Gratis juridisch advies



Stel hier je vraag:

(60 c/m)

U kunt uw juridische vraag ook stellen per e-mail of per chat:
  • Betaal € 14,99
  • Wij geven u juridisch advies (meestal binnen een dag),
  • Geef ons een beoordeling en vul het formulier in
  • Wij storten € 14,99 terug!
Waarom?
Door de betaling van € 14,99 krijgen wij alleen serieuze vragen en geen spam. Het advies is gratis omdat wij u terugbetalen. Lees hier de toelichting!

  Ik accepteer de algemene voorwaarden
Vraag stellen    Gratis juridisch advies    Gratis juridisch advies


Aanbouw of verbouwen: heb ik een omgevingsvergunning nodig?

In principe is een omgevingsvergunning nodig als je wilt gaan bouwen, verbouwen of aanbouwen. Artikel 2 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt namelijk dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, dat bestaat uit het bouwen van een bouwwerk (art. 2.1 onder a Wabo). Maar het derde lid van artikel 2 Wabo geeft aan dat er bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) bepaalde categorieën van bouwen niet onder dit verbod vallen. Voor die categorieën is dus geen omgevingsvergunning nodig.



Heb ik een bouwvergunning nodig?

Op grond van artikel 40 van de Woningwet was het tot 1 oktober 2010 verboden om zonder bouwvergunning te bouwen of een bouwwerk in stand te laten waarvoor geen bouwvergunning was gegeven of dat was gebouwd in strijd met een wel verleende bouwvergunning. Met ingang van 1 oktober 2010 is artikel 40 Woningwet vervallen en daarvoor in de plaats regelt nu artikel 2 Wabo wanneer een omgevingsvergunning nodig is. In principe is een omgevingsvergunning nodig indien men wil bouwen of verbouwen en de omgevingsvergunning is dus feitelijk in de plaats gekomen van de vroegere bouwvergunning. Om te bouwen, aanbouwen of verbouwen is dus geen bouwvergunning meer nodig, maar wel doorgaans een omgevingsvergunning!





Voorbeeld – duiventil

Op 2 juni 2009 was door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een duiventil. Deze duiventil werd uiteindelijk gebouwd in strijd met de verleende vergunning en daarom in strijd met artikel 44 van de Woningwet. Het college werd op 11 mei 2010 verzocht om hiertegen handhavend op te treden, maar met ingang van 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking is getreden. De rechtbank Roermond:

“Met betrekking tot de goothoogte is uit de metingen gebleken dat deze 2,10 meter boven het maaiveld is. Ingevolge de bouwvergunning is een hoogte van 2,07 meter boven het maaiveld toegestaan, zodat vergunninghouder ter zake van de goothoogte in afwijking van de bouwvergunning heeft gebouwd. Dit betekent dat vergunninghouder bij de bouw van het duivenhok uitsluitend in zoverre heeft gehandeld in strijd met artikel 40 van de Ww en dat verweerder in beginsel bevoegd moet worden geacht om ter zake van de goothoogte van het duivenhok handhavend op te treden. […]Het duivenhok is weliswaar ter zake van de goothoogte in afwijking van de verleende bouwvergunning gebouwd, maar blijft binnen de maten zoals deze inmiddels zijn toegestaan in artikel 3, aanhef en onder 1, van het Bor en het vigerende bestemmingsplan. Dit betekent dat die afwijking ten tijde van het besluit van 9 november 2010 met de inwerkingtreding van de Wabo is gelegaliseerd. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geen grondslag aanwezig geacht om tegen het duivenhok, voor zover deze niet in overeenstemming met de aan vergunninghouder verleende bouwvergunning is gebouwd, handhavend op te treden.” (Rb Roermond 15 maart 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:BP8237)



Wat mag ik zonder omgevingsvergunning bouwen?

Met de komst van de Wabo is het aantal bouwwerken dat zonder vergunning gebouwd mag worden enorm toegenomen. Nu mogen bijvoorbeeld bijna alle bouwwerken vergunningvrij gebouwd worden, indien ze achter een gebouw worden gebouwd. Ook voor grotere bouwwerken is tegenwoordig vaak alleen nog een vergunning vereist als het bouwwerk niet voldoet aan het bestemmingsplan. Daarnaast is het tijdens nieuwbouw toegestaan om direct een dakkapel of aanbouw vergunningvrij mee te nemen.

Of voor een bouwwerk een vergunning nodig is, kunt u gemakkelijk achterhalen via de Vergunningcheck van het Omgevingsloket: https://www.omgevingsloket.nl/Particulier/particulier/home/checken. Via het omgevingsloket kunt u ook digitaal een vergunning aanvragen en u vindt daar verdere informatie over welke gegevens u dan moet verstrekken en welke toestemming er eventueel nodig is. (bron en verdere info: Infoblad Vergunningvrij bouwen en het Bouwbesluit 2012).

Wat je mag bouwen of verbouwen zonder omgevingsvergunning, wordt geregeld in het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bro) en dan met name in hoofdstuk II en III. De details kunt u hieronder lezen:

Hoofdstuk II. Categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist

Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

  • 1. gewoon onderhoud van een bouwwerk, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van dat bouwwerk niet wijzigen;

  • 2. werkzaamheden ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 14 van de Woningwet;

  • 3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

      • 1°. 5 m,

      • 2°. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

      • 3°. het hoofdgebouw,

    • b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

      • 1°. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule:

        maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;

      • 2°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,

    • c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

    • d. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag,

    • e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,

    • f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

      • 1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied,

      • 2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,

      • 3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2,

    • g. niet aan of bij:

      • 1°. een woonwagen,

      • 2°. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben,

      • 3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

  • 4. een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. voorzien van een plat dak,

    • b. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m,

    • c. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet,

    • d. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok,

    • e. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, en

    • f. niet op:

      • 1°. een woonwagen,

      • 2°. een gebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden, of

      • 3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

  • 5. een dakraam, daklicht, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening in een dak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. indien in het achterdakvlak, een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak of een plat dak, de constructie niet meer dan 0,6 m buiten het dakvlak respectievelijk het platte dak uitsteekt,

    • b. indien in een ander dakvlak dan bedoeld in onderdeel a,

      • 1°. de constructie niet buiten het dakvlak uitsteekt, of

      • 2°. ingeval geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, de constructie niet meer dan 0,6 m buiten het dakvlak uitsteekt, en

    • c. zijkanten, onder- en bovenzijde meer dan 0,5 m van de randen van het dakvlak of het platte dak;

  • 6. een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking op een dak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. indien op een schuin dak:

      • 1°. binnen het dakvlak,

      • 2°. in of direct op het dakvlak, en

      • 3°. hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak,

    • b. indien op een plat dak: afstand tot de zijkanten van het dak ten minste gelijk aan hoogte collector of paneel, en

    • c. indien de collector of het paneel niet één geheel vormt met de installatie voor het opslaan van het water of het omzetten van de opgewekte elektriciteit: die installatie aan de binnenzijde van een bouwwerk is geplaatst;

  • 7. een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, dan wel in een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

  • 8. een zonwering, rolhek, luik of rolluik aan of in een gebouw, mits bij een rolhek, luik of rolluik in een voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een ander hoofdgebouw dan een woning of woongebouw, wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. geplaatst aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie, en

    • b. voor ten minste 75% voorzien van glasheldere doorkijkopeningen;

  • 9. een afscheiding tussen balkons of dakterrassen;

  • 10. tuinmeubilair, mits niet hoger dan 2,5 m;

  • 11. een sport- of speeltoestel voor uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet hoger dan 2,5 m, en

    • b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

  • 12. een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet hoger dan 1 m, of

    • b. niet hoger dan 2 m, en

      • 1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

      • 2°. achter de voorgevelrooilijn, en

      • 3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

  • 13. een constructie voor het overbruggen van een terreinhoogteverschil van niet meer dan 1 m die niet hoger is dan het aansluitende afgewerkte terrein;

  • 14. een vlaggenmast op een erf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet hoger dan 6 m, en

    • b. maximaal één mast per erf;

  • 15. een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie op of aan een bouwwerk, met inbegrip van een hekwerk ter beveiliging van een zodanige antenne-installatie op of aan een bouwwerk als bedoeld in onderdeel a, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. indien op of aan een hoogspanningsmast, wegportaal, reclamezuil, lichtmast, windmolen, sirenemast dan wel een niet van een bouwwerk deel uitmakende schoorsteen, of op een antenne-installatie als bedoeld in onderdeel 16 dan wel een antenne-installatie voor het bouwen waarvan een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is vereist:

      • 1°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 5 m, en

      • 2°. de antenne hoger geplaatst dan 3 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein,

    • b. indien op of aan een ander bouwwerk, dan bedoeld in onderdeel a:

      • 1°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 0,5 m, of

      • 2°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien bevestigd aan een gevel van een gebouw, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5 m, en:

        • a. de antenne, met antennedrager, hoger geplaatst dan 9 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein,

        • b. de bedrading in of direct langs de antennedrager of inpandig is aangebracht, dan wel in een kabelgoot, mits deze kabelgoot meer dan 1 m achter de voorgevel is geplaatst, en

        • c. de antennedrager bij plaatsing op het dak van een gebouw:

          • 1°. aan of bij een op het dak aanwezig object geplaatst,

          • 2°. in het midden van het dak geplaatst, of

          • 3°. elders op het dak geplaatst, mits de afstand in m tot de voorgevel van het bouwwerk ten minste gelijk is aan: 18 gedeeld door de hoogte waarop de antenne, met antennedrager, is geplaatst, gemeten vanaf het bij het gebouw aansluitende afgewerkt terrein tot aan de voet van de antenne, met antennedrager;

  • 16. een antenne-installatie met bijbehorend opstelpunt ten behoeve van de C2000-infrastructuur voor de mobiele communicatie door hulpverleningsdiensten;

  • 17. een andere antenne-installatie dan bedoeld in de onderdelen 15 en 16, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. de antenne-installatie achter het voorerfgebied geplaatst,

    • b. indien het een schotelantenne betreft:

      • 1°. de doorsnede van de antenne niet meer dan 2 m, en

      • 2°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 3 m, of

    • c. indien het een andere antenne betreft dan bedoeld in onderdeel b: de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien deze is bevestigd aan de gevel, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5 m;

  • 18. een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het betreft:

    • a. een bouwwerk ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • 1°. niet hoger dan 3 m, en

      • 2°. de oppervlakte niet meer dan 15 m2,

    • b. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van het weren van voorwerpen die de veiligheid van het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer in gevaar kunnen brengen, ten behoeve van de beveiliging van een weg, spoor- of waterweg of een spoorweg- of luchtvaartterrein, of ten behoeve van verkeersregeling, verkeersgeleiding, handhaving van de verkeersregels, wegaanduiding, het opladen van accu’s van voertuigen, verlichting, tolheffing of het verschaffen van toegang tot het openbaar vervoer of openbaar vervoersgebouwen,

    • c. bovenleidingen met de bijbehorende draagconstructies of seinpalen,

    • d. ondergrondse buis- en leidingstelsels, met uitzondering van een buisleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen,

    • e. een container voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • 1°. niet hoger dan 2 m, en

      • 2°. indien bovengronds geplaatst: de oppervlakte niet meer dan 4 m2,

    • f. een elektronische sirene ten behoeve van het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten of de dreiging daarvan, alsmede de daarbij behorende bevestigingsconstructie,

    • g. straatmeubilair;

  • 19. een magazijnstelling die uitsluitend steunt op een vloer van het gebouw waarin zij wordt geplaatst, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet lager dan 3 m en niet hoger dan 8,5 m, en

    • b. de magazijnstelling niet is voorzien van een verdiepingsvloer of loopbrug;

  • 20. een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een tijdelijke werkzaamheid op land waarop het Besluit algemene regels milieu mijnbouw van toepassing is, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd;

  • 21. een ander bouwwerk in voor- of achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet hoger dan 1 m, en

    • b. de oppervlakte niet meer dan 2 m2;

  • 22. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Hoofdstuk III. Categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist

Artikel 3

Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:

  • 1. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet hoger dan 5 m,

    • b. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

    • c. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, en

    • d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

  • 2. een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet hoger dan 5 m, en

    • b. de oppervlakte niet meer dan 70 m2;

  • 3. een dakkapel in het voordakvlak, een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak of, voor zover het betreft een bouwwerk als bedoeld in artikel 2, onderdeel 4, onder f, het achterdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. redelijke eisen van welstand zijn niet van toepassing;

    • b. voorzien van een plat dak,

    • c. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m,

    • d. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet,

    • e. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok, en

    • f. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

  • 4. een sport- of speeltoestel anders dan voor uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet hoger dan 4 m, en

    • b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

  • 5. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening, dan wel vijver op het erf bij een woning of woongebouw, mits deze niet van een overkapping is voorzien;

  • 6. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering, voor zover het betreft:

    • a. een silo, of

    • b. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

  • 7. een buisleiding waarop artikel 2, onderdeel 18, niet van toepassing is;

  • 8. een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. geen verandering van de draagconstructie,

    • b. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering,

    • c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en

    • d. geen uitbreiding van het bouwvolume.

Hoofdstuk IIIa. Categorieën gevallen waarin voor activiteiten met betrekking tot een beschermd monument geen omgevingsvergunning is vereist

Artikel 3a

Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:

  • 1. gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, voor zover ook materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of

  • 2. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

Hoofdstuk IV. Categorieën gevallen waarin voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet kan worden verleend

Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

  • 1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

    • b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

  • 2. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet hoger dan 5 m, en

    • b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • 3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. niet hoger dan 10 m, en

    • b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • 4. een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard;

  • 5. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;

  • 6. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

  • 7. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

  • 8. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;

  • 9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers;

  • 10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

    • b. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,

    • c. de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en

    • d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;

  • 11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.