Gratis juridisch advies



Stel hier je vraag:

(60 c/m)

U kunt uw juridische vraag ook stellen per e-mail of per chat:
  • Betaal € 14,99
  • Wij geven u juridisch advies (meestal binnen een dag),
  • Geef ons een beoordeling en vul het formulier in
  • Wij storten € 14,99 terug!
Waarom?
Door de betaling van € 14,99 krijgen wij alleen serieuze vragen en geen spam. Het advies is gratis omdat wij u terugbetalen. Lees hier de toelichting!

  Ik accepteer de algemene voorwaarden
Vraag stellen    Gratis juridisch advies    Gratis juridisch advies


Informatieplicht verzekeringstussenpersoon

Informatieplicht verzekeringstussenpersoon



Op het moment dat u een verzekering afsluit via een tussenpersoon, dan is dat meestal omdat u ervan uitgaat dat deze persoon de benodigde kennis heeft, u het beste kan informeren over welke verzekering het beste bij u past en dat hij u daarbij ook de nodige informatie geeft. Doorgaans betaalt u immers voor het advies dat de verzekeringstussenpersoon geeft en voor het afsluiten van de polis. Maar ook kunt u bij hem gemakkelijk eventuele schade melden. Hij zorgt dan voor de communicatie met de verzekeringsmaatschappij en dat uw schade wordt vergoed. Een mooi systeem: je neemt iemand in de arm die deze verzekeringstechnische dingen voor je oplost tegen een bepaalde vergoeding.

Maar wat moet de verzekeringstussenpersoon je eigenlijk melden? Waarover moet hij je als consument voorlichten? Als consument ben je doorgaans niet echt thuis in de wereld van verzekeringen en dáárvoor ga je juist naar een tussenpersoon! Handig, maar wat als achteraf blijkt dat de tussenpersoon je niet goed op de hoogte heeft gesteld? Dat schade buiten de dekking valt of dat je onderverzekerd bent? Is dat dan helaas een “feit“, of kun je ook zeggen:


“Ja maar wacht even! Daarvoor heb ik juist de tussenpersoon ingeschakeld, want ik weet hier niets van! En als hij mij niet goed heeft voorgelicht, dan is dat zijn probleem. Ik heb hem toch ingehuurd voor dit werk?“


Hoe zit het juridisch?


Juridisch zit het lastig in elkaar: als de tussenpersoon u niet voldoende informatie heeft gegeven of niet de juiste informatie, dan kan het zijn dat hij de schade die u als gevolg daarvan lijdt moet vergoeden. Hieronder zullen wij aangeven hoe dit wettelijk geregeld is, maar dat is dus niet gemakkelijk! Hebt u vragen? Stel ze gerust!



De zorg van een goed opdrachtnemer

Wanneer een verzekering wordt afgesloten via een assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent), dan bent u met deze tussenpersoon een overeenkomst van opdracht aangegaan. “De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken” (art. 7:400 lid 1 BW). En een van de verplichtingen van de opdrachtnemer (de tussenpersoon) is dan dat deze bij zijn werkzaamheden “de zorg van een goed opdrachtnemer” in acht moet nemen (art. 7:401 BW). Daarnaast kent ook de Wet op het financieel toezicht voorschriften.

Voor het feit dat de tussenpersoon de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen, wordt in de jurisprudentie als maatstaf genomen dat hij zich ‘dient te gedragen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verlangd’.[1] Dit betekent dat uitgangspunt dient te zijn dat het de taak van de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) is te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel dat — kort gezegd — de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben.[2] Het is de taak van de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen en van degenen die, door premie te betalen na een offerte, te kennen geven zich tegen bepaalde gevaren te willen verzekeren. Tot deze taak behoort dat de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) die betaling van een verzekeringspremie ontvangt in verband met het verlengen van een verzekering en die de betaling niet wil aanvaarden en de verzekering niet wil doen verlengen, onverwijld hiervan kennis geeft aan degene die de betaling deed opdat deze dadelijk stappen kan ondernemen om zich elders te verzekeren.[3] De HR:

‘Een assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat — kort gezegd — de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Dit brengt mee dat hij erop toeziet dat door of namens de verzekeringnemer aan de verzekeraar tijdig alle mededelingen worden gedaan waarvan hij, als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent), behoort te begrijpen dat die de verzekeraar ervan zullen (kunnen) weerhouden om, voorzover in deze zaak van belang, een beroep te doen op het vervallen van het recht op schadevergoeding wegens de niet-nakoming van de in de polisvoorwaarden opgenomen mededelingsplicht ter zake van risicoverzwarende omstandigheden. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) bekend zijn of behoorden te zijn. Bij dit laatste geldt dat indien de tussenpersoon met betrekking tot een hem bekende omstandigheid die mogelijk tot een beroep op risicoverzwaring aanleiding kan geven, niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt nog volledig en juist zijn, hij daarnaar bij zijn cliënt dient te informeren. ’[4]




In de conclusie bij HR 2 september 2011, RvdW 2011/1052, geeft A-G F.F. Langemeijer daarover aan: “Ter inleiding merk ik op dat de rechtsbetrekking tussen [eiser] en Aon berust op een overeenkomst van opdracht (art. 7:400 BW). Een zelfstandige assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht.[5] De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht en de belangen van de cliënt voor zover kenbaar voor de tussenpersoon.[6] Bijgevolg vertoont de rechtspraak over de zorgplicht van assurantietussenpersonen een nogal casuïstisch beeld.[7] In het algemeen mag van een assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) een actieve benadering van de opdrachtgever worden verwacht: hij behoort te waken voor de belangen van de verzekeringnemer bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort, in beginsel, dat de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op gevolgen die bekend geworden feiten kunnen hebben voor de dekking.[8] Zo is in de rechtspraak aansprakelijkheid van een assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) aangenomen wanneer deze zijn opdrachtgever, de verzekeringnemer, niet erop had gewezen dat de dekking van de nieuwe verzekering beperkter was dan die van de oude verzekering en dan door de verzekeringnemer was aangevraagd.[9] Daartegenover staat dat in de literatuur wordt benadrukt dat ook de zorgplicht van een assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) grenzen kent. Uit HR 1 oktober 2004 (LJN AO9900), NJ 2005, 92, wordt wel afgeleid dat niet zomaar, zonder verdere aanleiding, zoals aan de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) medegedeelde feiten of omstandigheden of zaken waarvan de tussenpersoon zelf kennis heeft genomen of had behoren te hebben, mag worden aangenomen dat de tussenpersoon de verzekeringnemer behoorde te informeren.[10]

“Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) mag de nodige deskundigheid en vakkennis verwacht worden. Voorts mag van hem verwacht worden dat hij zich bewust is van de zorgplicht die hij heeft ten aanzien van degenen die zich voor advies en bemiddeling tot hem wenden, dat hij de financiële belangen van zijn cliënten naar beste weten en kunnen behartigt en dat hij zorgvuldigheid betracht in de advisering van zijn cliënten. Dit houdt onder meer in dat de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) op de hoogte is van de inhoud van de middels hem af te sluiten verzekeringen en de bijbehorende algemene voorwaarden. Deze zorgplicht houdt tevens in dat hij ervoor zorgt dat verzekeringen met grote financiële belangen tijdig ingaan, ongeacht of de verzekerde daarom vraagt.” (Rb Rotterdam 20 september 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY9186).

Tekortschieten in zorgplicht

Van een tekortschieten in de nakoming van deze zorgplicht is dus sprake indien kan worden aangetoond dat de opdrachtnemer is tekortgeschoten ten aanzien van een concrete verplichting die in de gegeven de omstandigheden uit deze zorgplicht voortvloeit.[11] De beantwoording van de vraag of een tussenpersoon is tekortgeschoten in zijn zorgplicht, dient plaats te vinden met inachtneming van alle relevante omstandigheden. Een assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) mag in het algemeen afgaan op de juistheid van een mededeling van zijn opdrachtgever dat is voldaan aan de uit de polis voortvloeiende verplichtingen tot het nemen van preventiemaatregelen.[12] Om die reden kan doorgaans niet kan worden volstaan met vertrouwen op algemene regels over de zorgplicht van de tussenpersoon, maar blijkt het van belang te zijn om specifieke omstandigheden aan te dragen die de tussenpersoon kent of behoort te kennen en op grond waarvan handelen door de tussenpersoon juist in die situatie was vereist.[13]

Bewijs tekortschieten in zorgplicht

Indien een consument stelt dat de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) is tekortgeschoten in zijn zorgplicht, dan zal deze laatste dat wellicht ontkennen. Dat zou de consument in een lastige bewijsrechtelijke positie brengen: hoe kan hij aantonen dat de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) is tekortgeschoten in zijn zorgplicht? In de rechtspraak kan deze bewijslast worden omgekeerd. Van een assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) mag worden verwacht dat hij deugdelijk schriftelijk verslag doet, en indien hij dat heeft nagelaten, dan komt dat voor zijn eigen risico:

“Nu Van Ek de door [eiser] gestelde opdracht overigens ongemotiveerd betwist, waar zij aanvoert dat ze zich niet kan herinneren of het aanvraagformulier is ingevuld, is de rechtbank gezien de onderbouwde stellingnamen van [eiser] van oordeel dat de door [eiser] gestelde opdracht tot het afsluiten van een verzekering voldoende is komen vast te staan.

Dit geldt in het bijzonder nu het gezien de relatie tussen partijen en de daaraan inherente zorgplicht van Van Ek als assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) op de weg van de laatste ligt om, wanneer partijen vergaand hebben gesproken over het aanvragen van een offerte, het vervolgtraject – ook naar de opdrachtgever – deugdelijk schriftelijk vast te leggen. Onduidelijkheden, zoals die thans zijn ontstaan, dienen in beginsel voor rekening en risico van Van Ek te blijven.” (Rb Arnhem 11 juli 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB0207).

Aantonen en bewijzen causaliteit

Indien het tekortschieten in de zorgplicht van de tussenpersoon tot schade leidt, dan kan het voor de verzekeringnemer lastig zijn om aan te tonen dat deze schade het rechtstreekse gevolg (causaal verband) is van deze geschonden zorgplicht. De HR oordeelde hierover:

“ […] indien […] door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken, is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan..”[14]

Een andere wijze om dit causaliteitsprobleem op te lossen is die van het gebruik van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid. Als definitie voor proportionele aansprakelijkheid kan worden gegeven: ‘de aansprakelijkheid in evenredigheid met de hoegrootheid van de kans dat de onrechtmatige daad of de toerekenbare tekortkoming de schade heeft veroorzaakt’.[15]

De HR overweegt in HR 24 december 2010, NJ 2011, 251 (Fortis/Bourgonje), geparafraseerd:

  • het bezwaar dat toepassing van proportionele aansprakelijkheid de mogelijkheid in zich draagt dat iemand aansprakelijkheid wordt gehouden voor schade die hij niet, of niet in de door de rechter aangenomen mate, heeft veroorzaakt, brengt mee dat de regel met terughoudendheid moet worden toegepast (r.o. 3.8);
  • dat bezwaar brengt bovendien mee dat de rechter in de motivering dient te verantwoorden dat de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending de toepassing in het concrete geval rechtvaardigen (r.o. 3.8);
  • de toepassing is niet beperkt tot gevallen zoals in het Nefalit/Karamus-arrest (r.o. 3.8);
  • voor toepassing kan aanleiding zijn indien: (1) de aansprakelijkheid van de benadeler op zichzelf vaststaat, (2) een niet zeer kleine kans op csqn-verband bestaat en (3) de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending toepassing rechtvaardigen (r.o. 3.8);
  • toepassing is niet beperkt tot gevallen waarin bewijs van het csqn-verband in het algemeen een probleem vormt (r.o. 3.9). [16]

Op het moment dat de causaliteit juist een vaststaand gegeven is maar minder duidelijk is welke omvang de schade heeft, dan deze worden vastgesteld door ‘de goede en kwade kansen’ te schatten voor het geval deze tekortkoming zich niet zou hebben gerealiseerd:

“Het gaat in een geding als het onderhavige om de vraag of, en zo ja in welke mate, de cliënt van een advocaat schade heeft geleden als gevolg van het feit dat deze laatste heeft verzuimd hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waarbij die cliënt in het ongelijk was gesteld. Voor het antwoord op deze vraag moet in beginsel worden beoordeeld hoe de appelrechter had behoren te beslissen, althans moet het te dier zake toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de appellant in hoger beroep, zo dit ware ingesteld, zou hebben gehad.”[17]

Deze regel toegepast in een casus waar het de schending van een informatieverplichting betrof:

“In het onderhavige geval heeft het hof geen toepassing gegeven aan de rechtsregel van de proportionele aansprakelijkheid, doch (kennelijk) aan die van de kansschade. Zijn oordeel moet aldus worden verstaan, dat het eerst op grond van de hiervoor in 3.3 onder (b) weergegeven overwegingen voldoende aannemelijk heeft geoordeeld dat H., indien B. hem had geadviseerd over de mogelijkheid van de ruilarresten, dat advies zou hebben opgevolgd en zich intensief zou hebben ingespannen zich overeenkomstig de voorwaarden van de ruilarresten in een ander kantoor in te kopen. Aldus heeft het hof het condicio-sine-qua-non-verband vastgesteld tussen de tekortkoming van B. en het verlies van de kans van H. op een fiscaal gunstiger situatie. [… ] Nu het hof het condicio-sine-qua-non-verband tussen de normschending van B. en het verlies van de kans van H. op een gunstiger fiscale behandeling heeft vastgesteld volgens de gewone bewijsregels, zonder in dat verband een proportionele benadering te hanteren, geen grond bestaat voor de terughoudende benadering die — in geval van causaliteitsonzekerheid — volgens het arrest Fortis/Bourgonje bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid op haar plaats is.”[18]

Richtlijn Verzekeringsbemiddeling

Onder ‘verzekeringsbemiddeling’ wordt in deze richtlijn [19] verstaan: “ de werkzaamheden die bestaan in het aanbieden, voorstellen, voorbereidend werk realiseren tot het sluiten van of sluiten van verzekeringsovereenkomsten, dan wel in het assisteren bij het beheer en de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten, in het bijzonder in het geval van een schadegeval.” Hierin kunnen dus drie kerntaken worden onderscheiden:

-          aanbieden, voorstellen en voorbereidend werk bij verzekeringsovereenkomsten,

-          sluiten van verzekeringsovereenkomsten, en

-          beheer en uitvoering van verzekeringsovereenkomsten.

Deze richtlijn gaat in op de informatieplicht van verzekeringstussenpersonen jegens hun klanten. De lidstaten dienen deze – zoals alle richtlijnen – te implementeren in hun eigen wetgeving en mogen daarbij strengere bepalingen handhaven of aannemen (mits in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht – nr. 19 Richtlijn). Hoofdstuk III van de richtlijn geeft een duidelijke omschrijving van deze informatieverplichting, om welke reden deze onderstaand integraal wordt ingevoegd:

Richtlijn 2002/92/EG - hoofdstuk III

HOOFDSTUK III

INFORMATIEVEREISTEN VOOR TUSSENPERSONEN

Artikel 12


Door de verzekeringstussenpersoon te verstrekken informatie

1. Voordat een eerste verzekeringsovereenkomst gesloten wordt en, zonodig, wanneer de overeenkomst gewijzigd of verlengd wordt, verstrekt de verzekeringstussenpersoon de klant ten minste de volgende informatie:

a) zijn identiteit en adres;

b) het register waarin hij is ingeschreven en hoe zijn registerinschrijving kan worden geverifieerd;

c) of hij een rechtstreekse of middellijke deelneming van 10 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een bepaalde verzekeringsonderneming bezit;

d) of een bepaalde verzekeringsonderneming of een bepaalde moedermaatschappij van een verzekeringsonderneming een rechtstreekse of middellijke deelneming van meer dan 10 % van de stemrechten of van het kapitaal van de verzekeringstussenpersoon bezit;

e) de in artikel 10 bedoelde procedure die klanten en belanghebbenden de mogelijkheid biedt klachten over verzekeringstussenpersonen in te dienen en, in voorkomend geval, over de in artikel 11 bedoelde buitengerechtelijke klachten- en beroepsprocedures.

Bovendien deelt de verzekeringstussenpersoon de klant met betrekking tot de aangeboden overeenkomst mee:

i) dat hij adviseert op grond van de in lid 2 bedoelde verplichting tot een onpartijdige analyse; of

ii) dat hij een contractuele verplichting heeft om uitsluitend met een of meer verzekeringsbemiddelingsondernemingen verzekeringszaken te doen; in dat geval deelt hij op verzoek van de klant tevens de namen van deze verzekeringsondernemingen mee; of

iii) dat hij geen contractuele verplichting heeft om uitsluitend met een of meer verzekeringsbemiddelingsondernemingen verzekeringszaken te doen en niet adviseert op grond van de in lid 2 bedoelde verplichting tot een onpartijdige analyse; in dat geval deelt hij op verzoek van de klant tevens de namen mee van de verzekeringsondernemingen waarmee hij zaken doet of kan doen.

In de gevallen waarin is voorzien dat bepaalde informatie slechts op verzoek van de klant wordt verstrekt, wordt deze in kennis gesteld van zijn recht om dergelijke informatie te verlangen.

2. Wanneer de verzekeringstussenpersoon de klant meedeelt dat hij adviseert op grond van een objectieve analyse, is hij verplicht zijn advies te baseren op een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare verzekeringsovereenkomsten, zodat hij overeenkomstig professionele criteria in staat is de verzekeringsovereenkomst aan te bevelen die aan de behoeften van de klant voldoet.

3. Voorafgaand aan de sluiting van een verzekeringsovereenkomst preciseert de verzekeringstussenpersoon, in het bijzonder rekening houdend met de door de klant verstrekte informatie, ten minste de verlangens en behoeften van deze klant alsmede de elementen waarop zijn advies over een bepaald verzekeringsproduct is gebaseerd. Deze preciseringen variëren naar gelang van de ingewikkeldheidsgraad van de aangeboden verzekeringsovereenkomst.

4. De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie behoeft niet te worden gegeven wanneer de verzekeringstussenpersoon bemiddelt bij de verzekering van grote risico's noch in het geval van bemiddeling door herverzekeringstussenpersonen.

5. De lidstaten mogen strengere bepalingen betreffende de vereisten op het gebied van de in lid 1 bedoelde informatie handhaven of aannemen, indien deze bepalingen in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in de eerste alinea bedoelde nationale bepalingen.

Teneinde met alle passende middelen een hoge mate van transparantie te bereiken, zorgt de Commissie ervoor dat informatie over de nationale bepalingen waarvan zij in kennis wordt gesteld, tevens aan de consumenten en de verzekeringstussenpersonen wordt meegedeeld.


Artikel 13


Voorwaarden inzake informatie

1. Alle informatie die de klanten op grond van artikel 12 moet worden meegedeeld, wordt verstrekt:

a) op papier of op een andere duurzame drager die voor de klant beschikbaar en toegankelijk is;

b) op duidelijke, nauwkeurige en voor de klant begrijpelijke wijze;

c) in een officiële taal van de lidstaat van de verbintenis of in elke andere taal die door partijen is overeengekomen.

2. In afwijking van lid 1, onder a), mag de in artikel 12 bedoelde informatie op verzoek van de klant mondeling worden meegedeeld, indien onmiddellijke dekking noodzakelijk is. In deze gevallen wordt de informatie onmiddellijk na de sluiting van de overeenkomst overeenkomstig lid 1 aan de klant verstrekt.

3. In geval van verkoop per telefoon is de vooraf aan de klant verstrekte informatie in overeenstemming met de communautaire voorschriften die gelden voor de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten. Bovendien wordt onmiddellijk na de sluiting van de overeenkomst informatie overeenkomstig lid 1 aan de klant verstrekt.

Wet financiële dienstverlening

De Richtlijn Verzekeringsbemiddeling[20] is in Nederland geïmplementeerd in de Wet financiële dienstverlening (Wfd). De bovenstaande artikelen 12 en 13 van de Richtlijn zijn blijkens de memorie van toelichting van de Wfd als volgt geïmplementeerd:[21]

12, eerste lid                     Implementatie in een AMvB die op grond van artikel 31 en artikel 33, lid 1, van de Wfd zal worden vastgesteld

12, tweede lid                   Artikel 33, lid 2 Wfd

12, derde lid                      Artikel 32, lid 1 Wfd

12, vierde lid                      Behoeft geen implementatie

12, vijfde lid                       Behoeft geen implementatie

13, eerste lid                     Implementatie in een AMvB die op grond van artikel 31 en artikel 33, lid 1 van de Wfd zal worden vastgesteld

13, tweede lid                   Implementatie in een AMvB die op grond van artikel 31 en artikel 33, lid 1, van de Wfd zal worden vastgesteld

13, derde lid                      Implementatie in en AMvB die op grond van artikel 31 en artikel 33, lid 1, van de Wfd zal worden vastgesteld

Het ging daarbij om de volgende bepalingen:


Artikel 30

1.       De financiële dienstverlener draagt er zorg voor dat de door of namens hem verstrekte informatie terzake van een financieel product of financiële dienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet aan de bij of krachtens deze wet aan de consument te verstrekken informatie.

2.       De krachtens deze wet door de financiële dienstverlener verstrekte informatie is feitelijk juist, voor de consument begrijpelijk en niet misleidend.


Artikel 31

1.       Voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product verstrekt de financiële dienstverlener de consument informatie voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van dat product.

2.       In afwijking van het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de financiële dienstverlener in daarbij te bepalen gevallen de in dat lid bedoelde informatie geheel of gedeeltelijk na het aangaan van de overeenkomst verstrekt.

3.       Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een financieel product verstrekt de financiële dienstverlener de consument tijdig informatie over:

a.       wezenlijke wijzigingen in de informatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze informatie redelijkerwijs relevant is voor de consument;

b.      bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.

4.       Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de informatie, bedoeld in het derde lid, in daarbij aan te wijzen gevallen uitsluitend op verzoek van de consument wordt verstrekt.


Artikel 32

1.       Indien de financiële dienstverlener een consument adviseert:

a.       wint hij in het belang van de consument informatie in over diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid, voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor het advies;

b.      draagt hij er zorg voor dat zijn advies, voor zover redelijkerwijs mogelijk, rekening houdt met de onder a. bedoelde informatie;

c.       licht hij de overwegingen toe die ten grondslag liggen aan het advies, voorzover dit nodig is voor een goed begrip van het advies.

2.       Indien de financiële dienstverlener bij het verlenen van een financiële dienst aan een consument deze niet adviseert, maakt hij dat bij aanvang van de dienstverlening aan deze kenbaar.


Artikel 33

1.       Onverminderd de artikelen 31 en 32 informeert de bemiddelaar, voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product, de consument over de volgende onderwerpen:

a.       of hij adviseert op grond van de in het tweede lid bedoelde verplichting tot een objectieve analyse; dan wel

b.      of hij een contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen, in welk geval hij de consument tevens desgevraagd de namen van deze aanbieders mededeelt; dan wel

c.       dat hij geen contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen en hij niet adviseert op grond van de in het tweede lid bedoelde verplichting tot een objectieve analyse, in welk geval hij de consument desgevraagd tevens de namen mededeelt van de aanbieders waarvoor hij bemiddelt of kan bemiddelen; en

d.      op welke wijze hij wordt beloond; en

e.      of hij een rechtstreeks of middelijke deelneming van 10% of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een bepaalde aanbieder bezit; en

f.        of een bepaalde aanbieder of een bepaalde moederonderneming van een aanbieder een rechtstreekse of middelijke deelneming van meer dan 10% van de stemrechten of van het kapitaal van de bemiddelaar bezit; en

g.       bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.

2.       Indien de bemiddelaar de consument adviseert op grond van een objectieve analyse, baseert hij zijn advies op een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare financiële producten, zodat hij in staat is een financieel product aan te bevelen dat aan de behoeften van de consument voldoet.

3.       Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter zake van een beloning of vergoeding voor het bemiddelen in financiële producten, in welke vorm ook, alsmede ter zake van de wijze van uitbetaling daarvan.


Omtrent deze artikelen werd daarbij toegelicht:

Precontractuele informatie (artikel 31)

Op grond van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek zal een verkopende partij zijn wederpartij altijd adequaat moeten informeren over de relevante kenmerken van het product dat wordt aangeboden. Ook een tussenpersoon zal de (potentiële) afnemer adequaat moeten informeren op grond van het civiele recht om aan zijn zorgplicht jegens zijn cliënt te kunnen voldoen. Op basis van de geldende financiële toezichtswetgeving geldt voor complexe financiële producten bovendien dat voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst een financiële bijsluiter zal moeten worden verstrekt, zodat de producten waarop de bijsluiterplicht ziet inzichtelijker zijn voor de consument en onderling beter vergelijkbaar. Daarnaast schrijven bepalingen in de Regeling Informatieverstrekking aan Verzekerden (RIAV 1999), het Besluit Kredietaanbiedingen (BKA) en de Nadere Regeling van de AFM inzake de Financiële Bijsluiter precontractuele informatieverstrekking voor. De hierboven genoemde regelingen zullen in beginsel worden gehandhaafd (uitgangspositie 0) in een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 30, 31 en 351. Daarnaast zullen in deze algemene maatregel van bestuur enkele informatievoorschriften worden ingevoerd in verband met de implementatie van de Richtlijn Verkoop op Afstand Financiële Producten. Het Platform Financiële Dienstverlening heeft een voorstel ontwikkeld voor een door de financiële dienstverleners te verstrekken advieswijzer/dienstenwijzer. Teneinde de maximumsituatie te kunnen schetsen is in onderstaande berekening rekening gehouden met de implementatie van deze advieswijzer / dienstenwijzer. Nadat het Platform hierover heeft geadviseerd zal de wenselijkheid van de invoering van een advieswijzer in het licht van de verwachte effectiviteit ervan en de administratieve lasten die ermee gemoeid gaan worden bezien. De tekst van een advieswijzer / dienstenwijzer en de informatievereisten die door de Richtlijn Verkoop op Afstand Financiële Producten worden voorgeschreven zal naar verwachting door een medewerker van een gemiddelde financiële dienstverlener in 3,5 uur ( 3,5 maal 55 = 192,50) op papier kunnen worden gezet en in 1 uur per jaar (1 uur maal 55 = 55) actueel gehouden kunnen worden. Vervolgens komen daar de jaarlijkse druk- en papierkosten van de advieswijzer / dienstenwijzer (€ 0,71 per stuk voor het geschatte aantal van 12 mln. exemplaren) bij.

10.7.5.3. Informatieverstrekking gedurende de looptijd (artikel 31)

De verplichtingen terzake van het verstrekken van informatie gedurende de looptijd van verzekeringsovereenkomsten zoals die zijn vastgelegd in de Regeling Informatieverstrekking aan Verzekerden (RIAV) zullen gehandhaafd worden in een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 31. De kosten daarvan moeten daarom als uitgangspositie worden genomen (uitgangspositie = 0), maar tevens als maximumsituatie omdat er geen verderstrekkende informatieverplichtingen zijn voorzien.

10.7.5.4. Actieve of passieve informatieverstrekking (artikel 31)

Informatie zal in beginsel actief moeten worden verstrekt, maar in lagere regelgeving kan ook worden bepaald dat bepaalde informatie slechts op uitdrukkelijke aanvraag van de consument moet worden verstrekt indien de baten van het actief verstrekken van informatie niet opwegen tegen de lasten van het actief verstrekken. Indien wordt besloten in lagere regelgeving vast te leggen dat voor bepaalde informatie zal gelden dat het ter beschikking houden van informatie voor de consument en op aanvraag aan hem verstrekken voldoende is, dan beperkt deze bepaling de administratieve lasten.

10.7.5.5. Adviesregels (artikel 32)

De verplichting tot het inwinnen van informatie over financiële positie, kennis, ervaring, doelstelling en risicobereidheid van de klant in de adviesregels vloeit reeds voort uit de verplichtingen in het BW (zorgplicht). De meerkosten die verband houden met dit wetsvoorstel zitten in de verplichting om voor de toezichthouder op controleerbare wijze vast te leggen dat de aanbieders, bemiddelaars en adviseurs zich aan de adviesregels houden. De kosten van dit proces van vastlegging zijn gebaseerd op een schatting van 5 minuten per advies tegen een uurtarief van € 55. De schatting van het jaarlijkse aantal adviezen is gebaseerd op het aantal fte's werkzaam als aanbieder/bemiddelaar/adviseur en een gemiddelde van 10 uur per advies (NEI) en het gegeven dat bemiddelaars/adviseurs ca 60% van de markt bedienen (ESI-VU1 ).

Wet op het financieel toezicht

Welke informatie financiële dienstverleners moeten verstrekken is in de Wet op het financieel toezicht opgenomen in afdeling 4.2.3. Deze zijn verder uitgewerkt in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo) en in de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Nrgfo).

De Autoriteit Financiële Markten heeft, op de grondslag van deze wet, tot taak het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen en te beslissen omtrent de toelating van financiële ondernemingen tot die markten. Gedragstoezicht is, mede in het belang van de stabiliteit van het financiële stelsel, gericht op ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten (art. 1:25 lid 1 en 2 Wft). Het doel daarvan is om te waarborgen in te bouwen dat de consument goed wordt geïnformeerd en geadviseerd door deskundige en betrouwbare financiële dienstverleners.

“Voor een belangrijk deel vloeien de verplichtingen tot het verstrekken van adequate informatie en het behoorlijk adviseren van consumenten al voort uit het civiele recht. Dat neemt niet weg dat de weg naar de civiele rechter voor de individuele consument vaak een langdurige en kostbare aangelegenheid is. Tevens slaagt het civiele recht er slechts ten dele in overtreding van normen te voorkomen. Financiële dienstverleners die er een «hit-and- run»-tactiek op nahouden zullen over het algemeen verdwenen zijn voordat de consument hen voor de rechter kan dagen. Publiek toezicht voegt aan het civiele recht een extra prikkel tot het naleven van verplichtingen ten aanzien van informatieverstrekking en zorgvuldige advisering toe. Door middel van boetes, dwangsommen en doordat uiteindelijk malafide partijen van de markt kunnen worden geweerd kan publiek toezicht een wezenlijke aanvulling leveren op het systeem van consumentenbescherming dat reeds bestaat […]

Overheidsingrijpen kan bijdragen aan gezonde marktverhoudingen en marktprocessen. Met betrekking tot de gezonde marktverhoudingen kan worden gewezen op het belang van een adequate bescherming voor de consument, die vanuit de complexiteit van financiële contracten een informatieachterstand kan hebben ten opzichte van de aanbieder of bemiddelaar.

[Zo gelden er] gedragsregels die voorschrijven op welke wijze financiële instellingen met hun (potentiële) klanten dienen om te gaan. Transparantie is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Consumenten dienen over voldoende informatie te beschikken over de wezenlijke kenmerken van financiële producten en diensten, om tot een verantwoorde keuze te komen bij de aanschaf ervan. Voorts gelden in dit verband voorwaarden voor integere omgangsvormen op de financiële markten, waaronder de verplichting voor aanbieders en bemiddelaars om zorgvuldig met de belangen van een klant om te gaan.”[22]

Geen consument - Eigen schuld?

De bescherming ziet dus hoofdzakelijk op consumenten. Hoe is dat indien iemand toevallig misschien zelf meer kennis heeft ter zake? Bijvoorbeeld bij een jurist? In een zaak die aan de rechter werd voorgelegd kwam dit aan de orde: de eiser was in dienst geweest van de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) als jurist en de tussenpersoon stelde dat hij derhalve ter zake meer kennis had dan een gemiddelde consument:

“De rechtbank gaat er van uit dat [eiser] in dienst is geweest vanwege zijn contacten en geen inhoudelijke werkzaamheden als tussenpersoon heeft verricht. [gedaagde] heeft voor het overige onvoldoende aangevoerd om te kunnen oordelen dat [eiser] meer dan de gemiddelde consument op de hoogte was van het verzekeringsrecht. Dit klemt temeer nu uit hetgeen [gedaagde] en [eiser] ter comparitie hebben verklaard blijkt dat, daargelaten de precieze inhoud van de tussen hen gevoerde gesprekken, [eiser] bij [gedaagde] advies inwon met betrekking tot de verzekering.”( Rb Zwolle-Lelystad 18 februair 2009, ECLI:NL:RBZLY:2009:BI9796).

Precontractuele informatieverplichting financiële dienstverlener

Evenals in de inmiddels vervallen Wet financiële dienstverlening, is in de Wet op het financieel toezicht (Wft) een bepaling opgenomen die de precontractuele informatieplicht (art. 12 Richtlijn 2002/92/EG) nader bepaalt:


Artikel 4:19

  • 1. Een financiële onderneming draagt er zorg voor dat de door of namens haar verstrekte of beschikbaar gestelde informatie ter zake van een financieel product, financiële dienst of nevendienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet aan ingevolge deze wet te verstrekken of beschikbaar te stellen informatie.

  • 2. De door een financiële onderneming aan cliënten verstrekte of beschikbaar gestelde informatie, waaronder reclame-uitingen, ter zake van een financieel product, financiële dienst of nevendienst is correct, duidelijk en niet misleidend.

  • 3. De financiële onderneming draagt er zorg voor dat het commerciële oogmerk van de verstrekte of beschikbaar gestelde informatie als zodanig herkenbaar is.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het tweede lid, voor zover de informatie, bedoeld in dat lid, verstrekt wordt in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten.

Informatie afstemmen op de omstandigheden

Het gegeven dat de financiële dienstverlener informatie ‘correct, duidelijk en niet-misleidend’ moet verstrekken, betekent ook dat hij deze informatie moet toespitsen op de omstandigheden van het geval. Hij heeft derhalve een onderzoeksplicht omtrent deze omstandigheden, om zo het advies daarop te kunnen afstemmen:[23]

Artikel 4:23

  • 1. Indien een financiële onderneming een consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, cliënt adviseert of een individueel vermogen beheert:

    • a. wint zij in het belang van de consument onderscheidenlijk de cliënt informatie in over diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid, voorzover dit redelijkerwijs relevant is voor haar advies of het beheren van het individuele vermogen;

    • b. draagt zij er zorg voor dat haar advies of de wijze van het beheer van het individueel vermogen, voorzover redelijkerwijs mogelijk, mede is gebaseerd op de in onderdeel a bedoelde informatie; en

    • c. licht zij, indien het advisering betreft met betrekking tot financiële producten die geen financiële instrumenten zijn, de overwegingen toe die ten grondslag liggen aan haar advies voorzover dit nodig is voor een goed begrip van haar advies.

  • 2. Indien een financiële onderneming bij het verlenen van een financiële dienst die geen beleggingsdienst is, een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt niet adviseert, maakt zij dat bij aanvang van haar werkzaamheden ten behoeve van de consument onderscheidenlijk de cliënt aan deze kenbaar.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de wijze waarop deze informatie wordt ingewonnen;

    • b. de wijze, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarop een beleggingsonderneming bij haar advies over financiële instrumenten of het beheren van het individueel vermogen rekening houdt met de ingewonnen informatie;

    • c. de wijze waarop de toelichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt gegeven; en

    • d. de wijze waarop de financiële onderneming de consument onderscheidenlijk de cliënt kenbaar maakt dat zij niet adviseert.

  • 4. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het derde lid bepaalde, voorzover dat geen betrekking heeft op het adviseren over financiële instrumenten of het beheren van een individueel vermogen, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Waarschuwingsplicht

Op grond van de ingewonnen informatie ex art. 4:23 Wft kan deze aanleiding geven tot een waarschuwingsplicht van de financiële dienstverlener: “Op Dexia heeft een tweeledige zorgplicht gerust: een verplichting om degene met wie zij een overeenkomst tot effectenlease aanging, tevoren indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico dat de verkoopopbrengst van de geleaste effecten bij beëindiging van de overeenkomst niet toereikend zou zijn voor de terugbetaling van het geleende bedrag, in welk geval een restschuld zou overblijven, alsmede een verplichting om alvorens de overeenkomst aan te gaan inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van haar beoogde wederpartij teneinde na te gaan of deze naar redelijke verwachting de uit de overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen zou kunnen dragen, ook bij een ontoereikende verkoopopbrengst van de effecten. Niet meer in geschil is dat Dexia in beide opzichten in de nakoming van haar zorgplicht is tekortgeschoten. Bij de beantwoording van de vraag of tussen dit tekortschieten en de totstandkoming van een overeenkomst tot effectenlease en de schade die de wederpartij van Dexia hierdoor heeft ondervonden een oorzakelijk verband (zoals bedoeld in artikel 6:162 BW) bestaat, staat voorop dat de waarschuwings- en de onderzoeksplicht van Dexia zelfstandige verplichtingen inhouden binnen het kader van haar zorgplicht. Voor het aannemen van het bedoelde verband is daarom voldoende, maar ook noodzakelijk, dat de wederpartij van Dexia de overeenkomst niet zou zijn aangegaan als Dexia ten aanzien van één van die verplichtingen niet was tekortgeschoten.” (Hof Amsterdam 1 december 2009, NJF 2010, 12).

Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid)

Hoewel de Afm is belast met het toezicht op de naleving van de Wft, kunnen individuele geschillen worden voorgelegd aan het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Het Kifid bemiddelt in geschillen tussen consumenten, en banken, verzekeraars, intermediairs en andere financiële dienstverleners. Wanneer u een financiële klacht dan kunt u die aan het Kifid voorleggen.[24]

Het Kifid kent een Geschillencommissie Financiële Dienstverlening die uitspraak kan doen. Indien een klacht wordt ingediend bij het Kifid en deze in behandeling wordt genomen, dan zal eerst door tussenkomst van de Ombudsman worden gekeken of de klacht in der minne kan worden opgelost. Blijkt dat niet het geval, dan kan de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening daarover uitspraak doen.[25] Hieronder volgen enkele uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, waar het aankomt op de bewijslast van de consument en de informatieverplichting van de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent):

Uitspraak nr. 96/17 maart 2014

“De Commissie overweegt dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) als uitgangspunt heeft te gelden dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten – bij voldoende betwisting door de tegenpartij – haar stellingen moet bewijzen. Omdat Consument zich op het standpunt stelt dat Aangeslotene aan hem geen kapitaal aan overrentewinstdeling heeft uitgekeerd en daardoor in strijd heeft gehandeld met lid 4 van de overrentewinstdelingsclausule, rust de bewijslast op hem. De Commissie stelt vast dat afgezien van de eigen verklaring van Consument geen enkel ander bewijs voor zijn stelling voorhanden is en dat ook anderszins niet is gebleken dat Aangeslotene haar verplichtingen jegens Consument ter zake van de overrentewinstdeling niet is nagekomen. De Commissie is om die reden dan ook van oordeel dat Consument tegenover de betwisting door Aangeslotene niet voldoende bewijs heeft geleverd om de juistheid van zijn stelling te kunnen aannemen. […]

In de tweede plaats voert Consument aan dat Aangeslotene tekort is geschoten in haar informatieplicht door in de precontractuele fase geen informatie te verstrekken over de aan de verzekering verbonden kosten en provisie. De vraag die daarmee voorligt, luidt of Aangeslotene in 1986 verplicht was Consument over de aan de verzekering verbonden kosten en provisie in te lichten. De Commissie beantwoordt deze vraag ontkennend. Ter toelichting dient het volgende.

Voorop staat dat Consument de onderhavige verzekering, te weten een gemengde levensverzekering met winstdeling, heeft gesloten in 1986. De Commissie overweegt dat er in 1986 geen regelgeving was die voorschreef dat verzekeraars inzicht moesten geven in de kosten en de provisie die aan een verzekering als de onderhavige zijn verbonden. Dat Aangeslotene tekort zou zijn geschoten door Consument bij het aangaan van de verzekering in strijd met de destijds geldende regels onvoldoende te informeren, is dan ook niet gebleken.

Verder overweegt de Commissie dat de kosten en de provisie bij een verzekering als de onderhavige geen rol spelen. Consument wist wat zou worden uitgekeerd bij overlijden of op de einddatum van de verzekering en hij wist wat de daarvoor te betalen premie zou zijn. Hij was kennelijk bereid deze premie te betalen met het oog op deze uitkering. Hetzelfde geldt voor het gegarandeerde deel van de winstdeling. Het niet gegarandeerde deel van de winstdeling was afhankelijk van het rendement op een pakket staatsleningen en dus onafhankelijk van de kosten en de provisie samenhangend met de onderhavige verzekering. Ook in dat opzicht doen deze kosten en provisie dus niet ter zake. Consument kan op zijn argumenten geen in rechte te honoreren eisen baseren.”

Uitspraak nr. 167/29 mei 2013

“Onder deze omstandigheden hoefde Aangeslotene geen zelfstandig onderzoek te doen naar de mogelijkheid van ongewijzigde voortzetting van de Verzekering bij oversluiting en rustte daaromtrent op haar geen informatieplicht. Dat Aangeslotene alleen de bedragen en de vereiste dekking heeft gecontroleerd, en daar ook in latere instantie zoals bijvoorbeeld in haar brief van 10 juli 2007, vanuit is gegaan, kan haar niet worden verweten. Zij mocht er op vertrouwen dat de hypotheekadviseur van

Consument de aard van de financiering en de mogelijkheid om de Verzekering ongewijzigd voort te zetten had onderzocht. Dat ware alleen dan anders geweest als Consument rechtstreeks een hypotheekofferte bij Aangeslotene had aangevraagd.”

Uitspraak nr. 214/6 september 2011

“Voorop staat dat de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW en dat op Aangeslotene als opdrachtnemer een zorgplicht rust. In de jurisprudentie is die zorgplicht voor assurantietussenpersonen nader uitgewerkt in die zin dat een assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) tegenover zijn opdrachtgever de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en een redelijk handelend assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) mag worden verwacht. De vraag die de Commissie thans dient te beoordelen is of Aangeslotene aan deze zorgplicht heeft voldaan.

Bij de beantwoording van deze vraag overweegt de Commissie dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent) verwacht mag worden dat zij haar cliënten zodanig informeert over de aard van het product en de risico's van hun keuzes, dat de cliënten vóór het sluiten van de overeenkomst een welafgewogen beslissing kunnen nemen. De Commissie stelt vast dat Consument bij het sluiten van de lijfrenteverzekering heeft gekozen voor een looptijd van 2 jaar en 7 maanden en dat zij als gevolg van deze keuze een lager bedrag uitgekeerd heeft gekregen dan de door haar ingelegde koopsom. Consument heeft aangevoerd dat zij niet voor een uitkering in januari 2008 zou hebben gekozen indien zij had geweten dat de uitkering dan € 828,17 zou bedragen.

Uitgangspunt is dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten — bij voldoende betwisting door de tegenpartij — haar stellingen moet bewijzen. Omdat Consument aan haar vordering ten grondslag legt dat Aangeslotene in haar informatieplicht te kort is geschoten, rust de bewijslast in beginsel op haar. Aangeslotene heeft tegen de vordering aangevoerd dat Consument op basis van de polis en de gegeven voorlichting heeft moeten begrijpen dat zij in januari 2008 een uitkering naar rato zou ontvangen ter hoogte van € 828,17. De Commissie is van oordeel dat een gemiddelde verzekeringnemer niet uit het aanvraagformulier noch uit de polis kan afleiden dat op de expiratiedatum van 31 januari 2008 een bedrag van € 828,17 zal worden uitgekeerd. Daarnaast overweegt de Commissie dat het feit, dat op het aanvraagformulier en de polis niet is vermeld welk bedrag op de expiratiedatum zal worden uitgekeerd, bij een gemiddelde verzekeringnemer de verwarring kan doen ontstaan dat bij beëindiging van de verzekering in januari 2008 een bedrag van € 1.413,- zal worden uitgekeerd. Daarbij is van belang dat het niet voor de hand ligt dat een Consument die goed is voorgelicht zal instemmen met een overeenkomst waarbij de uiteindelijke uitkering zeker of met grote waarschijnlijkheid lager zal zijn dan de inleg.

De Commissie heeft ter zitting aan Aangeslotene de vraag voorgelegd welke informatie en welk advies zij Consument voorafgaand aan het sluiten van de verzekering heeft verstrekt. Aangeslotene heeft daarop betoogd dat de vraag hoe advisering heeft plaatsgevonden niet door Consument aan de klacht ten grondslag is gelegd. De Commissie verwerpt dit verweer omdat de kern van het geschil is dat Consument stelt dat zij iets anders heeft gekregen dan zij verwachtte. Hierdoor ligt het gehele totstandkomingstraject van de overeenkomst aan de Commissie voor. De Commissie heeft Aangeslotene, om een verrassingsbeslissing te voorkomen, wel in de gelegenheid gesteld op het ter zitting verhandelde te reageren binnen de hiervoor onder 'procedure' genoemde termijn. Aangeslotene heeft haar reactie echter tardief ingediend waarop de Commissie heeft besloten de reactie niet aan het procesdossier toe te voegen en bij de beoordeling van het geschil buiten beschouwing te laten. Het gevolg hiervan is dat Aangeslotene naar het oordeel van de Commissie de stellingen van Consument onvoldoende gemotiveerd heeft betwist zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat Consument er door Aangeslotene niet of althans niet voldoende over is geïnformeerd dat de lijfrente-uitkering bij de keuze voor een looptijd van 2 jaar en 7 maanden € 828,17 zou bedragen.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering van Consument zal worden toegewezen. Alle overige door partijen ingebrachte stellingen en argumenten kunnen niet tot een ander oordeel leiden en zullen derhalve onbesproken blijven.”

Uitspraak nr. 69/16 april 2009

“Ingeval een verzekering (met een beleggingsrisico) door toedoen van een tussenpersoon wordt gesloten rust ook op die tussenpersoon een zelfstandige verplichting tot het verschaffen van volledige en begrijpelijke informatie omtrent de eigenschappen van de verzekering en de daaraan verbonden kosten. Het behoort immers tot diens taken als professionele, ter zake kundige, dienstverlener alle relevante informatie te verstrekken aan degene die zijn deskundig advies of deskundige bijstand inroept. Ingeval de tussenpersoon in de vervulling van deze taak tekortschiet, en aannemelijk wordt dat deze tekortkoming in oorzakelijk verband staat met een vervolgens ondervonden nadeel, valt niet uit te sluiten dat de tussenpersoon daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld, eventueel naast de verzekeraar die niet voldoende of niet tijdig inzicht in de verzekeringsvoorwaarden heeft gegeven.”

Uitspraak nr. 137/20 maart 2014

 “Consument stelt dat Aangeslotene jegens haar toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen c.q. onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door in het kader van de totstandkoming van de Verzekering onvoldoende en onjuiste informatie te verstrekken over de kosten en de risico’s die beleggen met zich meebrengt waaronder het effect van sterke fluctuaties in het rendement op het uiteindelijk te behalen rendement.

Op Aangeslotene rust in de precontractuele fase de verplichting tot het verschaffen van volledige en begrijpelijke informatie aan Consument omtrent de kenmerkende eigenschappen van de aan Consument aangeboden verzekering, waaronder de kosten die uit hoofde van die verzekering in rekening worden gebracht. Bij de beoordeling van de vraag of dat in het onderhavige geval is gebeurd zal de Commissie uitgaan van de wet- en regelgeving alsmede de binnen de branche algemeen gehuldigde inzichten, ten tijde van het totstandkomen van de Verzekering.

De in 1998 geldende maatschappelijke opvattingen over de voorafgaand aan het sluiten van levensverzekeringen aan aspirant-verzekeringnemers te verstrekken informatie blijken uit de Riav 1994 en de CRR 1997. De Riav 1994 noch de CRR 1997 verplichtte tot (directe) transparantie omtrent de in rekening gebrachte kosten (zie ook Brief Minister van Financiën. Kamerstukken II 1 995/1996, 24.456, 23.669, nr.12, p16-17). De Commissie wijst er echter op dat de te betalen premie en andere kosten en het redelijkerwijs te verwachten bedrag van de uitkering bij een overeenkomst van levensverzekering tot de essentiële prestaties behoren, zodat de daarop betrekking hebbende voorwaarden naar algemene maatstaven van het contractenrecht behoren tot de bedingen die uitdrukkelijk en begrijpelijk geformuleerd dienen te zijn en aan de potentiële wederpartij kenbaar gemaakt moeten worden op een zodanig tijdstip dat hij zich nog aan de overeenkomst kan onttrekken (vergelijk r.o 5.4 van Geschillencommissie 2009/69, r.o 4.3 van Geschillencommissie 2010-88 en r.o 5.3 van Geschillencommissie 2011-172). […]

Tussen partijen is niet in discussie dat uit hoofde van de Verzekering kosten in rekening worden gebracht. Dit blijkt ook uit de brochure. Verder bepaalt artikel 15 VvV dat kosten, verbonden aan de uitvoering van de verzekering, in rekening kunnen worden gebracht. De Commissie stelt vast dat de verstrekte informatie op dit punt niet in strijd is met hetgeen in de Riav 1994 en de CRR 1997 is bepaald. Waar partijen echter over van mening verschillen is de hoogte van de in rekening gebrachte kosten. Consument stelt dat in de brochure is vermeld dat slechts een klein deel van de premie wordt gebruikt voor de kosten. Aangeslotene beroept zich op artikel 15 VvV.

De Commissie overweegt het volgende: In de brochure wordt letterlijk, zonder enig voorbehoud voor voortijdige beëindiging van de verzekering, vermeld dat slechts een klein deel van de premie wordt gebruikt voor eerste en doorlopende kosten. Ook de kosten voor het verzekeren van het overlijdensrisico zijn volgens de brochure laag. In haar brief van 17 januari 2013 schrijft Aangeslotene aan Consument dat tot 2 augustus 2013 in totaal een bedrag van € 3.703,50 in rekening is gebracht. Hiervan is een bedrag van € 516,82 gebruikt als overlijdensrisicopremie. Indien de voor de overlijdensrisicodekking berekende premie buiten beschouwing wordt gelaten bedraagt het aan kosten in rekening gebrachte bedrag € 3.186,68. Indien wordt uitgegaan van het bedrag dat volgens Aangeslotene in totaal aan premie is betaald, € 12.303,49, is daarvan derhalve 25,9% door Aangeslotene aan kosten in rekening gebracht. Overigens stelt Consument dat zij in totaal een bedrag van € 12.232,- aan premie heeft betaald. De in rekening gebrachte kosten zouden dan 26% bedragen.

Hoe het ook zij: naar het oordeel van de Commissie mocht Consument op grond van hetgeen in de brochure over de kosten is vermeld, er redelijkerwijs van uitgaan dat daadwerkelijk slechts een klein deel van de premie aan kosten in rekening zou worden gebracht. De in werkelijkheid tijdens de looptijd van de in rekening gebrachte kosten zijn echter substantieel geweest.

Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat Aangeslotene toerekenbaar tekort is geschoten jegens Consument door tijdens de looptijd van de Verzekering hogere kosten in rekening te brengen dan waarvan Consument op grond van de in de precontractuele fase verstrekte informatie redelijkerwijs mocht uitgaan en is zij verplicht de door Consument geleden schade te vergoeden.”



[1] HR 9 november 1990, NJ 1991,26 en HR 26 april 1991, NJ 1991, 455 en HR 22 november 1996, NJ 1997, 718 m.nt. MMM (Korean Trade/Generale Bank).

[2] HR 9 januari 1998, NJ 1998, 586 (Van Dam/Rabobank).

[3] HR 29 januari 1999, NJ 1999, 651 (Scheck/Sluyter).

[4] HR 10 januari 2003, LJN AF0122 (Brals/Octant).

[5] Zie voor deze maatstaf: HR 22 november 1996 (LJN-index: ZC2205), NJ 1997, 718 m.nt. MMM. Over de zorgplicht van beroepsbeoefenaren in het algemeen: Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV*, 2009, nrs. 200-201.

[6] Vgl. alinea 3.2.4 van de conclusie van A-G Mok vóór HR 9 januari 1998 (LJN-index: ZC2537), NJ 1998, 586 m.nt. MMM, alinea 20.1 van de conclusie van A-G Wuisman vóór HR 1 december 2006 (LJN: AY9225), NJ 2006, 657 en alinea 9 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense vóór HR 10 januari 2003 (LJN: AF0122), NJ 2003, 375 m.nt. MMM.

[7] Zie nader over deze zorgplicht: J.H. Wansink, Zorgplichten voor de (rechtstreekse) verzekeraar en de bemiddelaar in de Wet op het financieel toezicht (Wft), VA 2009, blz. 3 - 7; Asser-Clausing-Wansink VI, 2007, nr. 54.

[8] HR 9 januari 1998, NJ 1998, 586 m.nt. MMM en HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375 m.nt. MMM, reeds aangehaald; HR 29 januari 1999 (LJN: ZC2837), NJ 1999, 651 m.nt. P. Clausing. Ook kan worden gewezen op de parlementaire geschiedenis van de Wet Assurantiebemiddeling, Kamerstukken I, 1951/52, 870, nr. 11a, blz. 10: "Elke tussenpersoon, die zijn beroep goed uitoefent, ongeacht of hij al dan niet de premiën int of daarvoor verantwoordelijk is, zal de door hem gesloten verzekeringen regelmatig toetsen aan de werkelijkheid en daartoe de verzekeringnemers bezoeken; zijn taak is voor de belangen van de verzekeringnemers te waken en zodoende de vertrouwenspositie, die hij behoort in te nemen, te bevestigen en te versterken".

[9] Hof 's Hertogenbosch 21 mei 1990, S&S 1992, 10. Zie voorts: Rb Rotterdam 6 april 1990, S&S 1990, 109; Hof Amsterdam 17 augustus 2010, LJN: BN8267; Hof 's-Hertogenbosch 11 januari 2011, LJN: BP3896.

[10] J.H. Wansink, Zorgplichten voor de (rechtstreekse) verzekeraar en de bemiddelaar in de Wet op het financieel toezicht (Wft), VA 2009, reeds aangehaald, blz. 6. Zie verder nog: W.J. Hengeveld en B.M. Jonk-van Wijk, AV&S 2005, blz. 31, en van dezelfde auteurs: De Zorgplicht van de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent), in: P.J.A. Drion e.a. (red.), Tussen persoon en recht (Kamphuisen-bundel), 2004, blz. 107 e.v., i.h.b. blz. 116 - 118; R. van den Berg, De zorgplicht van de assurantietussenpersoon (verzekeringstussenpersoon / verzekeringsagent), VR 2011, blz. 133 - 138.

[11] T.F.E. Tjong Tjin Tia, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het. Nederlands burgerlijk recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel IV. Opdracht, inclusief geneeskundige behandelingsovereenkomst en de reisovereenkomst, Deventer: Kluwer 2009, p. 156.

[12] HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6693.

[13] HR 8 juni 2012, RAV 2012/87 (Rabo/Vd Broek).

[14] HR 26 januari 1996 NJ 1996, 607, m. nt. WMK (Dicky Trading II).

[15] I. Giesen & K. Maes, Omgaan met bewijsnood bij de vaststelling van het causaal verband in geval van verzuimde informatieplichten, NTBR 2014/27; J.H. Nieuwenhuis, ‘Disproportionele aansprakelijkheid’, RM Themis 2006, p. 177.

[16] Ontleend aan: I. Giesen & K. Maes, Omgaan met bewijsnood bij de vaststelling van het causaal verband in geval van verzuimde informatieplichten, NTBR 2014/27.

[17] HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 257 (Baijings/mr. H.).

[18] HR 21 december 2012, NJ 2013, 237(Deloitte/H&H Beheer).

[19] http://eur-lex.europa.eu/legal-content/nl/ALL/?uri=CELEX:32002L0092 - Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (Richtlijn verzekeringsbemiddeling)

[20] Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (Richtlijn verzekeringsbemiddeling).

[21] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29507-3.html - Memorie van toelichting Wet financiële dienstverlening - Bijlage 2 (Transponeringstabel Richtlijn 2002/65/EG).

[22] Kamerstukken II 2003/04, 29 507, nr. 3, p. 5-7.

[23] Vgl. HR 1 december 2006 (LJN: AY9225), NJ 2006, 657