in de voorwaarden zijn opgenomen, terwijl er ook andere
informatiedragers zijn, waarin hieraan geen aandacht wordt besteed en
ook niet naar die voorwaarden wordt verwezen.
Overig, bijvoorbeeld als:
-
•
een en-bloc clausule is opgenomen in de voorwaarden
die zo wordt beschreven dat niet duidelijk is wat de clausule inhoudt
en in welke gevallen deze van toepassing is;
-
•
wordt gerefereerd aan positieve resultaten van andere
producten van de aanbieder dan het product waar de informatie over gaat;
-
•
scenario’s worden weergegeven die een
onjuist beeld geven van de werking van het product;
-
•
rendementsprognoses worden gepresenteerd zodat deze
betrouwbaar lijken, terwijl de prognoses onvoldoende onderbouwd kunnen
worden;
-
•
rentepercentages voor leningen worden aangeboden die
alleen gelden onder bepaalde voorwaarden of in combinatie met een
verzekering, zonder dat dit wordt vermeld;
-
•
de manier waarop de aanbieder de informatie
samenstelt, de indruk wekt dat sprake is van een onafhankelijke
analyse, terwijl dit niet het geval is en de aanbieder met deze schijn
van onafhankelijkheid zijn product aanprijst;
-
•
wordt geïnformeerd over rendementen die
behaald kunnen worden bij een aftrek in een bepaalde belastingschaal,
terwijl hierbij niet wordt vermeld dat dit rendement alleen behaald kan
worden als van een volledige aftrek in de betreffende belastingschaal
gebruik kan worden gemaakt;
-
•
de verwachting wordt gewekt dat wordt geadviseerd
terwijl dit niet het geval is;
-
•
de rentes die worden gegeven op jaarbasis zijn,
terwijl uit de tekst ook afgeleid kan worden dat de weergegeven
percentages van toepassing zijn op een kortere periode dan een jaar.
Bijvoorbeeld als in een reclame voor een 6-maandsdeposito niet wordt
aangegeven dat de rente op jaarbasis is;
-
•
wordt vermeld dat een hypotheek stabiele maandlasten
heeft, terwijl gedurende de looptijd de maandlasten kunnen wijzigen
doordat de rentevastperiode van de hypotheek niet overeenkomt met de
totale looptijd van de hypotheek;
-
•
een brochure de indruk wekt een volledige beschrijving
van het product te geven, terwijl dit niet het geval is en waarin
hieraan geen aandacht besteed wordt.
3. Geen afbreuk doen aan –
artikel 4:19, eerste lid, Wft
In de Wft staat dat een financiële
onderneming ervoor moet zorgen dat verstrekte of beschikbaar gestelde
informatie over een financieel product, financiële dienst of
nevendienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk mag doen aan
ingevolge deze wet te verstrekken of beschikbaar te stellen informatie.
Dit staat in artikel 4:19, eerste lid, Wft.
Een voorbeeld van informatie die afbreuk
doet aan verplicht te verstrekken informatie: als in de
risico-indicator staat dat het risico van een product zeer groot is,
terwijl in de reclame-uiting over hetzelfde product staat dat het
risico ‘relatief laag’ is, dan doet dit afbreuk aan
de risico-indicator.
4. Relevante kenmerken – artikel
4:20 Wft
In de Wft staat dat u consumenten,
voorafgaand aan het aangaan van een overeenkomst, over een financieel
product informatie moet verstrekken die redelijkerwijs relevant is voor
een adequate beoordeling van dat product (artikel 4:20, eerste lid,
Wft). Deze informatie noemen wij de relevante kenmerken van het
product. Wat een relevant kenmerk is en wat wij in ieder geval zien als
relevante kenmerken voor verschillende producten beschrijven wij
hieronder. Niet voor alle producten heeft de AFM interpretaties gedaan,
vandaar dat wij niet voor alle producten hebben bepaald wat de
relevante kenmerken zijn. U kunt dit hoofdstuk gebruiken om voor
vergelijkbare producten de relevante kenmerken te bepalen. De
persoonlijke lening (hierover hebben wij geen interpretaties opgenomen)
kent bijvoorbeeld overeenkomsten met het doorlopend krediet, waardoor
deze producten logischerwijs overlap zullen kennen.
Naast de relevante kenmerken moet op basis
van de van toepassing zijnde regelgeving over een aantal producten meer
informatie worden gegeven. Deze verplichte informatie is hier niet
opgenomen. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan verplichtingen voor
consumptief krediet, die zijn opgenomen in het BGfo.
Wanneer is iets een relevant kenmerk?
Een relevant kenmerk van een product is een
productkenmerk waarover de consument informatie nodig heeft om een
product te kunnen begrijpen. De consument moet na het lezen van de
relevante kenmerken weten wat hij mag verwachten van het product.
U moet de consument informeren over de
volgende kenmerken, als deze van toepassing zijn op het product:
-
•
wat het product inhoudt (hoe werkt het product?)
-
•
de opbrengsten (zoals rente, rendement, uitkering,
etc.)
-
•
de kosten
-
•
de risico's
-
•
de (beperkende) voorwaarden (zoals garanties)
-
•
de niet-marktconforme kenmerken (dit zijn kenmerken
die niet gebruikelijk zijn in de markt en relevant zijn voor een
adequate beoordeling van het product)
Waar moet u relevante kenmerken opnemen?
De wet geeft geen eenduidig antwoord op deze
vraag. Alle relevante kenmerken moeten worden verstrekt voorafgaand aan
de totstandkoming van de overeenkomst. U bent verplicht om duidelijk te
zijn in uw informatie. Voor consumenten is het in ieder geval duidelijk
als alle relevante kenmerken in één
informatiedrager, zoals een website of een brochure, terug te vinden
zijn.
4.1. Sparen: wat zijn relevante kenmerken?
Relevante kenmerken van spaarproducten zijn
op hoofdlijnen in te delen in rente, kosten, risico’s,
beperkende voorwaarden, depositogarantiestelsel en niet-marktconforme
voorwaarden. De belangrijkste valkuilen bij het verstrekken van
informatie over spaarproducten zijn het niet of niet duidelijk
weergeven van de termijn waarbinnen het rentepercentage van toepassing
is en het niet of onjuist uitleggen van het depositogarantiestelsel.
Hieronder staan enkele relevante kenmerken die op alle spaarproducten
van toepassing kunnen zijn. Het is echter geen limitatieve opsomming.
Specifieke typen spaarproducten hebben relevante kenmerken die alleen
op die producten van toepassing zijn. Die zijn opgenomen in de paragrafen 4.1.2 tot en met 4.1.4.
4.1.1. Wat zijn relevante kenmerken van
spaarproducten?
Rente
-
•
de hoogte van de rente die wordt uitgekeerd in de
verschillende situaties (bijvoorbeeld een actierente)
-
•
de rentevorm (vast of variabel)
-
•
de periode waarop het rentepercentage ziet (bij
periode kan gedacht worden aan: een jaar, kwartaal, maand e.d.)
Kosten
Risico’s
Beperkende voorwaarden
-
•
verplichte periodieke inleg en/of het maximum aan de
(periodieke) inleg
-
•
minimaal aan te houden spaartegoed/inleg
-
•
beperkingen aan de bestedingsdoeleinden
-
•
beperkingen aan het opnemen van de inleg
Depositogarantiestelsel
Als voorbeeld een omschrijving van de
volgende situaties:
-
•
Als het spaarproduct gericht is op de vermogende
consument: het risico dat boven een bepaald bedrag het spaartegoed niet
onder het depositogarantiestelsel valt.
-
•
Als een spaarproduct wordt aangeboden door een
onderneming die is aangesloten bij een buitenlands garantiestelsel: dat
het product valt onder een buitenlands garantiestelsel en de werking en
voorwaarden van dat stelsel.
-
•
Als meerdere entiteiten/handelsnamen vallen onder
één bankvergunning: dat de garanties van het
depositogarantiestelsel gelden voor het totaal van de tegoeden van de
verschillende entiteiten/handelsnamen tezamen.
De niet-marktconforme kenmerken
4.1.2. Wat zijn relevante kenmerken van
een spaardeposito?
Naast de relevante kenmerken die voor alle
spaarproducten gelden, hebben spaardeposito’s in ieder geval
nog twee andere kenmerken die voor een consument relevant zijn:
-
•
De wijze waarop wordt omgegaan met het geld op het
spaardeposito na afloop van een termijn. Valt het geld vrij of wordt
het spaardeposito automatisch verlengd?
-
•
Dat het deposito alleen met toestemming van de
financiële onderneming tussentijds kan worden
beëindigd of dat het deposito helemaal niet tussentijds
opgenomen kan worden.
4.1.3. Wat zijn relevante kenmerken van
een achtergesteld deposito?
Naast de relevante kenmerken die voor alle
spaarproducten en spaardeposito’s gelden, hebben
achtergestelde deposito’s in ieder geval nog drie andere
kenmerken die voor een consument relevant zijn:
-
•
Dat de consument bij een eventueel faillissement van
de bank alleen geld terugkrijgt als er nog geld over is in de boedel,
nadat de andere schuldeisers zijn uitbetaald.
-
•
Of een achtergesteld deposito wel of niet onder het
depositogarantiestelsel valt.
-
•
Dat de consument zijn geld niet tussentijds kan
opnemen.
4.1.4. Wat zijn relevante kenmerken van
een fiscaal gefaciliteerde spaarrekening?
De fiscale behandeling en deblokkering zijn
relevante kenmerken bij fiscaal gefaciliteerde spaarrekeningen. U moet
daarom uitleggen dat de fiscale aftrekbaarheid, de toekomstige
belasting van de periodieke uitkeringen, de looptijd van het product en
de bandbreedte van jaarlijkse stortingen een rol kunnen spelen bij de
fiscale behandeling. Een relevant kenmerk is ook dat deblokkeren
vergaande fiscale gevolgen heeft.
4.2. Lenen: wat zijn relevante kenmerken?
Relevante kenmerken van leningen zijn op
hoofdlijnen in te delen in kosten (rente), voorwaarden,
opnemen/aflossen, wijzigen/opzeggen en waar van toepassing fiscaliteit.
Hieronder zijn voor doorlopend krediet en de aflossingsvrije hypotheek
enkele relevante kenmerken opgenomen die mogelijk van toepassing zijn
op uw product. Het is echter geen limitatieve opsomming. Voor
informatieverstrekking over leningen zijn er daarnaast ook normen
opgenomen in het BGfo. Interpretaties met betrekking tot consumptief
krediet kunu vinden in hoofdstuk 6. In paragraaf
6.3 is een interpretatie opgenomen die relevant is voor
informatie over hypotheken.
4.2.1. Wat zijn relevante kenmerken van
een doorlopend krediet?
Kosten
(rente)
-
•
de te betalen rente
-
•
de rentevorm (vast of variabel)
-
•
in geval van een variabele rente, de voorwaarden
waaronder de rente gewijzigd kan worden
-
•
de opnamekosten
Voorwaarden
-
•
de aanvullende voorwaarden om voor het krediet in
aanmerking te komen (zoals af te sluiten verzekeringen of zekerheden
die moeten worden gegeven)
-
•
de duur van de overeenkomst, of een indicatie hiervan
-
•
de voorwaarden bij overlijden van de kredietnemer
Opnemen/Aflossen
-
•
de manier waarop de reguliere aflossing en
rentebetaling plaatsvinden
-
•
de mogelijkheid tot vervroegde aflossing en hoe de
consument dit moet doen
-
•
de manier waarop het krediet kan worden opgenomen
-
•
het minimale/maximale in één
keer op te nemen bedrag
Wijzigen/opzeggen
-
•
de wijze waarop de kredietlimiet gewijzigd kan worden
-
•
de wijze waarop het termijnbedrag gewijzigd kan worden
-
•
de wijze waarop het krediet beëindigd kan
worden
Niet-marktconforme kenmerken
Niet-marktconforme kenmerken zijn kenmerken
van een product die voor deze productgroep niet gebruikelijk zijn in de
markt.
Overig
4.2.2. Wat zijn relevante kenmerken van
een aflossingsvrije hypotheek?
Kosten
(rente)
-
•
de mogelijke rentevastperiode, waarbij u moet
vermelden dat de rente na de rentevastperiode opnieuw wordt vastgesteld
-
•
in geval van een variabele rente (of tarief met een
rentevastperiode van korter dan 1 jaar):
-
?
hoe deze is opgebouwd (het basistarief, de opslag
en de componenten waaruit de opslag bestaat)
-
?
onder invloed van welke factoren de opslag kan
wijzigen
-
?
dat de maandlasten kunnen fluctueren
-
•
als rentekortingen worden vermeld:
-
•
als er geïnformeerd wordt over (mogelijke
rentekortingen op basis van) Nationale Hypotheek Garantie (NHG):
Voorwaarden
-
•
de duur van de overeenkomst
-
•
de verplichting een verzekering ter waarborging van de
hypotheek af te nemen
-
•
de verplichting de woning in onderpand aan de
geldverstrekker te geven
-
•
de verplichting tot het doen passeren van de
hypotheekakte bij de notaris
nemen/Aflossen
-
•
dat er gedurende de looptijd alleen rente wordt
betaald en niet wordt afgelost
-
•
dat er geen vermogen wordt opgebouwd om de lening mee
af te lossen
-
•
de verplichting om de lening aan het einde van de
looptijd af te lossen (met eigen vermogen of de opbrengst van de
verkoop van de woning)
-
•
de mogelijkheden om boetevrij af te lossen
-
•
als dit van toepassing is: een boeteclausule bij
vervroegd aflossen
Fiscaliteit
De algemene vermelding dat er fiscale regels
zijn die consequenties hebben voor de consument bij het aangaan van een
hypotheek en waar de consument meer informatie hierover kan krijgen.
Niet-marktconforme kenmerken
Niet-marktconforme kenmerken zijn kenmerken
van een product die voor deze productgroep niet gebruikelijk zijn in de
markt.
4.3. Verzekeren: wat zijn relevante
kenmerken?
Relevante kenmerken van verzekeringen zijn,
afhankelijk van het soort verzekering, op hoofdlijnen in te delen in
informatie over de dekking, de premie, het opzeggen van de polis en de
beperkende voorwaarden. Hieronder staat voor een aantal verzekeringen
aangegeven welke kenmerken de AFM in de afgelopen jaren heeft benoemd
als relevante kenmerken. Dit is geen limitatieve opsomming en staat los
van de rechten en plichten die vanuit zelfregulering voortvloeien.
Naast deze kenmerken zijn er in het BGfo specifieke bepalingen
opgenomen voor informatieverstrekking over verzekeringen. Deze worden
hier niet behandeld, maar zijn te vinden in het BGfo.
Voor alle verzekeringen heeft de AFM
hieronder vier elementen weergegeven die relevant zijn voor een
consument en die u in ieder geval moet vermelden:
-
•
de wettelijke ontbindingstermijn
-
•
de wijze waarop de consument gebruik kan maken van het
recht om de overeenkomst op te zeggen (ontbindingsrecht)
-
•
bij telefonische verkoop, een verwijzing naar uw
website/brochure, voor uitgebreidere informatie over het product
-
•
niet-marktconforme kenmerken (dit zijn kenmerken die
niet gebruikelijk zijn in de markt en relevant zijn voor een adequate
beoordeling van het product)
4.3.1. Wat zijn relevante kenmerken van
een overlijdensrisicoverzekering?
Dekking
-
•
wat verzekerd is en gedurende welke periode
-
•
de uitsluitingen op de dekking, zoals oorzaken van
overlijden waardoor geen uitkering plaatsvindt (Hierbij kan een
duidelijke verwijzing naar de relevante artikelen in de voorwaarden
volstaan.)
-
•
de ingangsdatum van de verzekering als deze direct kan
worden aangevraagd en/of afgesloten
Premie
-
•
de factoren die de hoogte van de premie bepalen (Het
volstaat als er bijvoorbeeld een rekentool beschikbaar is op basis
waarvan consumenten de premie kunnen berekenen.)
-
•
een reële indicatie van de premie en/of
koopsom
-
•
het feit dat de ingevulde gezondheidsverklaring kan
leiden tot een premiewijziging, andere voorwaarden of tot weigering
Opzeggen of wijzigen van de polis
-
•
de mogelijkheid tot afkoop van een koopsompolis en
bijbehorende kosten
-
•
de productkenmerken die tussentijds gewijzigd kunnen
worden (het optierecht)
-
•
de beperkingen van het optierecht
Fiscaliteit
4.3.2. Wat zijn relevante kenmerken van
een uitvaartverzekering?
Algemeen
Productvoorwaarden
-
•
een toelichting op de term ‘gemiddelde
uitvaart’ als deze term wordt gebruikt
-
•
de dekking van het verzekerde (basis)pakket
-
•
de belangrijkste uitsluitingen van het verzekerde
pakket/de verzekering
-
•
de werking van een eventueel ledenvoordeel
-
•
het type grafrechten dat is inbegrepen (inclusief de
looptijd)
-
•
de beperkende voorwaarden met betrekking tot de
uitkering van de verzekering (Hierbij moet u onder andere toelichten op
welke wijze de verzekering uitkeert in het eerste verzekeringsjaar.)
-
•
of het restant van het te hoog verzekerde bedrag wordt
teruggegeven aan de consument
-
•
het verschil in hoogte van de kosten tussen een
crematie en een begrafenis
Premie
-
•
de hoogte van de totale premie, dit is de hoogte van
de premie die de consument, afhankelijk van de wijze waarop hij wil
betalen, maandelijks/per kwartaal/per jaar moet betalen
-
•
het bedrag waarvoor de consument verzekerd is (het
‘verzekerd kapitaal’)
-
•
de totale looptijd, en de invloed van de looptijd op
de hoogte van de premie
-
•
de werking/wijze van indexering en het gevolg hiervan
voor de hoogte van de premie
Beperkende voorwaarden koopsom of een
deposito
-
•
als u de koopsom of het deposito vergelijkt met
sparen, het feit dat het geld in deze situatie niet onder het
depositogarantiestelsel valt
-
•
mogelijkheden en eventuele kosten die verbonden zijn
aan tussentijdse opname van het ingelegde geld
4.3.3. Wat zijn relevante kenmerken van
een autoverzekering?
Dekking
-
•
wat verzekerd is per soort verzekering
-
•
een beschrijving van de dekking van de hulpdienst in
het binnen- en buitenland
-
•
de vergoeding bij total loss, de nieuwwaarde- en
afschrijvingsregeling
-
•
de uitsluitingen op de dekking (Hierbij kan een
duidelijke verwijzing naar de relevante artikelen in de voorwaarden
volstaan.)
-
•
de hoogte van het eigen risico en de bijbehorende
voorwaarden
-
•
de ingangsdatum van de verzekering
Premie
-
•
de factoren die de hoogte van de premie bepalen (Het
volstaat als er bijvoorbeeld een rekentool beschikbaar is op basis
waarvan consumenten de premie kunnen berekenen.)
-
•
de hoogte van de premie
-
•
de bonus/malusinschaling bij afsluiten van de
verzekering, de trede en de korting op de premie
-
•
een directe verwijzing naar de informatie over het
bonus/malussysteem en de schades die hierop van invloed zijn (Hierbij
kan een duidelijke verwijzing naar de relevante artikelen in de
voorwaarden volstaan.)
-
•
de regels die gelden voor specifieke doelgroepen,
zoals jongeren
Overig
4.3.4. Wat zijn relevante kenmerken van
een arbeidsongeschiktheidsverzekering?
Elementen
die de hoogte van de premie bepalen
-
•
beroepsklasse
-
•
eindleeftijd
-
•
uitkeringsduur
-
•
wachttijd/eigen risico
-
•
soort dekking (beroepsarbeid/passende arbeid/gangbare
arbeid)
-
•
indexatie
-
•
uitkeringsdrempel
-
•
medische uitsluitingen (die voor alle verzekerden van
toepassing zijn)
-
•
leeftijd van de verzekerde
Gebeurtenissen die gevolgen hebben voor de
verzekering
-
•
wijziging beroep en/of werkzaamheden
-
•
daling of stijging van inkomen
-
•
wijziging verzekerde bedragen
-
•
afhandelen van een claim
-
•
tijdelijke stopzetting verzekering
-
•
verblijf buitenland
Overige belangrijke onderdelen van deze
verzekering
4.4. Beleggen: wat jn relevante kenmerken?
Relevante kenmerken van beleggen zijn op
hoofdlijnen in te delen in de werking van het product, de
risico’s, het rendement, de kosten en de verhandelbaarheid.
Een belangrijke valkuil bij informatie over beleggingsproducten is dat
er wel veel aandacht is voor de positieve kenmerken zoals het
rendement, maar dat er weinig aandacht is voor negatieve kenmerken
zoals de risico’s en de kosten. Sommige typen
beleggingsproducten hebben relevante kenmerken die alleen op die
productsoort van toepassing zijn. Ook zijn er specifieke bepalingen
opgenomen voor informatieverstrekking over beleggen. Deze worden hier
niet behandeld, maar zijn te vinden in het BGfo.
Hieronder worden producten behandeld waarvan
wij in de afgelopen jaren bepaalde kenmerken hebben benoemd als
relevante kenmerken. Het is echter geen limitatieve opsomming. Voor
sommige beleggingsproducten hebben wij in het verleden meer
interpretaties gedaan dan voor andere.
Sommige beleggingsproducten, zoals een
scheepsinvestering en een gestructureerd product, kunnen worden
gekwalificeerd als een effect. Effecten worden uitgegeven door een
uitgevende instelling. Op uitgevende instellingen is niet deel 4 van de
Wft, maar deel 5 van de Wft van toepassing. Echter, als een
beleggingsonderneming een beleggingsdienst verleent met betrekking tot
effecten is deel 4 wel van toepassing. Hetzelfde geldt voor rechten van
deelneming in een beleggingsinstelling of icbe. Zie hiervoor artikel
4:20, eerste lid, Wft.
4.4.1. Wat zijn relevante kenmerken van
een recht van deelneming in een beleggingsinstelling?
Voor rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling hebben wij geen lijst opgesteld met relevante
kenmerken waarover de belegger moet worden geïnformeerd. Wel
hebben wij eerder de volgende interpretatie gedaan over rechten van
deelneming in een beleggingsinstelling:
4.4.2. Wat zijn relevante kenmerken van
een effect?
Voor effecten hebben wij geen lijst
opgesteld met relevante kenmerken waarover de belegger moet worden
geïnformeerd. Wel hebben wij eerder de volgende interpretatie
gedaan over effecten:
4.4.3. Wat zijn relevante kenmerken van
een scheepsinvestering?
Risico’s
Rendement
Informeer de consument over de variabelen
die een grote invloed hebben op het rendement en over de wijze waarop
deze variabelen het rendement beïnvloeden.
Kosten
Informeer de consument over de kosten die
hij naast zijn inleg moet betalen. Leg daarnaast uit dat een groot deel
van de kosten om het schip te bouwen en te exploiteren vaste kosten
zijn en dat hierdoor het rendement op de investering snel vermindert
bij tegenvallende opbrengsten.
Verhandelbaarheid
Scheepsinvesteringen zijn niet altijd
verhandelbaar, waardoor de kans bestaat dat de consument gedurende de
looptijd niet over zijn geld kan beschikken. Leg dit uit en vertel ook
over de wijze waarop hij zijn participatie kan verkopen.
Aansprakelijkheid/maximaal verlies
Scheepsinvesteringen worden aangeboden in
verschillende beleggingsvormen die verschillende consequenties hebben
voor de aansprakelijkheid van de consument. De aansprakelijkheid kan
tijdens de looptijd veranderen. Informeer de consument over zijn
aansprakelijkheid en over welk deel van zijn vermogen hij kan verliezen.
Financiering schip
Het schip wordt vaak voor een groot deel
gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Dit heeft grote
consequenties voor de belegging. Informeer de consument over de
consequenties die de financiering van het schip kan hebben.
Fiscaliteit
Als er een fiscale regeling van toepassing
is, moet de consument geïnformeerd worden over de voorwaarden
voor het gebruik van deze regeling en welke consequenties dit voor hem
heeft. Vertel ook aan welke voorwaarden hij moet voldoen om gebruik te
kunnen maken van de regeling.
4.4.4. Gestructureerde producten: wat zijn
relevante kenmerken?
Een gestructureerd product, hierna
‘note’ genoemd, is een financieel instrument dat is
opgebouwd uit meerdere vermogenstitels, bijvoorbeeld obligaties, opties
en aandelen. Voor ‘notes’ hebben wij geen lijst
opgesteld met relevante kenmerken waarover de consument moet worden
geïnformeerd. Wel hebben wij eerder de volgende interpretaties
gedaan over ‘notes’. Het doel van de interpretaties
is om de werking van de ‘note’ en het daarbij
behorende rendement en risico goed weer te geven, zodat de consument
niet voor verrassingen komt te staan tijdens en aan het einde van de
looptijd van het product.
Kosten
Aflossen
Werking van het product
-
•
U moet vermelden welke kenmerken van de
‘note’ een grote invloed kunnen hebben op het
rendement van de ‘note’. Dit geldt ook voor de
kenmerken van de onderliggende waarde.
-
•
U moet uitleggen op welke wijze deze kenmerken het
rendement kunnen beïnvloeden.
-
•
U moet vermelden welke keuzes zijn gemaakt bij het
samenstellen van het proct en uitleggen welke consequenties de gemaakte
keuzes hebben voor de belegger.
De onderstaande voorbeelden illustreren
welke informatie de AFM relevant vindt ten aanzien van de werking van
de ‘notes’:
Voorbeeld 1: Middeling
Als de eindwaarde door middeling tot stand
komt, moet u de werking hiervan uitleggen. Daarnaast moet u duidelijk
maken dat middeling zowel nadelig als voordelig kan zijn voor het
rendement op einddatum van de ‘note’ als de
onderliggende waarde in de middelingsperiode wijzigt. Wanneer
bijvoorbeeld de koers stijgt van de onderliggende waarden, kan dit
nadelig zijn voor het rendement op einddatum van de
‘note’. Wanneer de koers daalt van de onderliggende
waarden, kan dit voordelig zijn voor het rendement op einddatum van de
‘note’.
Voorbeeld 2: Dividend
Als de onderliggende waarde dividend
uitkeert, moet u duidelijk maken dat bij een belegging in de
‘note’ het dividend niet wordt ontvangen en moet u
vermelden hoeveel dividend de onderliggende waarde in het verleden
heeft uitgekeerd. Als dit van toepassing is, moet u uitleggen dat hoe
hoger het dividend is dat wordt uitgekeerd, hoe lager de verwachte
koersstijging van de onderliggende waarde is. Als de hoogte van het
dividend bepalend is geweest in de keuze van de onderliggende waarde,
moet u dit toelichten.
Voorbeeld 3: Grondstoffen
Als voor de totstandkoming van het rendement
het verschil tussen de spotprijzen en de futureprijzen relevant is,
moet u het verschil tussen de spotprijzen en de futureprijzen uitleggen
(‘backwardation’ en
‘contango’). Daarnaast moet u vermelden of bij de
gekozen onderliggende waarde sprake is van
‘backwardation’ of ‘contango’,
welke invloed dit heeft op het verwachte rendement en of dit kenmerk
bepalend is geweest voor de keuze van de onderliggende waarde.
Voorbeeld 4: Volatiliteit
Als voor een product geldt dat de
beweeglijkheid van de onderliggende waarde het verwachte rendement
beïnvloedt, moet u dit effect beschrijven. Ook moet u
vermelden wat de verwachting is van de beweeglijkheid van de gekozen
onderliggende waarde en de invloed hiervan op het verwachte rendement.
Voorbeeld 5: Correlatie
Als voor een product geldt dat de correlatie
tussen de onderliggende waarden het verwachte rendement
beïnvloedt (en dus verhoogt of verlaagt), moet u dit kenmerk
beschrijven. Ook moet u inzicht geven in de correlatie van de gekozen
onderliggende waarden van de ‘note’ en de
consequenties daarvan voor het verwachte rendement.
Voorbeeld 6: Voorwaardelijke looptijd
-
•
Als de ‘note’ tussentijds kan
worden afgelost door de uitgevende instelling tegen een van te voren
vastgestelde waarde, moet u duidelijk maken dat het zeer
onwaarschijnlijk is dat de ‘note’ tussentijds hoger
zal noteren dan de waarde bij tussentijdse aflossing.
-
•
Als de ‘note’ verschillende
peildata kent waarop deze wordt beëindigd tegen vooraf
vastgestelde voorwaarden en vooraf vastgestelde bedragen, moet u
duidelijk maken dat hoe langer de ‘note’ bestaat,
hoe kleiner de kans wordt dat deze op einddatum een positief rendement
zal hebben.
Voorbeeld 7: Tussentijds koersverloop
De informatieverstrekking moet duidelijk
maken wat de belangrijkste factoren zijn die de tussentijdse koers van
de ‘note’ beïnvloeden en op welke wijze
zij de koers beïnvloeden.
Voorbeeld 8: Keuze van onderliggende
waarde(n)
De informatieverstrekking moet duidelijk
maken om welke fundamentele en/of producttechnische redenen de
onderliggende waarde(n) is/zijn gekozen. Fundamentele redenen hebben
bijvoorbeeld te maken met de verwachte koersontwikkeling van de
onderliggende waarde(n). Producttechnische redenen zijn kenmerken van
de onderliggende waarde die de ‘note’ zijn
eigenschappen kunnen geven, zoals participatiegraad en garantiewaarde.
Een voorbeeld hiervan is dat bij een aandeel met een hoog dividend
extra geld beschikbaar kan zijn om de ‘note’ een
hogere garantiewaarde of participatiegraad te geven.
4.4.5. Contract for Difference (CfD): wat
zijn relevante kenmerken?
Werking
van het product
Om een goed inzicht te verwerven in het
product is het voor de belegger relevant om het concept van het product
goed te begrijpen. Een CfD is een financieel contract ter verrekening
van verschillen. In de praktijk is dat vaak een contract tussen de
belegger zelf en de aanbieder, waarbij het verschil tussen de aan- en
verkoopprijs van een onderliggende waarde in geld wordt verrekend. In
dat geval moet u de belegger over onderstaande kenmerken informeren:
-
•
U moet uitleggen wat een CfD is.
-
•
U moet uitleggen dat CfD’s verschillende
onderliggende waarden hebben, zoals aandelen, indices,
valuta’s en grondstoffen. Ook moet u de belegger informeren
over de onderliggende waarden waarop hij een contract kan afsluiten.
-
•
U moet de begrippen ‘short’ en
‘long’ uitleggen. Daarnaast moet u aangeven wanneer
verlies en wanneer winst wordt behaald op deze twee posities.
-
•
De werking van de ‘margin’ en de
margeverplichting die aangehouden moet worden, moet u uitleggen.
Daarnaast moet de belegger weten dat hij een ‘margin
call’ kan krijgen met het verzoek om geld bij te storten
wanneer de op de rekening aanwezige margin te laag is. Ook is het voor
de belegger relevant te weten dat de positie door de aanbieder wordt
gesloten als niet wordt voldaan aan de ‘margin
call’.
-
•
De werking van de hefboom waarvan de CfD gebruik maakt
moet u uitleggen. Daarnaast is het van belang dat de belegger wordt
geïnformeerd over de mogelijke hoogtes van de hefbomen waarmee
hij kan beleggen.
-
•
U moet de relatie tussen de margin en de hefboom
uitleggen; de margin die moet worden aangehouden is lager als de
hefboom groter is.
-
•
De aanwezige risicobeheersende maatregelen moet u
uitleggen.
-
•
Leg uit dat CfD’s in principe een onbeperkte
looptijd hebben.
Risico’s
Vanwege het risicovolle karakter van
CfD’s is het voor de belegger relevant een duidelijk
overzicht te hebben van alle risico’s die gepaard gaan met
beleggen in CfD’s. U moet de belegger over onderstaande
risico’s informeren:
-
•
Leg uit dat beleggen in CfD’s een zeer
riskante vorm van beleggen is en kan resulteren in grote verliezen,
bijvoorbeeld van de gestorte margin en de totale waarde van het
gesloten contract.
-
•
Leg uit dat de hefboomwerking een belegging in een CfD
risicovoller maakt dan een beleging in de onderliggende waarde. Kleine
koersbewegingen kunnen door de hefboom resulteren in grote verliezen,
hoe hoger de hefboom hoe groter het risico.
-
•
Leg uit dat de onderliggende waarden specifieke
risico’s hebben die invloed hebben op het resultaat van een
CfD.
-
•
Als een belegging in een onderliggende waarde is
genoteerd in een andere valuta dan de euro, dan moet u uitleggen dat er
sprake is van valutarisico.
-
•
Leg uit dat zeer snelle koersdalingen van de
onderliggende waarden ervoor kunnen zorgen dat risicobeheersende
maatregelen mogelijk niet werken.
-
•
Leg uit dat er sprake is van een kredietrisico op de
aanbieder.
-
•
Omdat handel in CfD’s plaatsvindt via
internet, moet u uitleggen dat storingen kunnen leiden tot grote
verliezen wanneer orders niet uitgevoerd kunnen worden bij de aanbieder
of bij de belegger.
-
•
Leg uit dat de slotkoers en de openingskoers van een
onderliggende waarde ver uit elkaar kunnen liggen, waardoor het
risicovol is om posities aan te houden als de beursen sluiten, als niet
24 uur per dag en zeven dagen per week kan worden gehandeld in de CfD.
Opbrengsten/Kosten
U moet de belegger informeren over de
variabelen die zijn rendement in grote mate beïnvloeden en
over de wijze waarop deze het rendement beïnvloeden. Het
uiteindelijke rendement op een CfD wordt mede bepaald door de kosten
die in rekening worden gebracht op de CfD. Daarom is het voor de
belegger relevant dat u alle kosten separaat benoemt en dat u uitlegt
hoe deze worden berekend. Wanneer voorbeelden zijn opgenomen in de
informatieverstrekking over de kosten, het rendement of over de werking
van het product, dan moeten alle kosten in het voorbeeld worden
meegenomen. U moet de belegger over onderstaande kenmerken informeren:
-
•
Leg uit dat het verschil tussen de aan- en
verkoopprijs vn een onderliggende waarde in geld wordt verrekend en dat
dit mede bepalend is voor het rendement.
-
•
Leg uit dat de grootte van de hefboom mede bepalend is
voor het rendement.
-
•
Leg uit dat de hoogte van de kosten medebepalend zijn
voor het rendement.
-
•
De spread is het verschil tussen de bied- en laatkoers
van de onderliggende waarde van de CfD. Om aanbieders te kunnen
vergelijken moet de belegger weten welke spread wordt gehanteerd bij de
verschillende onderliggende waarden.
-
•
Geef informatie over de financieringskosten die
betaald moeten worden voor de aangehouden posities. Daarnaast moet u
uitleggen hoe deze financieringskosten berekend worden.
-
•
Geef informatie over de rentevergoeding die op de
margin wordt uitgekeerd/verhaald. Daarnaast moeten de bepalingen en
voorwaarden ten aanzien van de rentevergoeding op de margin worden
vermeld.
-
•
Leg uit dat de kosten groter worden als een CfD voor
langere tijd wordt aangehouden.
Doelgroep
Het is voor de belegger relevant om te weten
dat beleggen in CfD’s in beginsel alleen geschikt is voor een
specifieke groep beleggers. De belegger moet voldoende ervaring hebben
met een dergelijk product en moet zich het kunnen veroorloven om niet
alleen de gestorte margin, maar mogelijk de totale waarde van het
gesloten contract, te kunnen verliezen.
Beperkende voorwaarden
-
•
De minimaal benodigde inleg om in CfD’s te
mogen handelen, moet worden vermeld.
-
•
Alle situaties waarin de aanbieder de posities van de
belegger kan sluiten, naast het niet voldoen aan de marginverplichting,
moeten worden vermeld.
Uitstapmogelijkheden of verhandelbaarheid
Beleggers moeten worden
geïnformeerd over de uitstapmogelijkheden en de
verhandelbaarheid van een CfD.
-
•
Leg uit dat de aanbieder van CfD’s de markt
‘maakt’.
-
•
De prijsvorming van een CfD moet worden uitgelegd.
-
•
De tijden waarop in de CfD gehandeld kan worden per
onderliggende waarde, moeten worden vermeld.
Relevante kenmerken beleggingsdienst
gerelateerd aan CfD
Bij het beleggen in CfD’s is het
voor de belegger niet alleen van belang de relevante kenmerken te
kennen, maar ook de relevante kenmerken van het gebruikte
orderplatform. Daarom moet u de volgende relevante kenmerken uitleggen:
-
•
U moet uitleggen welke mogelijkheden het ordersysteem
eeft om de risico’s van handel in een CfD te beperken.
-
•
Om de aangeboden beleggingsdienst te kunnen
beoordelen, moet de consument weten welke software wordt gebruikt.
5. Tijdigheid – artikel 4:20 Wft
Informatie over de relevante kenmerken van
een product moet voorafgaand aan de overeenkomst, dienstverlening of
advisering worden verstrekt. Dit is bepaald in artikel 4:20, eerste
lid, Wft. Dit noemen wij ‘tijdig’ verstrekken van
informatie. De consument moet op deze manier in staat worden gesteld om
een adequate beoordeling te kunnen maken van een financieel product.
Wanneer is informatie
‘tijdig’ verstrekt?
Informatie moet u verstrekken voordat de
consument een beslissing neemt over de aanschaf van een product. Als er
sprake is van een offerte voorafgaand aan de totstandkoming van de
overeenkomst (een offerte die kan worden gebruikt als bevestiging voor
het aangaan van deze overeenkomst), dan moet de informatie over de
relevante productkenmerken worden verstrekt voorafgaand aan of
gelijktijdig met de offerte. Omdat de (beperkende)voorwaarden tot de
relevante productkenmerken behoren, moet u deze ook voorafgaand of
gelijktijdig met de offerte verstrekken. Hierdoor kan de consument alle
relevante informatie tot zich nemen voordat de overeenkomst tot stand
komt.
Als een consument direct een product kan
afsluiten, bijvoorbeeld via internet, moet u de informatie ook tijdig
verstrekken. Als de consument via een verwijzing in een banner direct
het product kan afsluiten moet in dit proces ook de relevante kenmerken
worden verstrekt. Hetzelfde geldt voor een advertentie waarin een
telefoonnummer is opgenomen waar consumenten direct een product kunnen
afsluiten. U moet er in deze situaties voor zorgen dat in het proces
voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst de relevante kenmerken
daadwerkelijk aan de consument zijn verstrekt. Om hierover geen twijfel
te laten bestaan kunt u overwegen om het verstrekken van de informatie
over deze kenmerken vast te leggen, bijvoorbeeld door ondertekening
door de consument. Het is niet voldoende om de informatie alleen op uw
website beschikbaar te hebben. Ook het achteraf toesturen van brochures
of voorwaarden is niet tijdig.
Let op! Op uw situatie kan ook een
uitzondering van toepassing zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval indien
u met een consument een verzekeringsovereenkomst op afstand sluit. Voor
de uitzonderingen zijn bepalingen opgenomen in het BGfo, onder andere
in artikel 78.
6. Consumptief krediet – artikel
53 BGfo Wft
De wettelijke vereisten voor
informatieverstrekking over consumptief krediet zijn onder meer
opgenomen in artikel 53, BGfo. Deze regels zijn enkel van toepassing op
informatie die wordt verstrekt aan consumenten (zoals bepaald in
artikel 1:1 Wft). Hieronder gaan we in op een aantal vragen over deze
regelgeving.
6.1. De kredietwaarschuwing
Mag u
de kredietwaarschuwing zelf vormgeven?
Nee. In alle reclame-uitingen voor krediet
gericht op de Nederlandse markt moet het vaste format worden gebruikt
dat is opgesteld door de AFM. Dit format is te vinden op de website van
de AFM.
Mag u de kredietwaarschuwing ook in een
andere taal dan Nederlands (bijvoorbeeld Engels) opnemen?
Nee. De kredietwaarschuwing is uitsluitend
beschikbaar in het Nederlands. Het is dus niet mogelijk om de
kredietwaarschuwing in een andere taal te tonen.
Om consumenten volledig te informeren kunt u
er eventueel voor kiezen om in een vreemde taal een korte tekstuele
toelichting op de kredietwaarschuwing te geven, waaruit het doel van de
afbeelding blijkt. Vanzelfsprekend mag de tekstuele toelichting geen
afbreuk doen aan de kredietwaarschuwing.
Moet u de kredietwaarschuwing en de
krediettabel opnemen in een reclame-uiting voor krediet met 0% rente?
Ja, ook wanneer u adverteert met 0% rente
moet u zowel de kredietwaarschuwing als de krediettabel opnemen in de
reclame-uiting. De kredietwaarschuwing en krediettabel moeten worden
opgenomen in elke (zelfstandige) reclame-uiting voor krediet. Voor de
krediettabel geldt dat deze moet worden opgenomen in alle
reclame-uitingen voor krediet waarin een debetrentevoet of andere
gegevens over de kosten van een krediet worden vermeld. Dit geldt ook
bij een lening waar 0% rente in rekening wordt gebracht.
Waar moet u de kredietwaarschuwing opnemen
op een website die bestaat uit meerdere webpagina’s?
Elke webpagina moet afzonderlijk beoordeeld
worden op de aanwezigheid van reclame-uitingen. Het is hierdoor
(mogelijk) niet voldoende de kredietwaarschuwing alleen op de
startpagina te tonen. Als een website bestaat uit meerdere
pagina’s, dan moet u de kredietwaarschuwing opnemen op alle
pagina’s die als reclame-uiting kwalificeren. Het idee
hierachter is dat de onderliggende pagina’s ook zelfstandig
te bekijken zijn zonder dat de startpagina geopend hoeft te worden.
Moet u de kredietwaarschuwing op internet
ook opnemen in banners, bewegende beelden of audiobestanden?
Reclame-uitingen op internet zijn minder
statisch dan schriftelijke reclame-uitingen. Dit houdt in dat ook
bewegende reclame-uitingen (zoals een bewegende banner en filmpjes in
bannerformaat) mogelijk zijn. Ook in deze reclame-uitingen op internet
moet de kredietwaarschuwing getoond worden.
Moet u de kredietwaarschuwing opnemen in
een reclame-uiting voor creditcards?
In een reclame-uiting voor een creditcard
moet de kredietwaarschuwing worden opgenomen als er ook reclame wordt
gemaakt voor de kredietfaciliteit van de creditcard. Bijvoorbeeld als
een rentepercentage of de mogelijkheid tot gespreid terugbetalen wordt
genoemd.
Hoe moet u de kredietwaarschuwing opnemen
als lechts een deel van de internetpagina reclame-uitingen bevat?
Als slechts een deel van de internetpagina
kan worden aangemerkt als reclame-uiting, moet de kredietwaarschuwing
opgenomen worden in het gedeelte van de website dat wordt aangemerkt
als reclame-uiting. Hierbij gelden voor het opnemen van de
kredietwaarschuwing de reguliere regels voor het opnemen van de
kredietwaarschuwing in een reclame-uiting.
Hoe moet u de kredietwaarschuwing opnemen
in audio reclame-uitingen?
Reclame-uitingen voor krediet die via radio
of internet te beluisteren zijn, moeten een geluidsfragment met een
kredietwaarschuwing bevatten. Het format voor het geluidsfragment is
hier te vinden. Het geluidsfragment moet direct aansluitend aan de
reclame-uiting worden afgespeeld. Hiermee wordt bedoeld dat de
kredietwaarschuwing meteen na het einde van de reclame-uiting moet
worden afgespeeld. Reclame-uitingen met geluid maar zonder beeld
(bijvoorbeeld op internet) moeten aan dezelfde eisen voldoen als
reclame-uitingen via de radio.
Hoe moet u de kredietwaarschuwing opnemen
in een banner?
De kredietwaarschuwing moet gecentreerd
bovenaan in de reclame-uiting moet worden getoond. Bij een banner die
uit meerdere of bewegende beelden bestaat (bijvoorbeeld een
flashbanner) moet de kredietwaarschuwing in elk beeld worden opgenomen.
Hoe moet u de kredietwaarschuwing opnemen
in een reclame-uiting van meerdere pagina’s, over slechts
één financieel product of
één financiële dienst? (Bijvoorbeeld een
brochure, mogelijk voorzien van een voorblad/kaft.)
U moet de kredietwaarschuwing opnemen op de
eerste pagina van de reclame-uiting. Als de voorpagina van de
reclame-uiting al wervend is, dan wordt deze pagina aangemerkt als
eerste pagina.
Hoe moet u de kredietwaarschuwing opnemen
in een reclame-uiting zonder kleur?
In de kredietwaarschuwing is een figuur
opgenomen met een ‘blok aan zijn been’, dat volgens
het format voor de kredietwaarschuwing rood gekleurd moet zijn. Als in
een reclame-uiting geen kleur is opgenomen, dan is het toegestaan om af
te wijken van het vaste format door de kredietwaarschuwing zwart/wit op
te nemen.
6.2. Goederenkrediet
Wanneer
is een uiting een reclame-uiting voor goederenkrediet?
Hieronder bespreken we een voorbeeld van een
uiting die een reclame-uiting voor goederenkrediet is. U dient
vervolgens zelf, in lijn met deze uitleg en de geldende wet- en
regelgeving, te bepalen of uw reclame-uiting een uiting voor
goederenkrediet is.
Voorbeeld
In een reclame-uiting staat dat het mogelijk
is om een nieuwe televisie (het goed) te betalen in termijnen. De
kopersluit dus een krediet af om het goed mee te betalen: een
goederenkrediet.
Uitleg
In de Wft staat dat de ‘roerende
zaak’ (in dit voorbeeld de televisie) die op afbetaling wordt
gekocht, behoort tot de eigenschappen van het goederenkrediet. Andere
eigenschappen van het goederenkrediet kunnen bijvoorbeeld zijn:
kredietlimiet, kredietsom, totale prijs van het krediet, maandlast,
(effectief) rentepercentage, etc.
Let op! Er is volgens de Wft ook sprake van
goederenkrediet als het, in plaats van om een roerende zaak, om een
financieel instrument of een beleggingsobject gaat.
Om de televisie aan te prijzen, worden
eigenschappen genoemd van het goederenkrediet, namelijk de prijs van de
televisie (het totale kredietbedrag), de maandlast, en de televisie
zelf (de roerende zaak). Omdat dit eigenschappen zijn van het
goederenkrediet die wervend en/of aanprijzend zijn, maakt dit de uiting
een reclame-uiting. Hier is ook sprake van als er geen maandlast wordt
genoemd, maar als er in plaats daarvan bijvoorbeeld staat:
‘Kopen op afbetaling mogelijk’.
Kortom, uit dit voorbeeld volgt dat wanneer
u in een reclame-uiting een product koppelt aan een kredietfaciliteit,
er sprake is van een reclame-uiting voor goederenkrediet. Daarom moet u
in deze reclame-uiting een kredietwaarschuwing opnemen.
Waar moet de kredietwaarschuwing staan in
een catalogus waarin reclame wordt gemaakt voor goederenkrediet?
In een reclame-uiting voor goederenkrediet,
volstaat ht de kredietwaarschuwing direct onder de zinsnede:
‘xx euro per maand’ te plaatsen. Hier kan
bijvoorbeeld ook staan ‘koop op afbetaling
mogelijk’. De kredietwaarschuwing moet minstens even breed
zijn als deze zinsnede, en moet goed leesbaar zijn. De
kredietwaarschuwing hoeft dus niet te worden geplaatst onder de gehele
reclame-uiting inclusief het aangeboden goed. U kunt er ook voor kiezen
om de kredietwaarschuwing onderaan en over de gehele breedte van de
reclame-uiting op te nemen. Bijvoorbeeld wanneer u een pagina opneemt
in de catalogus, waarop meerdere producten getoond worden.
6.3. Debetrentevoet
Hoe
moet u omgaan met verplicht te verstrekken informatie als u in een
reclame-uiting ook de debetrentevoet van een andere onderneming noemt?
U moet in dit geval ook de verplicht te
verstrekken informatie van de andere onderneming opnemenin de
reclame-uiting. Dit geldt ook indien u reclame maakt voor een
hypothecair krediet.
7. Vrijstellingsvermelding – wel
of geen toezicht van de AFM?
Op basis van de Wft kunnen producten zijn
vrijgesteld van vergunningplicht of prospectusplicht. Dit is voor de
vergunningplicht bijvoorbeeld het geval bij beleggingen van tenminste
€ 100.000 per beleggingsobject. Om gebruik te mogen maken van
de vrijstelling moet er een vrijstellingsvermelding worden opgenomen in
reclame-uitingen en andere documenten waarin een aanbod in het
vooruitzicht wordt gesteld. In de Nrgfo wordt uitgelegd hoe de
vrijstellingsvermelding, per medium, moet worden opgenomen. In de
Toelichting wordt dit nader toegelicht. De onderstaande interpretaties
zijn daar een aanvulling op.
Waar moet de vrijstellingsvermelding staan
op een website die bestaat uit meerdere pagina’s of tabbladen?
De vrijstellingsvermelding moet zichtbaar
zijn op elke vermeldingsuiting. Onder een vermeldingsuiting vallen een
aanbod, een reclame-uiting, een document waarin een dergelijk aanbod in
het vooruitzicht wordt gesteld en andere onverplichte precontractuele
informatie. Een website bestaande uit meerdere pagina’s of
tabbladen kan meerdere vermeldingsuitingen bevatten. In dat geval moet
de website meerdere vrijstellingsvermeldingen bevatten.
Waar moet de vrijstellingsvermelding staan
in een schriftelijke vermeldingsuiting met meerdere pagina’s?
U moet de vrijstellingsvermelding opnemen op
de allereerste pagina. Dit kan ook het voorblad of de voorkant zijn.
Het gaat niet om de eerste ‘tekstpagina’.
8. Wet oneerlijke handelspraktijken (Wohp)
Op informatieverstrekking over
financiële producten is de Wft van toepassing. Daarnaast is de
Wet oneerlijke handelspraktijken (Wohp), die is vastgelegd in het
Burgerlijk Wetboek, Boek 6, Titel 3, afdeling 3a, van toepassing.
Hierin zijn onder meer regels opgenomen waaraan informatieverstrekking
moet voldoen. De Wohp geldt ook voor vrijgestelde financiële
producten. Hieronder gaan we in op een aantal interpretaties.
8.1. Wanneer geldt de Wohp voor mijn
product?
U moet er rekening mee houden dat naast de
Wft, ook de Wohp van toepassing is. U moet aan beide wetten voldoen.
Dit geldt zowel als u een vergunning heeft van de AFM, als voor
producten die zijn vrijgesteld van vergunning- en/of prospectusplicht.
Voor producten die zijn vrijgesteld is de Wft beperkt van toepassing en
voor die producten zal de AFM dus eerder naar de Wohp kijken.
8.2. Wat is essentiële informatie?
Essentiële informatie is informatie
die een consument in ieder geval nodig heeft om een weloverwogen
besluit te kunnen nemen. Als essentiële informatie wordt
weggelaten is er sprake van een misleidende omissie. In de Wohp staat
dat de essentiële informatie die een consument nodig heeft om
een besluit te nemen over een overeenkomst hem niet onthouden mag
worden. De essentiële informatie mag niet verborgen worden
gehouden of op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze of
laat verstrekt worden. Logischerwijs kan niet alle essentiële
informatie in alle typen informatie worden opgenomen. Bijvoorbeeld in
reclame-uitingen. U moet de consument wel in staat stellen om deze
informatie tot zich te nemen voorafgaand aan een aankoop.
We hebben in het verleden een aantal
kenmerken van een product aangemerkt als essentiële
informatie. Deze kenmerken staan hieronder. De onderstaande opsomming
is geen uitputtende lijst, maar informatie die in ieder geval moet
worden opgenomen als een kenmerk van toepassing is.
Algemene kenmerken
-
•
de risico’s
-
•
de voornaamste kenmerken zoals de
(nominale/intrinsieke) waarde, de looptijd, waar het eigendom ligt
(bijvoorbeeld bij vastgoedbeleggingen) en het verwachte rendement
-
•
informatie over de zekerheden en garanties
-
•
de voorwaarden die aan een (tussentijdse) opzegging
van het product zijn verbonden
-
•
de wijze waarop het rendement wordt gegenereerd
-
•
het feit dat een lening achtergesteld is
-
•
niet-marktconforme voorwaarden
Beperkende voorwaarden
-
•
dat het niet is toegestaan dat na verkoop een positie
van minder dan € 100.000 ontstaat, hierdoor vervalt namelijk
de vrijstelling (dit betekent dat de consument gedurende de gehele
ooptijd een minimumsaldo (à € 100.000) moet
aanhouden)
-
•
specifieke voorwaarden om in aanmerking te komen voor
bepaalde voordelen
-
•
de beperkende voorwaarden van een garantie,
bijvoorbeeld op voorhand bekende situaties waarin een garantie kan
komen te vervallen
-
•
de beperkende voorwaarden voor het verkrijgen van een
rendement
Fiscale behandeling
Obligatielening aan bedrijf
-
•
de huidige financiële situatie van het bedrijf
-
•
informatie waaruit de consument kan afleiden welke
uitgaven verbonden zijn aan de bedrijfsactiviteiten en hoe de inkomsten
worden gegenereerd waarmee de rente en aflossing van de obligatie
betaald kunnen worden
8.3. Wanneer is er sprake van een
misleidende handelspraktijk?
Informatie mag niet misleidend zijn. Een
consument wordt misleid als hij door de informatie over een product op
het verkeerde been wordt gezet. Zijn verwachting klopt dan niet met de
werkelijkheid.
Ook informatie over vrijgestelde producten
mag niet misleidend zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om informatie
over de aard van het product, de voornaamste kenmerken van het product
of de prijs.
Hieronder is een aantal voorbeelden gegeven
waarbij de informatie aan consumenten mogelijk misleidend is:
Rendement
-
•
U spreekt over een vast rendement (of vaste rente)
zonder dat dit rendement echt vast is, zoals dit bij bijvoorbeeld een
spaardeposito wel het geval is. De rentebetaling kan in veel gevallen
niet worden gegarandeerd en kan vaak worden opgeschort. Het noemen van
een vast rendement kan bij consumenten de indruk wekken dat dit een
zekerheid of garantie is, terwijl dit niet altijd het geval is.
-
•
U geeft een gegarandeerd rendement weer, terwijl er
scenario’s bestaan waarin deze garantie komt te vervallen,
zonder dat u deze scenario’s vermeldt.
Risico
-
•
U zwakt risico’s af, bijvoorbeeld door een
risico een ‘minimaal risico’ te noemen, terwijl de
mogelijkheid bestaat dat de belegger (een substantieel deel van) zijn
inleg kwijt raakt. Een ander voorbeeld is het weergeven van een
´beheerst risico´ terwijl wordt vermeld dat de
mogelijkheid bestaat dat bij eect niet aan de rente- en
aflossingsverplichting kan worden voldaan.
-
•
Bij een risicovolle belegging (bijvoorbeeld met
derivaten) geeft u aan dat het geld zo wordt belegd dat dit product
geschikt is voor een risicomijdende consument.
Sparen/beleggen
-
•
U vergelijkt beleggingsproducten met spaarproducten
door bijvoorbeeld te spreken over een ‘spaarrente’,
in plaats van (dividend)rendement.
-
•
U vergelijkt een belegging met (bank)sparen, zonder
het verschil in risico daarbij te vermelden.
-
•
U suggereert dat de gevolgde beleggingsstrategie qua
risico vergelijkbaar is met het risico dat de consent loopt bij
spaarrekeningen. Bijvoorbeeld, het gebruik van aandelen eopties brengt
echter een geheel ander en groter risico met zich m dan een
spaarrekening.
Wanneer is het gebruik van een benchmark
misleidend?
Het is misleidend als de gebruikte benchmark
niet dezelfde risico’s of samenstelling kent als het
vergeleken product, terwijl deze verschillen niet worden verklaard.
Wanneer u gebruik maakt van een benchmark, moet het duidelijk zijn wat
er met elkaar vergeleken wordt en wat de verschillen zijn. Dit om te
voorkomen dat het misleidende beeld ontstaat dat de producten
vergelijkbaar zijn, terwijl dit niet zo is. Een voorbeeld is een
vergelijking tussen de AEX-index en een specifiek beleggingsfonds of
obligatielening.
8.4. Bij een vrijgesteld product mag niet
de indruk worden gewekt dat dit product onder toezicht staat
Als u de suggestie wekt dat een product of
onderneming onder toezicht staat, terwijl dit niet het geval is, is er
sprake van misleiding. Bij consumenten schept dit mogelijk een
misleidend beeld over de voornaamste kenmerken van het product,
namelijk dat er sprake is van toezicht. Dit kan door consumenten (ten
onrechte) geassocieerd worden met veiligheid. In de volgende
voorbeelden wordt in de informatieverstrekking de indruk gewekt dat de
aanbieding onder toezicht staat:
-
•
U verstrekt een risico-indicator en/of een
financiële bijsluiter (mogelijk met een eigen invulling) voor
het vrijgestelde product.
-
•
U vermeldt dat u voldoet aan wet- en regelgeving
zonder hierbij te vermelden dat de aanbieding is vrijgesteld.
-
•
U vermeldt als beheerder van een vrijgestelde
beleggingsinstelling heel expliciet dat u onder toezicht staat. Dit mag
u vermelden, maar de vrijstellingsvermelding moet duidelijk zijn.
-
•
Daarnaast is de informatievertrekking misleidend als
afbreuk wordt gedaan aan de vrijstellingsvermelding.
9. Slotbepalingen
9.1. Wanneer wordt de Beleidsregel
geëvalueerd?
Deze Beleidsregel wordt periodiek
geëvalueerd.
9.2. Zijn er intrekkingen?
Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de
Beleidsregel Informatieverstrekking worden de Leidraad misleiding en de
Leidraad open norm ‘begrijpelijk/duidelijk’
ingetrokken.
9.3. Wanneer treedt de Beleidsregel in
werking?
De Beleidsregel treedt in werking op 25
september 2013. Deze Beleidsregel wordt in de Staatscourant geplaatst.
9.4. Wat is de citeertitel van de
Beleidsregel?
Deze Beleidsregel wordt aangehaald als:
Beleidsregel Informatieverstrekking.
Amsterdam, 25 september 2013
Stichting Autoriteit
Financiële Markten
,
Th.F.
Kockelkoren,
Bestuurder.
H.W.O.L.M.
Korte,
Bestuurder.