Gratis juridisch advies

(60 c/m)

Gratis juridisch advies?

Like ons en e-mail anoniem je vraag:


Mail je vraag

Juridisch advies

Voor al uw juridische vragen

Berichten
Tevreden cliënten
Chats

U over NuRecht



NuRecht kijkt verder!

NuRecht wil het beste juridisch advies geven. Bij een juridische vraag bemerkten wij een fout in de wet. Om de juridische vraag tóch te kunnen beantwoorden, hebben wij de juridische vraag doorgestuurd naar de Tweede Kamer en minister Blok heeft inmiddels laten weten: “De wet zal worden hersteld!”.

Wij geven dus niet zomaar een juridisch advies! Gemiddeld zijn we een uur per juridische vraag bezig. Een uitstekend juridisch advies voor maar € 24,99 of je vraagt de betaling terug (beoordeling, link, formulier).


Voorbeelden juridisch advies

Wilt u juridisch advies? Wij geven in ons juridisch advies aan hoe het juridisch zit, maar ook waarom en op basis van welke wet.

Voorbeelden
Gratis juridisch advies

Bureau voor rechtsbijstand

Het Bureau voor Rechtsbijstand is opgericht om gratis juridisch advies te geven, voornamelijk aan wie de kosten van een advocaat niet kan betalen. Eind negentiende eeuw ontstonden verschillende bureaus voor juridisch advies en rechtshulp. Nadat het Rijk en de gemeenten hiervoor minder subsidie beschikbaar stelden nam het aantal juridische vragen en procedures af.

Uiteindelijk volgde een wetsvoorstel van minister Donker met als eerste artikel:

'1. Er is een bureau voor rechtsbijstand in ieder arrondissement.

2. Het is gevestigd in de gemeente waar de rechtbank zetelt. Het kan ook in andere gemeenten in het arrondissement zitting houden.

3. Het bureau is rechtspersoon.'[1]

Bureau voor Rechtsbijstand ontstaan

Eind negentiende eeuw ontstaan verschillende juridische adviesbureaus. Zo was er in Amsterdam het Bureau voor Rechtsbijstand van de Toynbee vereniging (Ons Huis) en werd in 1889 in Den Haag een Bureau van Consultatie in Strafzaken opgericht. Spoedig volgden verschillende van dit soort Bureaus voor Rechtshulp. Na de komst van de Ongevallenwet in 1901 werd in Amsterdam tevens een Bureau voor Arbeidsrecht opgericht en ook in Den Haag ontstond in 1903 een Bureau van Consultatie in Ongevallengeschillen.[2]

Bureau voor Rechtsbijstand rechtshulp

In het Bureau voor Rechtsbijstand werd gratis juridisch advies gegeven door beginnende advocaten, maar soms werd daarvoor een kleine vergoeding gevraagd. In 1895 bedroeg deze eigen bijdrage in Amsterdam bijvoorbeeld 10 cent, en in 1965 was dit 1 gulden. Het Bureau voor Rechtsbijstand in Amsterdam (Ons Huis) heeft bestaan tot 1971, in welk jaar in Amsterdam ook de eerste Rechtswinkel werd opgericht. [3]

Verschillende bureaus voor gratis juridisch advies

In deze beginfase werden verschillende Bureaus voor Rechtsbijstand opgericht, die zich veelal tot een specifiek rechtsgebied beperkten. Hier kon men gratis juridisch advies inwinnen. Er ontstonden tussen 1913 en 1924 hoofdzakelijk drie soorten Bureaus voor Rechtsbijstand:

  • Bureau van Consultatie - dit Bureau voor Rechtsbijstand gaf gratis juridisch advies als men beschikte over een ‘bewijs van onvermogen’. Het werd beheerd door de plaatselijke Orden van Advocaten.
  • Bureau voor Arbeidsrecht - dit Bureau voor Rechtsbijstand richtte zich op het Arbeidsrecht, waarbij bedacht moet worden dat in 1907 de Wet op de Arbeidsovereenkomst van kracht is ontstaan, naar het voorbeeld van Drucker. Het betreft hier gratis juridisch advies op het gebied van het arbeidsrecht. In 1917 waren er 84 van dergelijke bureaus.
  • Bureau voor Rechtskundige hulp deze Bureaus voor Rechtsbijstand kwamen tot stand vanuit verschillende private initiatieven om gratis juridisch advies te gevenDit leidde in 1913 in Amsterdam tot de oprichting van het Bureau voor Rechtskundige Hulp.[4]


Bureau voor Rechtskundige Hulp

Het Amsterdamse Bureau voor Rechtskundige Hulp verzorgde gratis juridisch advies en stond tevens cliënten bij in procedures (slechts 2%). Een bewijs van onvermogen was niet nodig. Het Bureau werd gesubsidieerd door de gemeente en het Rijk. Nadat deze subsidies in 1932 worden verminderd en het Bureau daarom bij cliënten een kleine eigen bijdrage gaat vragen, loopt het aantal bezoekers enorm terug.

In Rotterdam werd in 1917 een soortgelijk Bureau opgericht waar gratis juridisch advies werd gegeven aan ‘on- en minvermogenden’. De Bureaus voor Rechtskundige Hulp behandelden geen strafzaken en echtscheidingszaken. Deze werden doorverwezen naar het Bureau van Consultatie.[5]

Bureau voor Rechtsbijstand einde subsidie

Als gevolg van de verminderde subsidiering van het Bureau voor Rechtsbijstand nam ook het aantal hulpvragen van cliënten af. Na de Tweede Wereldoorlog werd geconstateerd dat het bestaande systeem rechtsbijstand en gratis juridisch advies met Bureaus van Consultatie van niet langer voldeed. De praktijk was toen inmiddels als volgt:

1. Verklaring van onvermogen
Wie zelf niet de kosten voor een civiele procedure kon betalen, diende eerst een ‘verklaring van onvermogen’ te krijgen van de burgemeester, met het verzoek aan het ‘Bureau van consultatie’ tot toevoeging van een raadsman. Dit Bureau van consultatie bestond uit advocaten die hier kosteloos werkten.

2. Bureau van consultatie
Het Bureau van consultatie beoordeelde vervolgens bij elk specifiek geval of het nodig was om te procederen. Was dit het geval, dan werd een advocaat of procureur toegevoegd om aanvrager in die procedure bij te staan.

3. Verzoek aan de rechtbank
Deze toegevoegde advocaat diende vervolgens een verzoek in te dienen bij de rechtbank om gratis te mogen procederen. Nadat de partijen hierover werden gehoord en de financiële gegevens door de rechter werden gecontroleerd, werd het verzoek toegekend of afgewezen.

4. Toestemming rechter om kosteloos te mogen procederen
Als het verzoek om kosteloos te mogen procederen werd toegekend, dan hoefde de betrokkene geen salaris aan de advocaat, procureur en deurwaarder te betalen, en evenmin het griffierecht. Wanneer zijn financiële positie het toeliet, dan moest de betrokkene de helft van deze kosten betalen (het zogenaamde ‘verminderd tarief’).

5. Kosten advocaat, procureur en deurwaarder
De afzonderlijke advocaat, procureur en deurwaarder ontvingen geen salaris voor hun diensten. Zij en ook de griffier verkregen hiervoor een zelfstandig verhaalsrecht op de wederpartij (zie de toenmalige artikelen 855 874 Rv en 70 74 Advw ).[6]

Bezwaren tegen dit systeem

Tegen dit systeem werden vier bezwaren kenbaar gemaakt:

  • De taak om te voorzien in afdoende rechtsbijstand aan minder- en onvermogenden kwam grotendeels tot last van de advocatuur.
  • Doordat eerst getoetst werd of een zaak het procederen waard was, werkte dit een eenzijdig systeem in de hand dat een ‘pro-deo karakter’ had. Voornamelijk werd alleen geprocedeerd in grotere huurrechtzaken en bij grotere arbeidsgeschillen. Toevoegingen in het bestuursrecht kwamen nauwelijks voor. Als er niet werd geprocedeerd, dan kon men ook nauwelijks juridisch advies inwinnen. Juridische voorlichting werd in de praktijk niet gegeven.
  • Het systeem was erg onpraktisch: eerst moest het Bureau van consultatie beoordelen of een procedure noodzakelijk was, daarna moest een verzoek tot de rechter worden gericht om kosteloos te mogen procederen en vervolgens konden de advocaat,de deurwaarder en de griffier proberen hun salaris bij de tegenpartij te innen.
  • In de praktijk bleek dat het systeem van het ‘verminderd tarief’ niet werkte. Slechts in een klein deel van de zaken was de rechtszoekende in staat om de helft van de kosten te betalen. En dat terwijl hij wél in staat zou zijn geweest om een kleinere bijdrage te leveren.[7]

Wetsvoorstel Donker

Gelijk het voorstel van de Advocaten Vereniging en naar voorbeeld van de Engelse Legal Aid and Advice Bill 1948 diende minister L.A. Donker wetsvoorstel in ter verbetering van dit systeem. Hij koos voor een stelsel met een Bureau voor Rechtsbijstand.

Bureau voor Rechtsbijstand

In ieder arrondissement zou een Bureau voor Rechtsbijstand aan on- en minvermogenden komen (Bureau voor Rechtsbijstand). Het Bureau voor Rechtsbijstand zou zowel advies gaan geven als rechtsbijstand in procedures, behalve in straf- en tuchtzaken. Het Bureau voor Rechtsbijstand zou tijdens het spreekuur iedereen kunnen ontvangen en zo mogelijk terstond helpen, bijvoorbeeld met eenvoudig advies ‘of door schikking na oproeping van partijen in een geschil.[8]

In procedures of bij meer ingewikkelde zaken zou door het Bureau voor Rechtsbijstand een advocaat worden toegewezen, die de verzoeker vervolgens aan zijn eigen kantoor zou bijstaan, net als betalende cliënten. Omdat de procedure bij de kantonrechter niet noodzakelijk de bijstand van een advocaat vereiste, achtte minister Donker het niet nodig (en ook niet mogelijk) om in die zaken rechtsbijstand te verlenen. Volstaan zou dan kunnen worden met de aanwijzingen van een gemachtigde (‘kantonrechtsgemachtigde’) die voldoende kennis van zaken zou hebben, zoals een deurwaarder of een kandidaatsdeurwaarder. Mede om die reden zouden ook deurwaarders bij het Bureau voor Rechtsbijstand komen te werken.

Bureau voor Rechtsbijstand: kosten en eigen bijdrage

Naar het ontwerp besluit het Bureau voor Rechtsbijstand zelfstandig of iemand in aanmerking komt voor gratis juridisch advies of gratis rechtsbijstand. Als een procedure noodzakelijk was dan oordeelde het Bureau voor Rechtsbijstand tevens over de eventuele vrijstelling van het griffierecht en de kosten voor de deurwaarder (‘gratis admissie verlening’). Niet langer zou de rechter hierover eerst een oordeel hoeven te geven. Het Bureau voor Rechtsbijstand zou van geval tot geval bepalen wat de cliënt aan eigen bijdrage diende te betalen. Deze eigen bijdrage zou in veel gevallen misschien een heel klein bedrag betreffen, maar er zou ook een ‘psychologisch effect’ van uitgaan. Hij zou ‘niet geheel aan de welwillendheid van het bureau afhankelijk zijn’. Deze eigen bijdrage kwam ten goede aan het Bureau voor Rechtsbijstand.

Bureau voor Rechtsbijstand: toevoeging

Indien een niet aan het Bureau voor Rechtsbijstand verbonden advocaat iemand gratis wilde bijstaan, dan diende hij naar het voorstel van minister Donker een verzoek te richten aan het Bureau voor Rechtsbijstand om ‘gratis admissie te verkrijgen’.

Kritiek op het wetsontwerp Donker

Vanuit de advocatuur werd het wetsvoorstel Donker met kritiek onthaald. In 1954 werd het wetsvoorstel op een speciaal daartoe gehouden vergadering van de Orde van Advocaten zelf door een grote meerderheid ‘onaanvaardbaar’ verklaard.[9] De advocatuur toonde zich voorstander van een regeling waarin iedere advocaat, wanneer hij dat zou willen, betrokken zou kunnen zijn bij de rechtsbijstand aan on- en minvermogenden.

Deze kritiek uit de advocatuur werd in de Vaste commissie voor justitie in de Tweede Kamer gehoord, zij het dan voornamelijk waar het de bekostiging van de middelen betrof. Het voorstel van Donker op zichzelf genomen (afschaffing van het pro-deo karakter en uitbreiding van deze rechtsbijstand). ‘Zij achtte[…] het juist, dat de zinloze tijd- en geldverslindende gratis-admissie-procedure bij rechtbank en kantongerecht wordt af geschaft.[10]

De commissie toonde zich er voorstander van dat:
het bestaande systeem, waarbij de rechtsbijstand niet wordt verleend door een bureau, doch door een individuele advocaat, in verbeterde vorm gehandhaafd werd. Huns inziens behoort de gehele balie, voor zover zij daartoe bereid is, aan de rechtsbijstand aan on- en minvermogenden te blijven deelnemen, doch dan met dien verstande, dat de Overheid voor deze werkzaamheden een zekere vergoeding toekent, welke lager, zelfs belangrijk lager kan zijn dan die volgens het normale tarief.[11]

Verder vreesde de commissie dat als gevolg van het wetsontwerp de belangstelling van de ‘bureau-advocaat’ voor rechtzoekenden zou verminderen. Tevens werd aangenomen dat wanneer twee partijen tegen elkaar procederen met de bijstand van twee advocaten van het Bureau voor Rechtsbijstand, dat dan al snel zou worden gemeend dat die twee wellicht ‘onder één hoedje zouden spelen’. Voorts was de commissie van mening dat eenieder, dus ook mindervermogenden, het recht hadden tot vrije advocaatkeuze:

‘Nu het beginsel van vergoeding van Overheidswege voor het verlenen van rechtsbijstand aan on- en minvermogenden zal worden aanvaard, achtten deze leden concentratie daarvan bij één bureau in plaats van spreiding over alle advocaten, die daarvoor in aanmerking willen komen, ook daarom een nadeel, omdat het eerste stelsel niet tegemoet komt aan de behoefte aan vrije keuze. In beginsel behoort huns inziens iedere rechtzoekende, ook de onvermogende, zelf zijn advocaat te kunnen kiezen, zoals hij in beginsel ook zelf zijn dokter kan kiezen. Bij de huidige toestand, waarbij de Overheid geen vergoeding toekent, doch de advocaten verplicht hun diensten gratis te verlenen, kan van vrije keuze geen sprake zijn; daar bepaalde advocaten dan al spoedig overbelast zouden geraken en de last zeer ongelijk verdeeld zou worden. Vergoedt men daarentegen een redelijk, zij het ook bescheiden bedrag, voor deze hulp, dan kan men aan de rechtzoekende ook toestaan, eventueel binnen zekere grenzen, om zich te wenden tot degene, in wie hij het meeste vertrouwen heeft. Wie geen voorkeur heeft, kan een raadsman volgens toerbeurt toegewezen krijgen.[12]

Aan deze kritiek werd door minister I. Samkalden, de opvolger van Donker, gehoor gegeven. Gezocht werd naar een oplossing ‘die inschakeling van alle advocaten bij de hulp aan toegevoegde cliënten mogelijk maakt en daarnaast een zekere honorering van de gepresteerde hulp waarborgt.’[13] Opmerkelijk is wel dat daarmee alle andere initiatieven van het oorspronkelijke wetsontwerp kwamen te vervallen.[14] Vooral nu ook de ‘gratis-admissie procedure’ zou blijven bestaan; een procedure die de commissie unaniem als geld- en tijdverslindend werd beschouwd (zie hierboven).


Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden (Wet van 4 juli 1957, Stb. 1957, 233)

Op 1 januari 1958 werd de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden van kracht, naar het (wat uitgeklede) wetsvoorstel van minister Donker (Stb. 1957, 233). De huidige Bureaus van Consultatie bleven bestaan, maar daar zouden naast advocaten ook tenminste één deurwaarder en één deskundige op het gebied van het maatschappelijk werk deel van uitmaken. Daarnaast kende artikel 8 van deze wet de bevoegdheid toe aan de minister tot het geven van een nadere regeling met betrekking tot het soort zaken waarin rechtsbijstand zou worden verleend. De Bureaus zouden hun terrein gaan uitbreiden tot het arbeidsrecht, het sociale verzekeringsrecht, het bestuursrecht recht en het fiscale recht.[15]

Zie voor de verdere geschiedenis: Bureau voor Rechtshulp

[1]Kamerstukken II, 1953/54, 3266 nr. 1, p. 1.

[2]C.J.M. Schuyt, C.A. Groenendijk & B. Sloot, De weg naar het recht. Een rechtssociologisch onderzoek naar de samenhangen tussen maatschappelijke ongelijkheid en juridische hulpverlening, Deventer: Kluwer 1976, p. 6.

[3]C.J.M. Schuyt, C.A. Groenendijk & B. Sloot, De weg naar het recht. Een rechtssociologisch onderzoek naar de samenhangen tussen maatschappelijke ongelijkheid en juridische hulpverlening, Deventer: Kluwer 1976, p. 6.

[4]C.J.M. Schuyt, C.A. Groenendijk & B. Sloot, De weg naar het recht. Een rechtssociologisch onderzoek naar de samenhangen tussen maatschappelijke ongelijkheid en juridische hulpverlening, Deventer: Kluwer 1976, p. 10-11.

[5]C.J.M. Schuyt, C.A. Groenendijk & B. Sloot, De weg naar het recht. Een rechtssociologisch onderzoek naar de samenhangen tussen maatschappelijke ongelijkheid en juridische hulpverlening, Deventer: Kluwer 1976, p. 12-15.

[6] Kamerstukken II, 1953/54, 3266 nr. 3, p. 2.

[7] Kamerstukken II, 1953/54, 3266 nr. 3, p. 2-3.

[8] Kamerstukken II, 1953/54, 3266 nr. 3, p. 3.

[9] C.J.M. Schuyt, C.A. Groenendijk & B. Sloot, De weg naar het recht. Een rechtssociologisch onderzoek naar de samenhangen tussen maatschappelijke ongelijkheid en juridische hulpverlening, Deventer: Kluwer 1976, p. 25.

[10] Kamerstukken II, 1953/54, 3266 nr. 4, p. 3.

[11] Zie over deze overweging nader: C.J.M. Schuyt, C.A. Groenendijk & B. Sloot, De weg naar het recht. Een rechtssociologisch onderzoek naar de samenhangen tussen maatschappelijke ongelijkheid en juridische hulpverlening, Deventer: Kluwer 1976, p. 26.

[12] Kamerstukken II, 1953/54, 3266 nr. 4, p. 2.

[13] Kamerstukken II, 1953/54, 3266 nr. 5, p. 2.

[14] C.J.M. Schuyt, C.A. Groenendijk & B. Sloot, De weg naar het recht. Een rechtssociologisch onderzoek naar de samenhangen tussen maatschappelijke ongelijkheid en juridische hulpverlening, Deventer: Kluwer 1976, p. 31.

[15] C.J.M. Schuyt, C.A. Groenendijk & B. Sloot, De weg naar het recht. Een rechtssociologisch onderzoek naar de samenhangen tussen maatschappelijke ongelijkheid en juridische hulpverlening, Deventer: Kluwer 1976, p. 35.