Zoekresultaten / Juridisch Forum NuRecht - Rechtenforum

Juridisch Forum NuRecht - Rechtenforum

Rechtenforum: Juridisch Forum voor juridische vragen. Iedereen kan antwoord geven; de antwoorden zijn niet afkomstig van NuRecht!

Je bent niet ingelogd.

Aankondigingen

Stel hier je vraag:





U kunt uw juridische vraag ook stellen per e-mail of per chat:
  • 1. Betaal € 14,99
  • 2. Wij geven u juridisch advies (meestal binnen een dag),
  • 3. Geef ons een beoordeling en vul het formulier in
  • 4. Wij storten € 14,99 terug!
Waarom?
Door de betaling van € 14,99 krijgen wij alleen serieuze vragen en geen spam. Het advies is gratis omdat wij u terugbetalen. Lees hier de toelichting!

Accepteer de algemene voorwaarden en stel direct je vraag!

  Ik accepteer de algemene voorwaarden

Vraag stellen    Gratis juridisch advies    Gratis juridisch advies


#1 Re: Privaatrecht (rest) » Incorrecte perceel grootte bij verkoop van huis » 12-05-15 20:13:26

Dit lijkt me een zaak die je niet via een forum moet willen proberen op te lossen, maar waar je een jurist naar moet laten kijken. En als dat vanwege de kosten is: de schadevergoeding lijkt me al snel stukken hoger dan de kosten voor juridisch advies wink

Maar inhoudelijk over de situatie: aan de ene kant heeft de verkoper een mededelingsplicht die boven de onderzoeksplicht van de koper gaat:

"[C] kan evenmin worden gevolgd in zijn verweer dat [A] c.s. een op hem rustende onderzoeksplicht heeft geschonden. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 7:15 lid 1 BW blijkt immers dat de verplichting van de verkoper om de zaak vrij van bijzondere lasten en beperkingen te leveren zo fundamenteel wordt geacht dat geen uitzondering wordt gemaakt voor de lasten die de koper had kunnen kennen, met name door onderzoek te doen in de openbare registers (Parl. Gesch. Boek 7, Inv. 3, 5 en 6, pagina 113). Los daarvan geldt op grond van de zogenaamde prioriteitsregel dat de op de verkoper rustende mededelingsplicht in beginsel prevaleert boven de onderzoeksplicht van de koper (zie recent nog HR 14 november 2008, NJ 2008, 588)." http://uitspraken.rechtspraak.nl/inzien … 010:BL7874

Aan de andere kant moet de koper wel aan zijn onderzoeksplicht voldoen en is ook van belang hoe deze zich verhoudt tot de mededelingsplicht van de verkoper:

"5.12 Of op [gedaagde] ter zake de aanwezigheid van puin een mededelingsplicht rustte is afhankelijk van de vraag (1) of zij van die aanwezigheid wist of behoorde te weten en (2) of zij ter voorkoming van dwaling bij [eisers] of non-conformiteit van het door haar te leveren perceel daarvan mededeling diende te doen. Aldus valt de beoordeling van het beroep van [gedaagde] op artikel 7:23 BW op dit punt samen met een inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eisers]. Op hen rusten stelplicht en bewijslast in dit verband.
5.13 Ter zake van de eerste onder 5.12 bedoelde vraag geldt het volgende. [eisers] hebben gesteld dat [gedaagde] heeft geweten van de aanwezigheid van (vervuild) puin. [gedaagde] heeft deze wetenschap stellig betwist. In de in dit verband vaststaande feiten ziet de rechtbank geen grond voorshands uit te gaan van wetenschap van [gedaagde]. Gelet op de lange duur dat [gedaagde] op het perceel heeft gewoond (zie 2.10), is op zichzelf aannemelijk dat zij heeft geweten dat het perceel is opgehoogd. Dat impliceert echter nog niet dat zij wist of geacht moet worden te hebben geweten dat die ophoging met (vervuild) puin heeft plaatsgevonden. In de periode dat het puin is aangevoerd, was zij immers nog slechts een (jonge) tiener. Niet zonder meer is aannemelijk dat iemand van die leeftijd zich realiseert dat ophogingen van de tuin met (vervuild) puin plaatsvinden. [eisers] hebben geen feiten gesteld op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat [gedaagde] ook los van feitelijke wetenschap van de aanwezigheid van puin had behoren te weten. Nu aldus nog niet (voorshands) vaststaat dat [gedaagde] van de aanwezigheid van (vervuild) puin wist, zal de rechtbank [eisers] in beginsel toelaten tot het bewijs van die stelling. Of die bewijsvoering daadwerkelijk aan de orde komt, is afhankelijk van de beoordeling van de eventueel nog bij de hierna te noemen akte door [eisers] aan te voeren stellingen." http://uitspraken.rechtspraak.nl/inzien … 009:BI8668

Verder kan nog van belang zijn of er sprake is van verjaring:

"4.4. [gedaagde] stelt zich voorts op het standpunt eigenaar van de strook grond te zijn geworden door verkrijgende verjaring. Zij heeft de strook grond daarom rechtsgeldig aan [eisers] kunnen leveren, zodat van non-conformiteit ook om die reden geen sprake is. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat haar echtgenoot het perceel op 18 september 1989 heeft verkregen, dat zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren, en dat zij beiden vanaf het moment dat zij het perceel verwierven volstrekt te goeder trouw hebben gemeend dat de onderhavige strook grond ook tot het door hen verworven perceel behoorde.
4.5. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende. Ingevolge artikel 3:99 BW is voor verkrijging door verjaring van grond bezit te goeder trouw gedurende een onafgebroken periode van tien jaren vereist. Vastgesteld moet dus worden wanneer het bezit is aangevangen en of dit (bij aanvang) te goeder trouw was.
4.6. artikel 3:113 BW bepaalt dat men een goed in bezit neemt door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen.
[gedaagde] heeft niets gesteld waaruit blijkt dat zij en haar echtgenoot zich in 1989 ook de feitelijke macht over de strook grond hebben verschaft. Zij heeft slechts gesteld dat zij bij de verkrijging van het perceel geheel te goeder trouw dachten dat zij ook eigenaar waren geworden van de onderhavige strook grond. Gezien het bepaalde in artikel 3:113 BW is het enkele feit dat men denkt eigenaar te zijn geworden echter onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van bezit."
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inzien … 010:BL4220

Uiteindelijk is het natuurlijk ook de vraag of een eventuele makelaar of notaris van partijen hierbij kan worden verweten niet voldoende oplettend te zijn geweest, want in dat geval kan het goed zijn dat op die persoon de schade weer zou kunnen worden verhaald. Naar mijn mening dus een complexe zaak.

#2 Re: Privaatrecht (rest) » internationaal recht? » 28-03-15 16:42:48

In principe wel. Er zijn verschillende verdragen die dit mogelijk maken. Op grond van artikel 5 lid 1 sub a juncto artikel 22 lid 1 EEX-Verordening (Verordening 44/2001 EG van 22 december 2000) is bevoegd het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd. Als dat dus in Duitsland was, dan is de Duitse rechter bevoegd in die betreffende stad. Komt er een vonnis dan kan dit via de deurwaarder in Nederland eventueel ten uitvoer worden gelegd.

Tegen het vonnis in Nederland in beroep gaan lijkt mij niet mogelijk. Als het goed is dan zou de veroordeelde van de Duitste deurwaarder een dagvaarding moeten hebben en heeft hij zich daar op de zitting kunnen verdedigen. In het Duitse vonnis zal overigens vermeld worden of beroep mogelijk is.

#3 Re: Wet mulder (verkeersboetes) » Alcohol boete en strafblad » 17-03-15 19:43:47

Op dit moment is het inderdaad niet erg duidelijk meer en ook kun je je afvragen hoe de regeling zou moeten zijn.

Een interessante uitzending van Pauw hierover: http://www.npo.nl/pauw/16-03-2015/VARA_101372814

#4 Re: Wet mulder (verkeersboetes) » CJIB boete onverzekerd rijden » 17-03-15 19:34:02

Hoi Bryan,

Dat is inderdaad een heel lullige situatie sad

Ik heb ff gekeken in de wet en artikel 2 lid 1 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bepaalt:

“De bezitter van een motorrijtuig en degene op wiens naam dit in het kentekenregister is ingeschreven, zijn verplicht voor het motorrijtuig een verzekering te sluiten en in stand te houden welke aan de bij en krachtens deze wet gestelde bepalingen voldoet, indien dat motorrijtuig op een weg wordt geplaatst of daarmee op een weg wordt gereden, indien buiten een weg met dat motorrijtuig op een terrein aan het verkeer wordt deelgenomen of indien dat motorrijtuig in het kentekenregister is ingeschreven en tenaamgesteld.”

En verder in artikel 30 lid 1 Wam:

"Hij, die als bezitter, dan wel als degene op wiens naam een motorrijtuig in het kentekenregister is ingeschreven, dan wel als houder in de zin van artikel 2, tweede lid, een motorrijtuig op een weg doet rijden of laat staan of toelaat dat daarmede op een weg wordt gereden of gestaan, of buiten een weg met een motorrijtuig deelneemt of toelaat dat daarmede wordt deelgenomen aan het verkeer op een terrein zonder dat hij voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig deze wet heeft gesloten en in stand gehouden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

De in het vorige lid genoemde personen worden met gelijke straf gestraft, indien zij voor een motorrijtuig dat in het kentekenregister is ingeschreven en tenaamgesteld niet een verzekering overeenkomstig deze wet hebben gesloten en in stand gehouden."

Conclusie: niet alleen de persoon op wiens naam de auto staat (in het kentekenregister) kan een boete krijgen, maar ook de bezitter van een motorrijtuig dan wel de houder die ‘een motorrijtuig op een weg doet rijden of laat staan of toelaat dat daarmede op een weg wordt gereden of gestaan’ wanneer deze niet verzekerd is. In dit geval dus ook jij als je kennis de auto niet heeft verzekerd.

De wetgever gaat ervan uit dat je dus in dat soort gevallen eerst even checkt (bijvoorbeeld bij de RDW https://ovi.rdw.nl/) of je kennis het wel goed heeft. En het gaat helaas om een heel hoge boete sad

#5 Re: Personen- en familierecht » Ex verlaagt en stopt alimentatie voor oudste, mag dit zomaar? » 10-03-15 20:15:01

Hoi Mmie,

Ik heb je verhaal gelezen en ik denk dat er een aantal dingen van belang zijn. In de eerste plaats natuurlijk de indexering: als dat is overeengekomen, dan dient de geïndexeerde alimentatie te worden voldaan. Wel kan deze verjaren en daarom is het denk ik verstandig om hierover het LBIO te benaderen. Zie bijvoorbeeld dit arrest:

"De vorderingen van de vrouw uit hoofde van de kinderalimentatie zijn met ingang van voormelde beschikkingen uit 2001 en 2005 maandelijks ontstaan. Om vast te kunnen stellen of sprake is van verjaring moet sinds 2001 respectievelijk 2005 een periode van vijf jaar zijn verstreken waarin de vrouw, dan wel het LBIO op verzoek van de vrouw, bij de man geen aanspraak op kinderalimentatie heeft gemaakt. Daarvan is het hof niet gebleken. Immers uit de brieven van het LBIO van 31 maart 2003 en 13 mei 2003 aan de man blijkt dat het LBIO op verzoek van de vrouw kinderalimentatie bij de man int. Uit de aangetekende brief van 31 juli 2003 (met bijlage) van het LBIO aan de man blijkt dat het LBIO tot beslaglegging onder de uitkeringsinstantie van de man overgaat. Bij brief van 20 april 2004 heeft de curator in het faillissement van de man het LBIO aangeschreven en aangegeven dat de vordering ter zake de achterstallige kinderalimentatie wordt geplaatst op de lijst van voorlopig erkende crediteuren in het faillissement. Uit de aangetekende brief van 23 februari 2007 van het LBIO aan de man blijkt voorts dat aan de man verzocht wordt de achterstand in betalingen van kinderalimentatie af te lossen en bij exploot van 17 mei 2010 zijn ten verzoeke van het LBIO aan de man twee uitspraken van de rechtbank Arnhem betekend waarin de door hem te betalen kinderalimentatie is vastgesteld, en is aan hem bevel gedaan tot betaling over te gaan van de betaling van de achterstallige kinderalimentatie. Uit deze correspondentie en bescheiden blijkt naar het oordeel van het hof niet van het bestaan van een aaneengesloten periode van vijf jaar waarin geen aanspraak is gemaakt op kinderalimentatie. Dat de vrouw dan wel het LBIO het woord ‘stuiten’ of ‘verjaring’ niet expliciet gebruikt in deze correspondentie maakt het voorgaande niet anders. Evenmin het feit dat de man de brief van 23 februari 2007 nooit heeft ontvangen. Uit het overgelegde rapport (No. 02959 / 2006) van de Koninklijke Marechaussee, district Schiphol, van 23 december 2006 blijkt dat de man heeft opgegeven woonachtig te zijn op (adres) Indonesie. Dat is hetzelfde adres dat op voormelde brief staat vermeld. De gevolgen van het niet ontvangen van de brief komen naar het oordeel van het hof daarom voor rekening en risico van de man."

(arrest: Hof Arnhem 23 augustus 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX7829)

We kan het zijn dat een meerderjarig geworden kind een volmacht moet geven aan je (Hof Den Haag 9 juni 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP1957), maar daarover zal het LBIO dan ongetwijfeld informeren.

Dan over het feit dat hij de alimentatie (zoals ik dat begrijp) deels stopt of voor een van de meerderjarig geworden kinderen: Op grond van artikel 1:395a lid 1 BW zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt. Als u overigens met uw nieuwe partner gehuwd bent of een geregistreerd partnerschap hebt, dan is het tweede lid van artikel 1:395a BW mogelijk nog van belang:

"Een stiefouder is gedurende zijn huwelijk of zijn geregistreerd partnerschap jegens de tot zijn gezin behorende meerderjarige kinderen van zijn echtgenoot of geregistreerde partner die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt, verplicht te voorzien in de bij het vorige lid bedoelde kosten."

Ik begrijp dat de hoogte van de alimentatie is overeengekomen en dat de indexering daarvan deel uitmaakt. Mocht de vader de hoogte willen wijzigen, dan zou hij daarvoor naar de rechter kunnen gaan. Dan wordt gekeken naar de draagkracht van de ouders en de behoefte van het kind, bijvoorbeeld:

"De behoefte tot meerderjarigheid

4.6 Het hof overweegt allereerst dat de stelplicht van de onderbouwing van de behoefte bij (kind 2) ligt. Naar het oordeel van het hof heeft (kind 2) tegenover de betwisting van de vader, en mede gelet op de omstandigheid dat ten behoeve van (kind 2) tot zijn meerderjarigheid een ANW-uitkering is ontvangen, onvoldoende onderbouwd dat zijn behoefte hoger is geworden dan de door de rechtbank Almelo vastgestelde en geïndexeerde bijdrage van € 188,21 per maand. De enkele stelling dat sprake is van tijdsverloop is daartoe onvoldoende. Dit betekent dat het hof tot aan de meerderjarigheid van (kind 2) zal uitgaan van de door de rechtbank Almelo bij beschikking van 25 maart 2009 vastgestelde en inmiddels geïndexeerde behoefte van € 188,21 per maand.

4.7 Het inleidend verzoek van de bijzonder curator van (kind 2) om de vader te veroordelen tot betaling aan (kind 2) van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van (kind 2) van € 250,- per maand ingaande 1 mei 2011, voor zover het de periode tot (geboortedatum) 2012 betreft, zal het hof dan ook alsnog afwijzen.

De behoefte vanaf meerderjarigheid

4.8 Met ingang van (geboortedatum) 2012 zoekt het hof ter bepaling van de behoefte van (kind 2) aansluiting bij de totaal door (kind 2) begrootte, en door de vader deels betwiste, uitgaven van € 499,05 per maand en bij de norm van de Wet Studiefinanciering, verder te noemen”WSF”. In dat verband is van belang dat (kind 2) inwonend is bij (B) en dat hij een MBO opleiding aan het ROC Helicon te Nijmegen volgt. Uit het overzicht betreffende bedragen studiefinanciering beroepsonderwijs blijkt dat het maximale bedrag aan studiefinanciering voor een thuiswonende in 2012 € 550,83 per maand bedraagt. Blijkens de op de site van de Informatie Beheer Groep voorkomende informatie zijn in deze normbedragen de volgende posten verdisconteerd: (een deel van) het levensonderhoud, de premie ZVW, de studiekosten (studieboeken e.d.) en onderwijsbijdrage (les- of collegegeld). Onder de gegeven omstandigheden is de behoefte van (kind 2) aan een bijdrage van € 499,05 per maand voldoende aannemelijk geworden. Op deze behoefte brengt het hof in mindering de door (kind 2) (te) ontvangen studiefinanciering van € 75,39 per maand. Gelet op het voorgaande becijfert het hof de behoefte van (kind 2) aan een bijdrage van zijn vader in de kosten van zijn levensonderhoud en studie met ingang van (geboortedatum) 2012 op € 423,66 per maand.

4.9 De door (kind 2) gevraagde bijdrage van € 250,- per maand met ingang van (geboortedatum) 2012 gaat zijn behoefte niet te boven.

Samenloop onderhoudsverplichtingen

4.10 De vader stelt (voorts) dat B ook dient bij te dragen in de behoefte van (kind 2). (kind 2) betwist en stelt dat (B) geen stiefouder is in de zin van

artikel 1:392 BW die tot het verstrekken van levensonderhoud verplicht is, nu aan het huwelijk van de heer (B) met zijn moeder een einde is gekomen door het overlijden van de moeder.

4.11 Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:395 BW is een stiefouder verplicht gedurende zijn huwelijk levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende kinderen van zijn echtgenoot. Dit betekent dat de stiefouder alleen tijdens het huwelijk met de ouder van de kinderen onderhoudsplichtig is. Wordt het huwelijk door overlijden ontbonden dan eindigt daarmee de onderhoudsplicht van de stiefouder. Het hof is dan ook met (kind 2) van oordeel dat (B) niet hoeft bij te dragen in de behoefte van (kind 2) en dat alleen de vader, voor zover zijn draagkracht dat toelaat, dient te voorzien in zijn behoefte.

Draagkracht

4.12 Nu de vader geen grieven heeft aangevoerd tegen zijn draagkracht, zoals ter mondelinge behandeling door mr. Plieger is bevestigd, gaat het hof er vanuit dat de vader de door (kind 2) verzochte bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie van € 250,- per maand met ingang van (geboortedatum) 2012 kan voldoen."

(arrest: Hof Arnhem-Leeuwarden 31 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2701).

Al met al denk ik dat het dus handig is om in de eerste plaats het LBIO in te schakelen. Veel succes!

#6 Re: Arbeidsrecht » Mag mijn werkgever mijn werk tijden aanpassen? » 10-03-15 19:31:29

Dag Rob,

Ik denk dat het in de eerste plaats van belang is op welke manier is afgesproken dat je drie dagen werkt. In de CAO staat - zoals je aangeeft - namelijk dat rekening wordt gehouden met de 'met structurele afspraken die met de werknemer zijn gemaakt over zijn arbeidstijden'. Zijn daarover afspraken gemaakt, of kwam het in de praktijk gewoon zo uit dat je altijd drie dagen werkte?

Verder is in dit verband van belang of er een eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst is opgenomen en of de CAO hierover nog meer regelt. Vergelijk bijvoorbeeld deze uitspraak:

"Vaststaat dat [eiseres] vanaf 2000 werkzaam is in de functie van zorgassistent op de Amaliahof gedurende drie avonden per week van 18.00 uur tot 23.00 uur. De enkele vermelding in de brief van haar vorige leidinggevende dat deze werktijden worden gehanteerd, rechtvaardigt op zichzelf nog niet de conclusie dat partijen een harde afspraak hebben gemaakt met betrekking tot vaste uren waarop de werkzaamheden verricht dienen te worden. De kantonrechter is echter wel van oordeel dat het feit dat [eiseres] gedurende zoveel jaren op basis van dit rooster heeft gewerkt tot gevolg heeft dat dit werkrooster - ondanks dat hierover niets in een arbeidsovereenkomst is vastgelegd - deel is gaan uitmaken van haar arbeidsvoorwaarden. Daaraan doet niet af dat in artikel 5.1 lid 2 van de CAO is bepaald dat de werkgever de werktijden vaststelt. Het feit dat Axioncontinu thans de werktijden heeft aangepast betekent derhalve dat zij eenzijdig - immers zonder instemming van [eiseres] - een arbeidsvoorwaarde heeft gewijzigd.

4.4. De kantonrechter stelt vast dat partijen geen eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW zijn overeengekomen in de arbeidsovereenkomst. De vraag is dan of van [eiseres] op grond van artikel 7:611 BW kan worden verwacht dat zij het voorstel tot aanpassing van haar werktijden accepteert. Ter beoordeling van deze vraag zijn op basis van het arrest Stoof/Mammoet (HR 11 juli 2008, JAR 2008/204) drie stappen te onderscheiden:

1) is er sprake van gewijzigde omstandigheden die nopen tot een wijziging van de arbeidsovereenkomst;

2) is het gedane voorstel tot wijziging van de overeenkomst in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk;

3) kan aanvaarding van het voorstel in redelijkheid van de werknemer worden gevergd.

4.5. Ten aanzien van de gewijzigde omstandigheden op de werkvloer heeft Axioncontinu onder meer het volgende aangevoerd. De financiering binnen de verpleeghuiszorg is zodanig gewijzigd dat er geen inefficiënte uren meer gedraaid dienen te worden. Gebleken was dat de verdeling van het personeelsaanbod ten opzichte van de zorgvraag niet optimaal was en wijziging behoefde, hetgeen gelijkmatige spreiding van medewerkers over de dagen noodzakelijk maakt. De huidige werktijden van [eiseres] stroken niet met de behoefte en wensen van de bewoners en de afdeling. De drukte ligt tussen 15:00 en 21:00 en dan met name tussen 16:00 en 19:00 in verband met het avondeten. [eiseres] kan in verband met haar functie geen eindverantwoordelijkheid dragen, waardoor er altijd iemand naast haar ingeroosterd dient te worden, hetgeen na ’s avonds 22:00 niet nodig is. Met de huidige starttijd van [eiseres] is er bovendien in verband met aansluitende diensten geen optimale bezetting tijdens de drukte in de ochtend. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet gemotiveerd heeft weersproken dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden op de werkvloer. Zij voert weliswaar aan dat Axioncontinu creatiever dient in te roosteren en draagt enkele suggesties aan, maar heeft geen oplossing geboden die de door Axioncontinu aangevoerde - en niet voldoende weersproken - problemen wegneemt. De kantonrechter acht derhalve voldoende aannemelijk dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die nopen tot wijziging van de werktijden van [eiseres].

4.6. [eiseres] heeft van haar kant argumenten aangedragen die het noodzakelijk maken om haar huidige werktijden te handhaven. De kantonrechter acht de wens van [eiseres] om voor haar 14-jarige zoon te zorgen op zichzelf beschouwd gerechtvaardigd, maar dat haar afwezigheid de consequentie zal hebben zoals door [eiseres] is gesteld, namelijk het ontsporen van haar zoon, is op geen enkele manier nader onderbouwd en lijkt op voorhand niet aannemelijk gelet op de toelichting van [eiseres] ter zitting dat het een jongen betreft die in 3 VWO zit en die goede schoolresultaten behaalt; derhalve een kind dat op dit moment geen speciale begeleiding behoeft. Bovendien is [eiseres] geen alleenstaande moeder, maar is er ook een vader die in het begin van de avond thuiskomt en dan de benodigde aansturing kan geven, zodat het er per saldo op neerkomt dat de zoon slechts drie maal per week enkele uren alleen is.

4.7. De kantonrechter stelt vast dat Axioncontinu - in tegenstelling wat [eiseres] hierover heeft gesteld - overleg met [eiseres] heeft gevoerd om gezamenlijk tot een oplossing te komen. Bovendien is reeds tijdig door Axioncontinu kenbaar gemaakt dat er een wijziging aan zat te komen. Uit het verslag van het teamoverleg dat plaatsvond op 3 augustus 2010 blijkt immers dat de heer [leidinggevende] heeft aangegeven dat hij graag wil dat medewerkers die hun dienst starten tussen 17:00 en 18:00 eerder gaan beginnen. Daarnaast is in het gesprek dat plaatsvond tussen partijen op 16 september 2010 gesproken over een vervroeging van de dienst van [eiseres]. Op 14 december 2010 heeft Axioncontinu [eiseres] - na hierover met haar te hebben gesproken - per brief laten weten dat de aanvang van haar avonddienst met ingang van 1 maart 2011 zou worden vervroegd naar 15.45 uur. De maatregel is niet per direct opgelegd en hangende deze procedure heeft Axioncontinu zich ook bereidwillig getoond door de gewijzigde werktijden nog niet in te laten gaan.

4.8. De kantonrechter acht het door Axioncontinu gedane voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst in het licht van alle hiervoor besproken omstandigheden redelijk. De belangen van beide partijen tegen elkaar afwegend dient het belang van Axioncontinu in dit geval te prevaleren en derhalve kon aanvaarding van dit voorstel naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid van [eiseres] worden gevergd."

(uitspraak: Rb Utrecht, 27 april 2011, JAR 2011/162, JIN 2011/421).

#7 Re: Huurrecht » opzeggen huur bedrijfsruimte » 20-02-15 10:44:41

In beginsel is dit niet mogelijk. Aangezien het kennelijk gaat om een huurovereenkomst ex art. 7:290 BW geldt (art. 7:293 BW):

'1. De overeenkomst die voor vijf jaar geldt, en de overeenkomst die is aangegaan voor een termijn langer dan vijf jaar, maar korter dan tien jaar, kunnen tegen het einde van de termijn en tegen het einde van de in artikel 292 lid 2 bedoelde tweede termijn door ieder van de partijen worden opgezegd. Artikel 228 lid 1 en lid 2, eerste zin, is niet van toepassing.

2. De opzegging moet geschieden bij exploot of bij aangetekende brief. De termijn van opzegging bedraagt tenminste een jaar.

3. Geen opzegging is vereist, indien de beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden, nadat de huurovereenkomst is totstandgekomen.'

Uit uw contract lijkt te volgen dat dit het eerste huurcontract is dat werd ondertekend en dat dus nog niet de termijn van 10 jaar aan de orde is. Dan is het in beginsel enkel mogelijk om tegen het einde van de termijn op te zeggen met een opzegtermijn van ten minste 12 maanden, zoals dit ook in het contract is voorgeschreven.

In héél uitzonderlijke gevallen zou de rechter een uitzondering kunnen maken, maar dan moet het dus om heel bijzondere gevallen gaan: 'onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten'

In 99 van de 100 gevallen zal dat waarschijnlijk niet aan de orde zijn. Wel is het uiteraard zo dat de verhuurder niet mag tekortschieten in zijn verplichtingen. Mocht dat het geval zijn, dan zou dat eventueel een aanleiding kunnen geven tot tussentijdse beëindiging.

Indien u dus de huurovereenkomst tussentijds wil beëindigen, dan gelden daarvoor de regels van het contract en het bovenstaande. Wel kunt u natuurlijk de verhuurder vragen om zijn instemming om tussentijds te beëindigen, want dan is geen opzegging noodzakelijk (art. 7:293 lid 3 BW).

#8 Re: Wet mulder (verkeersboetes) » CJIB boete onverzekerd rijden » 19-02-15 22:14:55

U geeft aan een dwangbevel te hebben ontvangen nadat in eerste instantie een sanctie werd opgelegd, nu u kennelijk een motorrijtuig (scooter) niet verzekerd had. Uit het feit dat u een dwangbevel hebt ontvangen maak ik op dat u dus niet deze sanctie hebt betaald?

Van belang is het in de eerste plaats om na te gaan of u bent aangemaand tot betaling (HR 23 september 2011, LJN: BT2290) omdat een dwangbevel anders een middel is dat niet op zijn plaats zou zijn. Als u bent aangemaand maar desondanks niet hebt betaald, dan is een dwangbevel dus een mogelijkheid.

De vraag is of u tegen het dwangbevel in verzet wil gaan (1) of feitelijk het niet eens bent met de opgelegde sanctie (2).

1) Als u het niet eens bent met het dwangbevel, bijvoorbeeld omdat het CJIB u verkeerd heeft voorgelicht per brief, haar eigen termijn niet is nagekomen, u niet heeft aangemaand om alsnog te betalen etc., dan is verzet de aangewezen weg. Maar: verzet is in beginsel niet de aangewezen weg als u het niet eens bent met de opgelegde sanctie.

2) Als u het niet eens bent met de opgelegde sanctie, dan is daartegen in de eerste plaats beroep mogelijk en kan uiteindelijk de kantonrechter om een oordeel worden gevraagd. Dit is enkel mogelijk als u binnen de termijn beroep hebt ingesteld. Hebt u binnen de termijn geen beroep ingesteld, dan is dit niet meer mogelijk.

Afhankelijk van of uw geval onder 1 of 2 valt kunt u bepalen of het misschien zinvol kan zijn om in verzet te gaan of niet. Overigens: ook indien uw situatie als in geval 2 zou zijn, dan wil dit niet zeggen dat verzet nimmer effect zou kunnen hebben.

Als u verzet wilt aantekenen, dan wordt de procedure daarvoor beschreven in artikel 26 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (wet Mulder). Voor zover van belang bepaalt dit wetsartikel:


3. Tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan verzet worden gedaan, hetwelk niet gericht zal kunnen zijn tegen de beslissing waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed verzetschrift. Het verzetschrift wordt binnen twee weken na de betekening van het dwangbevel ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. Wordt binnen twee weken na de betekening tot inbeslagneming overgegaan, dan wordt het verzetschrift binnen een week na de dag van inbeslagneming ingediend. Bij het verzetschrift worden het dwangbevel en een afschrift van het exploit van betekening van het dwangbevel overgelegd.

4. Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is een griffierecht verschuldigd. De griffier wijst de indiener van het verzetschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5. Indien de in het derde lid bedoelde stukken niet zijn overgelegd, deelt de griffier de indiener van het verzetschrift mee dat deze stukken binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling ter griffie dienen te zijn overgelegd. Indien dit laatste niet binnen deze termijn is geschied, wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

6. De griffier brengt het verzetschrift en de daarop betrekking hebbende stukken ter kennis van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden, ten einde hem in de gelegenheid te stellen daarover de nodige opmerkingen te maken. De officier van justitie stelt de betrokken gerechtsdeurwaarder ervan in kennis dat verzet is gedaan. De kantonrechter geeft zo spoedig mogelijk na afloop van deze termijn, na zo nodig degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd te hebben gehoord, althans opgeroepen om te verschijnen, zijn met redenen omklede beschikking, welke onverwijld aan degene die het verzet heeft gedaan en aan de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland wordt medegedeeld. De artikelen 13a en 13b zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid.

7. Indien de kantonrechter het verzet gegrond oordeelt, houdt de beschikking tevens in dat aan de indiener van het verzetschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door de griffier. In de overige gevallen kan de kantonrechter bepalen dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Forum footer

Powered by FluxBB