Geachte heer/ mevrouw,
Wij ontvingen uw vragen
naar aanleiding van het artikel op
https://www.nurecht.nl/privaatrecht-afstand-bomen-erfgrens.html, die
wij onderstaand zullen beantwoorden.
Waar in artikel 5:42 lid
3 BW wordt gesproken van een scheidsmuur, dan wordt daarmee een muur
bedoeld als in artikel 5:49 lid 1 BW: "Ieder der eigenaars van
aangrenzende erven in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente kan
te allen tijde vorderen dat de andere eigenaar ertoe meewerkt, dat op
de grens van de erven een scheidsmuur van twee meter hoogte wordt
opgericht, voor zover een verordening of een plaatselijke gewoonte de
wijze of de hoogte der afscheiding niet anders regelt. De eigenaars
dragen in de kosten van de afscheiding voor gelijke delen bij."
Daaruit volgt dat deze muur dus op de erfgrens moet staan en dat deze
dan in beginsel twee meter hoog kan zijn. En indien er een dergelijke
scheidsmuur op de erfgrens staat, dan mogen hier dus ook bomen naast
geplant worden op een kortere afstand dan die artikel 5:42 lid 2 BW
voorschrijft.
De reden dat in artikel
5:42 lid 3 BW is bepaald dat de nabuur zich niet tegen de aanwezigheid
van bomen, heesters of heggen kan verzetten die niet hoger reiken dan
de scheidsmuur tussen de erven, is omdat door dergelijke beplanting dan
geen lucht, licht of uitzicht wordt ontnomen (TM, Parl. Gesch. 5, p.
190). Indien - zoals u aangeeft - daarvan juist wel sprake zou zijn
doordat in de muur een venster is, dan zou dat in beginsel dus
betekenen dat de nabuur zich daar dan juist wél tegen kan
verzetten. In dat verband zou ook artikel 5:37 BW inderdaad van belang
kunnen zijn:
"De eigenaar van een erf
mag niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6
onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals
door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen,
door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun."
In uw situatie blijkt
het echter niet om een scheidsmuur te gaan die op de grens van de erven
staat (bijvoorbeeld een schutting), maar gaat het om een muur van uw
huis die niet op de erfgrens staat. Op een dergelijke muur ziet artikel
5:42 lid 3 BW naar wij menen niet. Wanneer wij de jurisprudentie
hierop raadplegen dan is daarin bijvoorbeeld de volgende casus te
vinden:
"4.5.
Met betrekking tot de laurierhaag staat vast, dat deze door
[gedaagden]. is geplant nadat partijen hun woningen in gebruik hadden
genomen en dat deze haag zich bevindt op de grond van [gedaagden]. op
een afstand van tenminste 0.50 meter van de perceelsgrens, welke onder
meer wordt gevormd door de zijkant van de woning van [eisers]. Voorts
staat vast, dat deze haag zich bevindt voor twee ramen in die zijkant
van de woning van [eisers] en dat de hoogte van de haag uitkomt boven
de onderste helft van die ramen doch lager is dan de wettelijk
toegestane hoogte van twee meter voor een scheidsmuur.[...]
4.7.
Vooropgesteld wordt, dat in beginsel geen rechtvaardigingsgrond is
gelegen in het feit, dat een eigenaar een hem in de wet toegekende
bevoegdheid uitoefent, zodat reeds hierom het eerste verweer moet
worden verworpen.
Uit
de overgelegde foto’s is voorshands voldoende aannemelijk,
dat de hoogte van de onderhavige laurierhaag licht onthoudt aan de
woning van [eisers] en daarmee hinder veroorzaakt. Of deze hinder
onrechtmatig is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de
wettelijke criteria van artikel 162 van boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek.
Dit betekent, dat moet worden
bezien of [gedaagden]. door het plaatsen en houden van de onderhavige
laurierhaag op een hoogte boven de onderkant van de bewuste ramen
zonder rechtvaardigingsgrond handelt in strijd met hetgeen volgens
ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt."(zie:
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBZUT:2007:BA7961).
Ter zake van de hoogte
van deze coniferen kan - naar wij menen - worden aangesloten
bij de volgende casus:
"4.4.
[eiser] vordert verwijdering van de laurierhaag op grond van artikel
5:42 lid 1 en 2 BW. Bij dagvaarding stelde hij zich op het standpunt
dat de laurierhaag een heg betreft, ter zitting heeft hij echter
betoogd dat het gaat om een boom. De voorzieningenrechter overweegt dat
er naar gangbaar spraakgebruik en gelet op de plaatselijke
omstandigheden van uit moet worden gegaan dat een laurierhaag een heg
is en geen boom.
Op
grond van bovengenoemd artikel is het niet toegestaan een heg binnen 50
centimeter van de erfgrens te hebben, tenzij (onder meer) sprake is van
toestemming van de eigenaar van het aangrenzende erf of ingevolge een
plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten. Vast staat
dat in elk geval een deel van de laurierhaag met een lengte van 8 meter
binnen deze 50 centimeter van de erfgrens staat. In dit geval is niet
gesteld of gebleken dat [eiser] de bedoelde toestemming heeft gegeven.
Omtrent de door [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] gestelde
plaatselijke gewoonte is voorts onvoldoende aangevoerd om voorshands te
kunnen worden aangenomen dat er een plaatselijke gewoonte is. Hieruit
volgt dat het gedeelte van de laurierhaag waarvan de voet van de
stam(men) zich binnen 50 centimeter van de erfgrens bevindt in beginsel
verwijderd dient te worden.
4.5.
De redelijkheid en billijkheid verzetten zich echter tegen verwijdering
indien sprake is van een heg met een zodanige hoogte dat deze op
zichzelf ter plaatse toelaatbaar is. Omtrent deze hoogte wordt
overwogen dat in artikel 5:49 BW een scheidsmuur van 2 meter hoogte
wordt toegelaten en dat artikel 5:42 lid 3 BW heggen toelaat tot de
hoogte van de scheidsmuur. Hieruit kan worden afgeleid dat in beginsel
een heg tot een hoogte van 2 meter toelaatbaar is wanneer deze, zoals
in het onderhavige geval, de functie vervult van scheidsmuur die de
buren tegenover elkaar privacy moet bieden.
Hieruit
volgt dat aan de vordering tot verwijdering in dit geval kan worden
voldaan door de beplantingen die boven de (denkbeeldige) scheidsmuur
uitsteken, tot (onder) de scheidsmuur terug te brengen. Daar komt bij
dat verwijdering in dit geval een onomkeerbaar gevolg heeft en het niet
zeker is dat de rechter in een bodemprocedure hiertoe zal besluiten.
Voorts is niet gebleken dat de beplanting de door [eiser] gestelde
hinder veroorzaakt.
De voorzieningenrechter zal
daarom in dit geval het mindere toewijzen, namelijk dat de laurierhaag
voor zover deze zich binnen 50 centimeter van de erfgrens bevindt,
gesnoeid wordt gehouden tot maximaal twee meter."(zie: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBARN:2006:AY9017).
De vraag is dus of de
coniferen die u hier beschrijft op de erfgrens staan en derhalve de
functie vervullen van een scheidsmuur. Nu u aangeeft dat de coniferen
tegen de muur (uw gevel) zijn geplaatst, zou het natuurlijk
ook kunnen zijn dat deze deels op uw grond zouden staan. U gaf immers
aan dat deze gevel niet op de erfgrens staat. Zouden de coniferen de
functie van scheidsmuur vervullen, dan is goed denkbaar dat deze tot
een hoogte van 2 meter als 'toegestaan' zouden worden beoordeeld door
de rechter. Hiervoor is overigens niet vereist dat de grens er dan in
het midden onderdoor loopt (W. Wijting, Mandeligheid in de bouw, BR
2000, p 383). Maar op het moment dat de coniferen u licht ontnemen, dan
kan het dus zijn dat deze juist niet 'toegestaan' zijn.
Wij hopen u goed van dienst te zijn geweest. Mocht u nog vragen en/of opmerkingen hebben, dan horen wij dit graag.