Noodzaak van tijdige loonbetaling




Stel hier je vraag:

(60 c/m)

U kunt uw juridische vraag ook stellen per e-mail of per chat:
  • Betaal € 14,99
  • Wij geven u juridisch advies (meestal binnen een dag),
  • Geef ons een beoordeling en vul het formulier in
  • Wij storten € 14,99 terug!
Waarom?
Door de betaling van € 14,99 krijgen wij alleen serieuze vragen en geen spam. Het advies is gratis omdat wij u terugbetalen. Lees hier de toelichting!

  Ik accepteer de algemene voorwaarden
Vraag stellen    Gratis juridisch advies    Gratis juridisch advies


Loon te laat betaald


In artikel 7:625 BW wordt een op het eerste gezicht enigszins vreemde bepaling aangetroffen. Uit deze bepaling blijkt namelijk dat werknemers aanspraak kunnen maken op een ‘verhoging’ van het loon, wanneer dit niet op tijd wordt voldaan. Een verhoging?

Daarmee wordt dan zeker de wettelijke rente bedoeld? Nee, het is toch echt een ‘verhoging’ van het loon. Wettelijke rente kan daarnaast verschuldigd worden. Nadat het loon 33 werkdagen te laat is, bereikt deze verhoging het maximum van 50%.

Als u uw loon niet op tijd hebt gekregen, dan hebt u na 33 dagen recht op 50% extra!

  • Drie dagen te laat: 0% extra;
  • Vier dagen te laat: 5% extra over het hele loon;
  • Vijf dagen te laat: 10% extra over het hele loon;
  • Zes dagen te laat: 15% extra over het hele loon;
  • Zeven dagen te laat: 20% extra over het hele loon;
  • Acht dagen te laat: 25% extra over het hele loon;
  • Elke volgende dag: 1% extra over het hele loon;
  • ... na 33 dagen moet u anderhalf keer uw loon krijgen!

Algemene inleiding

Indien de verbintenis uit een overeenkomst niet wordt nagekomen, dan zal schadeplichtigheid in veel gevallen het gevolg zijn. Betreft het de verbintenis tot het voldoen van een geldsom, dan wordt deze schade door de wet gefixeerd op een bepaald bedrag: de wettelijke rente (art. 6:119 en art. 6:119a BW). De hoogte van die rente wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld en bedraagt momenteel 4%.[1] Waarom wordt in dit artikel dan de niet-tijdige betaling van het loon bedreigd met een ‘verhoging’ die tot 50% kan oplopen? De betaling van het loon is toch immers ook het voldoen van een geldsom? Het antwoord op die vraag moet worden gezocht in de bescherming die de wetgever heeft willen bieden aan werknemers. Daarmee werd beoogd om werknemers tijdig te laten beschikken over de inkomsten, die nodig zijn voor het bekostigen van de elementaire levensbehoeften.

De betaling van loon is één van de wezenlijke elementen die bepalend zijn voor de kwalificatie van een overeenkomst tot een arbeidsovereenkomst. In de arbeidsovereenkomst verbindt de werknemer zich ertoe in dienst van de werkgever gedurende zekere tijd arbeid te verrichten, tegen betaling van loon. Dit loon dient de werkgever op de bepaalde tijd te voldoen. De geschiedenis leert echter dat deze verplichting niet onverkort wordt nagekomen, wanneer tekortkomingen daarin niet worden gesanctioneerd. Zo kan gewezen worden op de recentelijke – en aanzienlijke – loonbetalingsachterstanden in Rusland en Oekraïne, welke grote maatschappelijke gevolgen hadden. Maar gelijksoortige problemen deden zich ook voor in Nederland, aan het einde van de negentiende eeuw. Om hiertegen weerstand te bieden, werd voorzien in de bepaling van artikel 7:625 BW (art. 1638q BW (oud)).

Tijdige betaling van het loon wordt echter ook vanuit een internationaal verband gewaarborgd. Vlak na de Tweede Wereldoorlog werd vanuit de International Labour Organisation een verdrag ter bescherming van het loon ontwikkeld. In dit 95e ILO-verdrag inzake ‘The protection of wages’ volgt in artikel 12 en 15 een opdracht aan de lidstaten, die zijn aangesloten bij de ILO en het verdrag hebben geratificeerd.[2] Ter effectuering van ondermeer tijdige loonbetaling dienen zij zorg te dragen voor ‘adequate penalties or other appropriate remedies for any violation thereof’.

Nederland heeft gerapporteerd aan de ILO dat deze ‘adequate penalties or other appropriate remedies’ ter zake van tijdige loonbetaling moeten worden gezocht in artikel 7:625 BW. Nou ja, eigenlijk niet helemaal. In 2003 hield de ILO namelijk een grootschalig onderzoek naar de status van de ‘protection of wages’, waarbij namens Nederland – kennelijk[3] – werd aangegeven dat tijdige loonbetaling nog steeds wordt gewaarborgd door middel van artikel 1638q BW (oud); [4] de bepaling die inmiddels sinds 1 april 1997 was vervangen door artikel 7:625 BW.

In Nederland wordt tijdige loonbetaling enkel gewaarborgd door de preventieve werking van artikel 7:625 BW. De Arbeidsinspectie (de huidige Inspectie SZW) is bijvoorbeeld niet belast met toezicht op dit punt, zoals dat in andere landen soms het geval is. De wetgever in 1907 heeft in deze preventieve werking willen voorzien, door niet-tijdige loonbetaling ‘te bestraffen’ met een hoge civiele boete, een poena privata:

 

‘In de eerste plaats zal degene wien de vordering toekomt, een gemakkelijk hanteerbare vorm moeten hebben om zijn actie in te stellen, want indien hem daarbij allerlei moeilijkheden in den weg worden gelegd en het zeer bezwaarlijk is om de actie in elkander te zetten ten einde succes bij den rechter te hebben, dan verzwakt men de poenaliteit in hooge mate […]

In de tweede plaats moet de straf, welke bedreigd wordt, gevoelig kunnen aankomen De bepaling moet preventief werken; de werkgever moet dus weten, niet alleen dat den arbeider een gemakkelijk hanteerbaar middel is gegeven, maar ook dat hij zelf eventueel tot een zeer gevoelig financieel nadeel kan worden veroordeeld.’[5]

 

De verhoging is dus een poena privata, een privaatrechtelijke boete, die in het civiele recht voor het overige nagenoeg niet wordt aangetroffen. Dat verklaart ook het – op het eerste gezicht – vreemde karakter van de bepaling. Voor het uitzonderlijke geval dat deze boete te zeer tot een onbillijke uitkomst zou leiden, kan de rechter de verhoging beperken.

 

Voor het Nederlandse recht is dus zowel ILO-Verdrag nr. 95 als artikel 7:625 BW van belang ten aanzien van tijdige betaling van het loon. Kan een werknemer in dat geval ook rechtstreeks een beroep doen op de bescherming van dit verdrag? Wie namelijk vluchtig de jurisprudentie bij artikel 7:625 BW overziet, zal al snel bemerken dat de rechter haast zonder uitzondering de wettelijke verhoging matigt. Veelal bedraagt de verhoging 10 tot 20%, terwijl de reden daartoe meestal niet uitdrukkelijk blijkt. Als gevolg daarvan doet zich de vraag voor of dan nog wel sprake is van een preventieve boete, of juist meer van een stelpost. En, zou dat laatste het geval zijn, wordt dan nog wel voldaan aan de vereisten van ILO-verdrag 95? De vraag is in dat geval:

 

Voorziet de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW in een ‘adequate penalty or appropriate remedy’ ter zake van tijdige loonbetaling in de zin van artikel 15 onder c ILO-Verdrag nr. 95, als deze door de rechter bestendig wordt gematigd?

Plan van aanpak

Ter beantwoording van die vraag zal ik eerst stilstaan bij de noodzaak tot wettelijke bescherming van tijdige loonbetaling. Gezien de rol die ILO-Verdrag nr. 95 daarin vervult, volgt in hoofdstuk 2 een uiteenzetting over deze organisatie. Hoofdstuk 3 behandelt aansluitend het betreffende verdrag: ILO-Verdrag nr. 95, ‘The protection of wages’. Tevens wordt daarin aan de orde gesteld hoe dit verdrag doorwerkt in de Nederlandse rechtsorde.

Het doel en de ontstaansgeschiedenis van artikel 7:625 BW zijn het onderwerp van behandeling in hoofdstuk 4. Een soortgelijke bepaling werd al in 1641 aangetroffen. Wel is duidelijk te zien dat in de loop der tijd een verruiming is ontstaan ter zake van de matiging die rechter kan toepassen. De grondslag voor deze matiging wordt gevonden in de ‘billijkheid’. Wat hieronder wordt verstaan  – en welke vereisten aan de beperkende werking van de billijkheid worden gesteld – volgt in hoofdstuk 5. Daar blijkt dat de wettelijke verhoging eigenlijk alleen kan worden gematigd, indien onverminderde betaling daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, of tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

Hoe zich in afwijking daarvan een bestendige praktijk tot het toepassen van het matigingsrecht heeft ontwikkeld, komt naar voren in hoofdstuk 6. De kritiek die hierop in de literatuur heeft gevolgd, behandel ik in hoofdstuk 7. Daar blijkt tevens dat tijdige loonbetaling in de praktijk verre van verzekerd wordt, en dat een meerderheid van de werknemers het afgelopen half jaar te maken heeft gehad met te late betaling van het loon. Een derde van alle werknemers zou het afgelopen half jaar aanspraak hebben kunnen maken op de wettelijke verhoging. Echter, ca. 78% van de Nederlanders blijkt geheel onbekend te zijn met de poena privata van artikel 7:625 BW.

Inleiding

In een arbeidsovereenkomst staat tegenover de uit de verbintenis voortvloeiende verplichting van de werknemer, om in dienst van de werkgever gedurende zekere tijd arbeid te verrichten, de verplichting van de werkgever om het loon te voldoen. Het loon dient op de bepaalde tijd te worden voldaan. Voldoet een werkgever het loon niet op de bepaalde tijd, dan schiet hij bijgevolg tekort in de nakoming van de verbintenis, maar deze tekortkoming kan grote gevolgen hebben. Werknemers zijn immers in grote mate afhankelijk van tijdige loonbetaling, om te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Het belang van werknemers om vrij te kunnen beschikken over het loon, kwam aan het licht tijdens de arbeidsenquête in 1890. Mede hieraan dankt de Wet op de arbeidsovereenkomst van 1907 haar totstandkoming. De wet beoogt sindsdien te waarborgen dat het loon tijdig wordt voldaan. Men kan zich echter afvragen of voor werknemers in de huidige tijd nog steeds dezelfde behoefte bestaat aan dergelijke bescherming. Wat zijn de maatschappelijke gevolgen van niet-tijdige loonbetaling?

De noodzaak van tijdige loonbetaling staat centraal in dit hoofdstuk. Nadat ik daartoe kort de wettelijke regeling omtrent de betaling van het loon (titel 7.10 BW) uiteenzet (§ 1.2), volgt een historische beschouwing over de totstandkoming van de Wet op de arbeidsovereenkomst van 1907 (§ 1.3), waarna ik stil sta bij meer recente problemen ten aanzien loonbetaling (§ 1.4 e.v.). Daarbij komt de vraag naar voren hoe loonbetalingsachterstanden ontstaan en in hoeverre daarvan sprake kan zijn in Nederland.

 



1.2 Loonbetaling in titel 7.10 BW

 

Naar Nederlandse recht wordt de arbeidsovereenkomst in artikel 7:610 BW gedefinieerd als ‘de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.’

In deze definitie zijn drie elementen terug te vinden: de werknemer verbindt zich ertoe de arbeid persoonlijk[6] te verrichten, in dienst van de werkgever – waaruit ondergeschiktheid, dan wel een gezagsverhouding wordt afgeleid[7] – tegen betaling van loon.[8]

Afdeling 7.10.2 BW kent een gedetailleerde regeling omtrent het loon.[9] Een definitie van loon ontbreekt daarin echter, maar deze is door de Hoge Raad in 1953 gegeven: ‘de vergoeding door de werkgever aan de werknemer verschuldigd ter zake van de bedongen arbeid.’[10] Artikel 7:617 lid 1 BW bepaalt limitatief de toegestane vormen van loon. Doorgaans zal het daarbij gaan om geld, hoewel onder de daar gegeven voorwaarden ook zaken, het gebruik van een woning, diensten, effecten, vorderingen, bonnen en andere aanspraken en bewijsstukken daarvan een vorm van loon kunnen zijn. Indien geen loon is vastgesteld, heeft de werknemer aanspraak op het voor die arbeid gebruikelijke loon, of dient dit naar billijkheid te worden bepaald.[11] Tevens kan het loon afhankelijk worden gesteld van enig gegeven dat uit de boeken van de werkgever moet kunnen blijken.[12]

Op grond van artikel 7:616 BW moet het loon op de bepaalde tijd worden voldaan en rust deze verplichting op de werkgever. Voor het in geld naar tijdruimte vastgestelde loon geldt in beginsel dat dit telkens moet worden voldaan na afloop van het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend,[13] met dien verstande dat het tijdvak voor voldoening niet korter is dan één week en niet langer is dan één maand.[14] Voor het niet naar tijdruimte vastgestelde loon dient de werkgever de betalingstermijnen aan te houden die gelden voor het naar tijdruimte vastgestelde loon voor vergelijkbare arbeid.[15] Als het bedrag op de dag van betaling nog niet te bepalen is, dan dient een voorschot te worden verstrekt.[16]

In beginsel geschiedt de voldoening van het in geld vastgestelde loon in Nederlands wettig betaalmiddel, of door girale betaling overeenkomstig artikel 6:114 BW.[17] De plaats van voldoening is die, waar de arbeid in de regel wordt verricht, het in de woonplaats van de werknemer gevestigde kantoor van de werkgever of aan de woning van de werknemer.[18] Wordt het loon in een buitenwettige vorm of niet overeenkomstig artikel 7:620 BW voldaan, dan is de voldoening nimmer bevrijdend.[19] Niettemin kan de rechter de vordering van de werknemer beperken.[20] De sanctie op niet-tijdige betaling volgt in artikel 7:625 BW, en neemt in dit onderzoek een centrale plaats in:

 

1.       Voor zover het in geld vastgesteld loon of het gedeelte dat overblijft na aftrek van hetgeen door de werkgever overeenkomstig artikel 628 mag worden verrekend, en na aftrek van hetgeen waarop derden overeenkomstig artikel 633 rechten doen gelden, niet wordt voldaan uiterlijk de derde werkdag na die waarop ingevolge de artikelen 623 en 624 lid 1 de voldoening had moeten geschieden, heeft de werknemer, indien dit niet-voldoen aan de werkgever is toe te rekenen, aanspraak op een verhoging wegens vertraging. Deze verhoging bedraagt voor de vierde tot en met de achtste werkdag vijf procent per dag en voor elke volgende werkdag een procent, met dien verstande dat de verhoging in geen geval de helft van het verschuldigde te boven zal gaan. Niettemin kan de rechter de verhoging beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen.

2.       Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.

 



1.3 De totstandkoming van de Wet op de arbeidsovereenkomst van 1907

 

 

Als gevolg van slechte arbeidsomstandigheden ontstond eind negentiende eeuw de roep naar een wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst. Tijdens de arbeidsenquête van 1890 werd duidelijk dat sprake was van verschillende misstanden, ondermeer ten aanzien van de betaling van het loon. Wettelijke bescherming van werknemers kreeg daardoor een steeds groter belang.

In navolging van de Code Civil kende het Burgerlijk Wetboek van 1838 slechts drie bepalingen van arbeidsrechtelijke aard.[21] Het ging daarbij om de artikelen 1637 t/m 1639 BW, ten aanzien van de huur van dienstboden en werklieden. In 1875 werd door Abraham Kuyper de vraag gesteld: ‘Is het een eisch van regt dat er […] een wetboek van den arbeid kome?’[22] Kuyper stelde zich een dertigtal titels voor.[23] Zijn betoog dat een wettelijke regeling inderdaad vereist werd, kreeg evenwel geen warm onthaal. De Minister van Justitie, Van Lynden van Sandenburg, achtte het voorstel weinig vruchtbaar. Schertsend vergeleek hij het met ‘een stokje, dat in zich zelven dood is, op geen wortel rust en tot geene groeikracht kan geraken met welk levend water ook besproeid.’[24]

De werkstakingen in de veenkoloniën deden het tij echter keren. Naar aanleiding van de aanhoudende klachten van veenarbeiders begin 1888, volgde de interpellatie door het lid Domela Nieuwenhuis.

 

‘Ziedaar eene beschrijving van het lot van deze onze medeburgers. […] De veenbazen betalen dikwijls het loon niet uit in geld, maar doen dit op afrekening, zoodat in sommige plaatsen de arbeiders zelfs centen moeten vragen voor geld in het kerkezakje.’[25]

 

Domela Nieuwenhuis beschreef de werkstakingen als het natuurlijke gevolg van de wantoestanden die gaande waren in de veenkoloniën, zoals die van onderbetaling, niet-tijdige betaling, toepassing van het Truck-systeem[26] en gedwongen winkelnering.[27] Hij drong daarom aan op een wetsontwerp waarin zou worden bepaald dat het loon in algemeen gangbare munt moest worden voldaan, met daarnaast een verbod op gedwongen winkelnering.[28] Van de hand van Domela Nieuwenhuis volgde hiertoe een wetsvoorstel,[29] dat echter nimmer tot openbare beraadslaging is gekomen[30] omdat de regering eveneens met een voorstel kwam ‘tot waarborging van de vrije beschikking door werklieden over hun verdiend loon.’[31] Onder het aantreden van het liberale Kabinet-Van Tienhoven (1891-1894) bleek echter ook dit ontwerp een voortijdig einde beschoren.[32]

Tijdens de Arbeidsenquête, gehouden door de Staatscommissie van Arbeidsenquête in 1890, werd reeds bevestigd dat de werkstakingen het gevolg waren van loongerelateerde problemen.[33] Deze werden onderverdeeld in vier categorieën van misbruiken: (1) uitbetaling van loon in andere vorm dan Nederlands geld, (2) ongeregelde uitbetaling, (3) verkoop op krediet en (4) dwang om in bepaalde winkels te kopen.[34] In 1891 werd daarop H.L. Drucker, de Leidse hoogleraar Romeins recht, opgedragen een ontwerp voor de regeling van de arbeidsovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek op te stellen. In de visie van Drucker kende alleen het Wetboek van Koophandel behoorlijke arbeidsrechtelijke bepalingen, omtrent ‘het huren van scheepsofficieren en scheepsgezellen.’[35] In zijn ontwerp heeft hij daarbij aansluiting gezocht.[36] In 1894 voltooide hij zijn ontwerp en in 1898 werd het gepubliceerd. Het kende verschillende artikelen ten aanzien van de betaling van het loon (art. 25-27 en art. 57). Hoewel het ontwerp enige wijzigingen heeft ondergaan,[37] legde Drucker met zijn ontwerp het fundament van de Wet op de arbeidsovereenkomst van 1907,[38] en daarmee van ons huidige arbeidsrecht. De wet trad twee jaren later in werking.

De ‘sociale kwestie’ aan het eind van de negentiende eeuw vormde de aanleiding tot verschillende wetgevende initiatieven op het gebied van het arbeidsrecht. De uiteindelijke Wet op de arbeidsovereenkomst van 1907 kent verschillende bepalingen omtrent de betaling van het loon. Beoogd werd om bescherming te bieden aan werknemers, om zo ondermeer de zich voordoende misbruiken ten aanzien van het loon te voorkomen.

 



1.4 De maatschappelijke gevolgen van niet-tijdige loonbetaling

 

Er zijn ook meer recentelijke voorbeelden van loonbetalingsachterstanden. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie eind 1991 deden zich in Rusland en in enkele Oost-Europese landen grote en langdurige loonbetalingsachterstanden voor. Onderzoek hiernaar heeft inzicht gegeven in de maatschappelijke effecten ervan. Niet-tijdige loonbetaling blijkt zeer te kunnen ingrijpen op het leven van werknemers.[39]

De jaren negentig gingen in Rusland gepaard met grote loonbetalingsachterstanden en te late betaling van pensioenen.[40] In 1998 was de gemiddelde achterstand in de loonbetaling bij twee derde van de werknemers zelfs 4,8 maanden.[41] Vooral lager opgeleiden en werknemers boven de dertig jaar werden hierdoor getroffen, terwijl de achterstanden groter waren naarmate de arbeidsovereenkomst langer had geduurd.[42] Betalingsachterstanden waren een wijdverspreid fenomeen geworden en deden zich niet alleen voor in geval van faillissement of fraude. Ook bij economisch actieve bedrijven werd het loon niet op tijd betaald. Zowel kleine als grote bedrijven hadden ermee van doen, of ze nu in private handen waren of aan de staat toebehoorden.[43]

Verschillende studies hebben aangetoond dat de Russische loonbetalingsachterstanden leidden tot ernstige sociale en economische problemen. Veelal daalde de consumptie van huishoudens aanzienlijk en nam de levensverwachting – vooral bij mannen – zelfs dramatisch af, terwijl het sterftecijfer en het armoedecijfer toenamen.[44] Eveneens daalde de productiviteit van werknemers, wat de financiële nood bij bedrijven eerder zal hebben doen verergeren.[45]

Werknemers die het loon niet tijdig voldaan krijgen, hebben minder financiële armslag om daartegen te ageren. Bijgevolg zal de kans op stakingen of ontslagname kleiner worden.[46] Uit rekenmodellen volgt dat het gemiddelde Russische loon ca. 20 to 50% hoger zou liggen, wanneer het tijdig zou worden betaald. Daarmee zou het een vergelijkbaar niveau hebben als in westerse landen.[47] Maar er zijn ook indirecte gevolgen, zoals het ontstaan van begrotingsproblemen. Wanneer het loon immers niet-tijdig wordt voldaan, dan worden belastingen en sociale premies evenmin tijdig afgedragen.[48]

Grootschalige loonbetalingsachterstanden leiden tot verschillende maatschappelijke problemen. Directe gevolgen zijn waar te nemen ten aanzien van bijvoorbeeld de consumptie van huishoudens, het armoedecijfer, de levensverwachting en de productiviteit van werknemers. Loonbetalingsachterstanden hebben daarnaast een negatieve invloed op de ontwikkeling van lonen en werken begrotingsproblemen in de hand.

 



1.5 Hoe ontstaan grootschalige loonbetalingsachterstanden?

 

Verschillende oorzaken zijn aan te wijzen voor het ontstaan van betalingsachterstanden van het loon. Opmerkelijk is dat van late loonbetaling een domino-effect uitgaat. Wanneer een bedrijf financieringsproblemen ondervangt door het loon niet tijdig te voldoen, dan zal dit spoedig navolging vinden bij bedrijven die actief zijn in dezelfde lokale arbeidsmarkt.[49]

Loonbetalingsachterstanden worden in sommige landen – waaronder Rusland – beschouwd als middel om loonkosten te besparen.[50] Vooral bij hoge inflatie blijkt het een effectief middel,[51] en betalingsachterstanden kunnen ten tijde van economische recessie snel toenemen.[52] Na de onafhankelijkheid in 1991 kampte Oekraïne bijvoorbeeld met een hevige economische crisis. In 1994 ontstonden als gevolg daarvan grote loonbetalingsachterstanden en deze groeiden in 1996 exponentieel. In 1998 bedroeg de totale loonachterstand maar liefst 5 miljoen grivna (ca. 3 miljoen US dollar), oftewel meer dan zes maanden loon voor het gehele land (!). Bijna 200 duizend bedrijven konden de lonen niet tijdig betalen.[53]

Voor het ontstaan van de grootschalige Russische loonbetalingsachterstanden in de jaren negentig zijn verschillende factoren aan te wijzen: een brede daling van de productie en de werkgelegenheid over vele jaren, de daarmee samenhangende problemen met liquiditeit, de slechte controle op het management van bedrijven, een algemeen gebrek aan het naleven van contracten en een crowding out-effect[54] door staatsleningen.[55] Van late loonbetaling gaat daarnaast een domino-effect uit. Niet-tijdige voldoening van het loon wordt beschouwd als een bedrijfsstrategie, en voor bedrijven die in moeilijkheden verkeren hangt de eventuele keuze voor deze strategie af van wat concurrerende bedrijven doen. Op managementniveau blijkt bewust de keuze te worden gemaakt om het loon niet of niet-tijdig te voldoen.[56] Onder bepaalde omstandigheden wordt niet-tijdige betaling dan ook eerder norm dan uitzondering.[57] In tegenstelling tot westerse landen, waar het loon doorgaans enkel in geval van onverwachte liquiditeitsproblemen niet tijdig wordt voldaan, is deze ‘betalingsstrategie’ in Rusland vrij algemeen.[58]

Een bijkomend risico van loonbetalingsachterstanden is dat het effect van crowding out erdoor kan worden versterkt. Wanneer overheden zich als gevolg van de late loonbetaling geconfronteerd zien met begrotingstekorten, kan dit aanleiding geven tot het onttrekken van kapitaal aan de kapitaalmarkten. Dit leidt tot verhoging van de rente, waarmee de mogelijkheden voor private investeringen kan worden weggedrukt.[59] De vicieuze cirkel is rond, wanneer wordt bedacht dat ‘crowding out’ een van de oorzaken is voor het ontstaan van loonbetalingsachterstanden.

Het ontstaan van grootschalige loonbetalingsachterstanden hangt samen met verschillende factoren. Economische invloeden zijn daarbij van belang, maar eveneens de maatschappelijke opinie ten aanzien van niet-tijdige betaling. Wanneer vertraagde loonbetaling namelijk als probaat middel wordt gezien om loonkosten te besparen, dan dreigt een reëel gevaar dat bedrijven daarvoor zullen kiezen. Die keuze kan als een domino-effect navolging krijgen binnen andere bedrijven. Wanneer hierdoor begrotingsproblemen ontstaan, dan kunnen die op hun beurt weer een versterkende werking hebben op het vormen van loonbetalingsachterstanden.

 



1.6 Is bescherming van tijdige loonbetaling (nog) van belang voor Nederland?

 

Financieringsproblemen en economische recessie zijn risicofactoren voor het ontstaan van loonbetalingsachterstanden. Maar eveneens is in het voorgaande gebleken dat belang toekomt aan de ‘betalingsmoraal’ van een land ten aanzien van de loonbetaling. Deze is in Rusland wezenlijk anders dan die in een westers land, zoals Nederland. Is daarmee de conclusie gerechtvaardigd dat in een land als Nederland – ook ten tijde van economische recessie – geen loonbetalingsachterstanden zijn te verwachten? En daarmee dat wettelijke bescherming van tijdige loonbetaling in wezen achterhaald is?

Tijdens de kredietcrisis kregen verschillende landen te kampen met grote loonbetalingsachterstanden. Begin 2009 ging het daarbij in Rusland bijvoorbeeld om 8,7 miljard roebel (ca. 215 miljoen euro) en in Oekraïne 1,6 miljard grivna (ca. 150 miljoen euro).[60] Slechts in 36% van de gevallen betrof het daarbij economisch inactieve bedrijven of gevallen van faillissement.[61] Maar ook dichter bij Nederland dienden zich betalingsachterstanden aan, zoals in Bulgarije,[62] Polen[63] en Portugal.[64] In Griekenland betrof 71,2% van de klachten die de Arbeidsinspectie ontving, de niet-tijdige betaling van loon.[65] Dat het hier echter economisch minder sterke landen betreft, is inmiddels een feit van algemene bekendheid geworden. De loonbetalingsachterstanden zijn dan ook niet louter het gevolg van de kredietcrisis.[66] Zo stelde de Poolse Arbeidsinspectie bijvoorbeeld ook in 2001 vast dat 62% van de onderzochte bedrijven te maken had met loonbetalingsachterstanden, en dat 45% van de werkgevers dit toeschreef aan cash flow-problemen.[67] Dat zich gemakkelijk vergelijkbare situaties in een economisch sterk land als Nederland zullen voordoen, lijkt dan ook niet aannemelijk.

Op het gebied van de loonbetaling wordt veel statistisch onderzoek gedaan. Daarbij wordt echter voornamelijk gekeken naar het overeengekomen loon en blijft de (betalings)praktijk doorgaans buiten beeld.[68] Zo blijkt het Centraal Bureau voor de Statistiek geen inzicht te kunnen geven in het tijdstip van de loonbetaling in Nederland.[69] De Wage Indicator Foundation betrekt deze gegevens sinds 2008 wel in haar onderzoek. Op de vraag of het laatste loon tijdig werd voldaan, gaf ca. 4,5% van de in totaal 31973 Nederlandse ondervraagden eind 2008 een ontkennend antwoord.[70] Eind 2010 is dit percentage gestegen tot ca. 6% en is het gemiddelde percentage in Europa ca. 5 tot 10%. Opvallend is dat de uitkomsten van Nederland, Hongarije en Tsjechië niet wezenlijk verschillen, zoals ook die van België en Argentinië overeenkomen (zie figuur).[71]

 

 

 

Indien dit onderzoek representatief mag worden geacht, dan blijkt dus ook in Nederland tijdens de economische crisis een – zij het bescheiden – groei waarneembaar te zijn, wanneer het aankomt op de niet-tijdige betaling van loon. De ontwikkeling van de Europese schuldencrisis lijkt dan ook eveneens in Nederland zijn invloed te kunnen laten gelden op het betalingsmoment. Dat het loon in Nederland over het algemeen op tijd wordt voldaan, is daardoor misschien onvoldoende garantie voor de toekomst. Effectieve wettelijke bescherming zal in elk geval de maatschappelijke acceptatie van late loonbetaling tegengaan. In essentie worden wettelijke regelingen immers eerder nageleefd en kunnen zij worden gesteund door bijzondere handhavingsmiddelen, op welke manier tegemoet wordt gekomen aan de behoefte aan normzekerheid.[72]

Economische recessie is een van de risicofactoren voor het ontstaan van loonbetalingsachterstanden. Deze zullen zich eerder kunnen ontwikkelen wanneer niet-tijdige betaling een maatschappelijk geaccepteerd middel is tegen financieringsproblemen. Voorkomen moet worden dat een dergelijke ‘betalingsmoraal’ gemeengoed wordt. Daaraan kan een wettelijke bescherming van tijdige loonbetaling – ook in Nederland – bijdragen.

 



1.7 Conclusie

 

De arbeidsovereenkomst roept als wederkerige overeenkomst voor beide partijen verbintenissen in het leven. De daaruit voortvloeiende verplichting van de werkgever is daarbij om het loon te voldoen, hetgeen op de bepaalde tijd dient te gebeuren. Het Nederlandse recht kent een uitgebreide regeling omtrent de betaling van het loon (titel 7.10 BW).

De geschiedenis leert dat tijdige betaling van het loon geen vanzelfsprekend gegeven is, zonder wettelijke bescherming daartoe. Gewezen kan worden op de tijd die voorafging aan de totstandkoming van de Wet op de arbeidsovereenkomst van 1907. Na verscheidene wetgevende initiatieven werd deze wet van kracht in 1909, naar het ontwerp van Drucker. Met de Wet op de arbeidsovereenkomst werd beoogd om bescherming te bieden aan werknemers en de tijdige betaling van het loon te verzekeren.

Dat zich ook in de huidige tijd grote loonbetalingsachterstanden kunnen voordoen, werd duidelijk na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie eind 1991. In 1998 was de gemiddelde achterstand bij twee derde van de Russische werknemers zelfs 4,8 maanden. Ernstige sociale en economische problemen waren hiervan het gevolg. De consumptie van huishoudens, het armoedecijfer, de levensverwachting en de productiviteit van werknemers werden direct beïnvloed. Loonbetalingsachterstanden kunnen daarnaast ook leiden tot begrotingsproblemen en hebben een negatieve invloed op de ontwikkeling van lonen.

Het ontstaan van grootschalige loonbetalingsachterstanden hangt samen met verschillende factoren, zoals economische recessie, maar eveneens blijkt de maatschappelijke acceptatie ervan bepalend te zijn. In Rusland zijn betalingsachterstanden een diepgeworteld fenomeen en worden algemeen beschouwd als probaat middel om loonkosten te besparen. Bedrijven in financiële nood kiezen er daarom eerder voor het loon niet-tijdig te voldoen. Die keuze zal echter spoedig navolging vinden bij concurrerende bedrijven, waardoor een zeker domino-effect ontstaat. Omdat het loon – en daarmee belastingen en sociale premies – niet tijdig wordt voldaan, ontstaan begrotingsproblemen, die op hun beurt een versterkende werking hebben op het ontstaan van loonbetalingsachterstanden.

In westerse landen wordt het loon over het algemeen tijdig voldaan. In 2008 gaf ca. 1 op de 20 Nederlandse werknemers evenwel aan dat hij het loon de afgelopen maand niet op tijd had ontvangen. Tijdens de huidige kredietcrisis is dit percentage licht gestegen, maar toch doen zich hier niet de problemen voor zoals in Bulgarije, Polen en Portugal. Men kan zich dan ook afvragen of voor Nederland nog steeds dezelfde behoefte bestaat aan bescherming van tijdige loonbetaling, als een eeuw geleden. Die vraag kan m.i. positief worden beantwoord. Van een effectieve wettelijke regeling kan immers een generale preventie uitgaan, waarmee maatschappelijke acceptatie van niet-tijdige betaling voorkomen wordt. Dat is ook waar de International Labour Organisation (hierna: ILO) op wijst, wat ter sprake komt in hoofdstuk 2.



[1] Stb. 2011, 317. Bij handelstransacties bedraagt deze momenteel 8%.

[2] Nederland heeft het verdrag geratificeerd op 20 mei 1952.

[3] Navraag hierover bij de ILO, leverde het volgende antwoord op (31 januari 2012): ‘Dear Sir, Please note that the information contained in governments’’ reports which have to be submitted under article 22 of the ILO Constitution are not public documents. These reports have to be shared with the most representative employers and workers organizations at the national level and are of course being transmitted for examination to the ILO’s Committee of Experts on the Application of Conventions and Recommendations. However, the general public cannot have access to them, at least not through the ILO secretariat. As for your query regarding the 2003 General Survey, we are not sure exactly why the new Code was not taken into account but we can only underline that General Surveys are drafted on the basis of the information provided by governments. We regret not to be in a position to help you more. Best regards, International Labour Standards Department, International Labour Office – Geneva.’

[4] Committee of Experts ILO 2003.

[5] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1618.

[6] HR 13 december 1957, NJ 1958, 35 (Zwarthoofd/Parool).

[7] Boot 2005, p. 30.; HR 1 december 1961, NJ 1962, 79 (Striptease danseres); HR 17 november 1978, NJ 1979, 140 (Thuis/Ponstypiste); HR 17 april 1984, NJ 1985, 18 (Animeermeisjes).

[8] HR 18 december 1953, NJ 1954, 242; HR 14 april 2006, NJ 2007, 447 (Beurspromovendi); HR 12 oktober 2001, NJ 2001, 635 (Bethesda/Van der Vlies).

[9] Afdeling 7.10.2 BW wordt hier niet integraal behandeld, doch slechts voor zover dat relevant is.

[10] HR 18 december 1953, NJ 1954, 242 (Zaal/Gossink); HR 12 oktober 2001, NJ 2001, 635 (Bethesda/Van der Vlies).

[11] Art. 7:618 BW.

[12] Art. 7:619 BW.

[13] Het tijdvak na afloop waarvan het loon moet worden voldaan, kan bij schriftelijke overeenkomst worden verlengd, maar niet langer dan tot een maand wanneer het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, een week of korter is, en tot niet langer dan tot een kwartaal wanneer het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, een maand of langer is (art. 7:623 lid 2 BW).

[14] Art. 7:623 lid 1 BW.

[15] Art. 7:624 lid 1 BW.

[16] Art. 7:624 lid 2 BW.

[17] Art. 7:624 lid 2 BW.

[18] Art. 7:622 BW.

[19] Art. 7:621 lid 1 BW.

[20] Art. 7:621 lid 2 BW.

[21] Asser/Heerma van Voss 2008 (7-V), p. 2; Schaepman 1887, p. 10 e.v.

[22] Handelingen II 1874/75, nr. 344, p. 4.

[23] Kuyper 1907, p. 380.

[24] Handelingen II 1874/75, nr. 361, p. 9.

[25] Handelingen II 1888, nr. 6, p. 2-3.

[26] Het Truck-systeem is het systeem waarbij de arbeiders in waren in plaats van in geld worden uitbetaald.

[27] Gedwongen winkelnering is de verplichting om aankopen bij een bepaalde leverancier te doen, die veelal (in)direct gelieerd is aan de werkgever (het verplicht zijn te kopen in de winkel van de baas).

[28] Handelingen II 1888, nr. 6, p. 1.

[29] Bijlagen Kamerstukken II 1888, 33, nr. 4.

[30] Schoute 1892, p. 66.

[31] Kamerstukken II 1888/89, 110, nr. 2, p. 1-2.

[32] Bijlagen Kamerstukken II 1890/91, 17, 13 en 100, p. 1.

[33] Veegens 1893, p. 101-104; Van Boetzelaer 1902, p. 41.

[34] Kamerstukken II 1888/89, 110, nr. 3, p. 2.

[35] Drucker 1898, p. 25; vgl. Kuyper 1907, p. 380.

[36] Van Boetzelaer 1902, p. 92.

[37] Zie ook Hoogendijk 1999, p. 12 e.v.

[38] Bijlagen Kamerstukken II 1903/04, 137, nr. 3, p. 8.

[39] Zie Rosenblum 1997.

[40] Rose 1998, p. 155.

[41] Earle & Sabirianova 2000, p. 1.

[42] Earle & Sabirianova 2002, p. 688.

[43] Earle & Sabirianova 2000, p. 1.

[44] Rapport Committee of Experts ILO 2003, p. 204.

[45] Bensahel & Chamsoutdinova-Stieven 2008, p. 121.

[46] Rosenblum 1997, p. 305; Earle & Sabirianova 2000, p. 29; Earle & Sabirianova 2004, p. 36.

[47] Lehmann & Wadsworth 2006, p. 135.

[48] ILO-newsletter 2002, p. 13.

[49] Earle & Sabirianova 2004, p. 36.

[50] Earle & Sabirianova 2002, p. 665.

[51] Earle & Sabirianova 2002, p. 665.

[52] Kuddo 2009, p. 5.

[53] Ukraine Country Employment Policy Review, ILO 1997, p. 55.

[54] Het crowding-out effect ontstaat wanneer een overheid grote tekorten heeft en dus veel geld moet lenen. Hierdoor stijgt de vraag naar geld en daarmee de rente, waardoor bedrijven minder kunnen lenen.

[55] Earle & Sabirianova 2000, p. 2.

[56] Earle & Sabirianova 2000, p. 29.

[57] Earle & Sabirianova 2000, p. 30.

[58] Earle & Sabirianova 2002, p. 661-707.

[59] Cwik & Wieland 2010, p. 42.

[60] Kuddo 2009, p. 5.

[61] Global Wage Report ILO 2009, p. 6.

[62] Tomev 2011, p. 1.

[63] Sula 2009, p. 1.

[64] Eurofound-Portugal 2009, p. 1.

[65] Committee of Experts ILO 2008, p. 555.

[66] Vaughan-Whitehead 2003, p. 54.

[67] Gardawski 2002, p. 1. Deze resultaten werden een jaar later door de Poolse Vakbond “NSZZ Solidarnosc” bevestigd: in 66% van de gevallen was sprake van vertraagde loonbetaling en in 9% van de gevallen werd het loon in het geheel niet voldaan.

[68] Vaughan-Whitehead 2003, p. 54.

[69] <www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/arbeid-sociale-zekerheid/cijfers/default.htm>.

[70] Wageindicator <http://dataportal.epicurus.wageindicator.org>.

[71] Perinelli & Beker 2010, p. 11.

[72] Schwitters e.a. 2008, p. 182-183.