Gratis juridisch advies



Stel hier je vraag:

(60 c/m)

U kunt uw juridische vraag ook stellen per e-mail of per chat:
  • Betaal € 14,99
  • Wij geven u juridisch advies (meestal binnen een dag),
  • Geef ons een beoordeling en vul het formulier in
  • Wij storten € 14,99 terug!
Waarom?
Door de betaling van € 14,99 krijgen wij alleen serieuze vragen en geen spam. Het advies is gratis omdat wij u terugbetalen. Lees hier de toelichting!

  Ik accepteer de algemene voorwaarden
Vraag stellen    Gratis juridisch advies    Gratis juridisch advies


Planschade

Planschade is de schade die u lijdt als gevolg van planologische wijzigingen. Denk bij planschade bijvoorbeeld aan een wijziging- of vrijstelling van het bestemmingsplan, waardoor een gebouw naast of vlakbij uw perceel kan worden gebouwd. Dit kan leiden tot minder uitzicht, schaduwwerking (planschade: minder bezonning), meer geluidsoverlast (planschade: bij aanleg nieuwe weg), aantasting privacy, beperking in de gebruiksmogelijkheden etc. En deze factoren kunnen weer van invloed zijn op de waarde van uw pand of grond, waardoor u planschade kunt lijden. In bepaalde gevallen kunt u een tegemoetkoming van de overheid (gemeente) krijgen ter compensatie van deze schade (planschade).

Voorwaarden voor planschade


  • In artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) staat precies omschreven welke planologische maatregelen aanleiding kunnen geven tot het vergoeden van planschade.
  • In elk geval mag de schade niet voorzienbaar zijn geweest, d.w.z. op het moment van aankoop van uw pand mag de planologische maatregel nog niet bekend zijn.
  • Normaal maatschappelijk risico: tenminste 2 % van de waarde van uw pand blijft voor eigen rekening: b.v. Uw pand is € 200.000 waard, dan heeft u € 4.000 eigen risico, stel de waardevermindering wordt op € 16. 000 getaxeerd, dan ontvangt u € 12.000.
  • Bij de aanvraag voor planschade dient u een recht te betalen. In de wet staat € 300, maar dit kan per gemeente verschillen, tot max. € 500. Bij toekenning van planschade wordt dit recht terug gestort.
  • Verjaring: Het verzoek tot planschadevergoeding moet binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de planologische maatregel ingediend worden.


Planschade - oorzaken

Artikel 6.1 lid 1Wro bepaalt dat alleen een vergoeding voor planschade kan worden verkregen als deze planschade bestaat uit een waardevermindering van een onroerende zaak (een gebouw, een stuk grond), of als de planschade een inkomensderving betreft. Deze planschade moet verder zodanig zijn dat deze in redelijkheid niet door de burger kan worden gedragen, terwijl hij evenmin voor deze planschade verzekerd is'. Artikel 6.1 lid 1Wro:

'Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.'

In het tweede lid staat vervolgens een lijst met 'oorzaken' als gevolg waarvan de planschade is (of zal) ontstaan. Het moet dan (kort weergegeven) gaan om:

  • een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan,
  • een wijziging van een bestemmingsplan,
  • een besluit omtrent een omgevingsvergunning,
  • een bepaling van een provinciale verordening,
  • een bepaling van een exploitatieplan,
  • een koninklijk besluit ten behoeve van de landsverdediging.


Alleen bij deze in artikel 6.1 lid 2 genoemde (planschade) schadeveroorzakende besluiten is het mogelijk om een tegemoetkoming voor de planschade te krijgen. Ondervindt u planschade terwijl deze niet het gevolg is van een van de in dit artikel genoemde oorzaken, dan is voor deze planschade geen vergoeding te verkrijgen. Voor tegemoetkoming in planschade buiten de in die bepaling limitatief opgesomde gevallen is namelijk geen plaats (zie bijvoorbeeld ABRvS 4 april 2012, LJN: BW0795).

Doorgaans zal het college van burgemeester en wethouders (hierna: B&W) besluiten over de aanvraag tot vergoeding van de planschade, maar in bepaalde gevallen oordeelt Gedeputeerde Staten of de Minister van Infrastructuur en Milieu over planschade (art. 6.6 Wro). Wel moet de aanvraag om tegemoetkoming in de planschade altijd worden ingediend bij B&W (art. 6.6 lid 4 Wro).

Degenen die planschade lijden zijn doorgaans eigenaren, erfpachters, vruchtgebruikers, verhuurders, huurders, pachters of ondernemers (T. ten Have & J.J. Thoonen, Den Haag: SDU, 2011, p. 23).

Planschade: welke schade?

Enkel inkomensschade en waardevermindering van een onroerende zaak kunnen worden aangemerkt als planschade. Wat is Planschade? Hebt u bijvoorbeeld een winkel aan een drukke straat en wordt deze straat als gevolg van een planologische wijziging plotseling een heel rustige straat, dan zal dit tot inkomensschade / inkomensderving kunnen leiden. Planschade denkt u! In dat geval kan sprake zijn van planschade. Ook kan sprake zijn van Planschade als een nieuw bestemmingsplan het bijvoorbeeld mogelijk maakt dat naast uw bedrijf nieuwe woningen kunnen worden gebouwd. De Planschade is dan dat uw bedrijf hierdoor niet meer zal kunnen uitbreiden.

Planschade: wanneer?

Er is sprake van planschade als de schade die iemand ondervindt rechtstreeks het gevolg is van een planologische maatregel (causaal verband). Voor Planschade moet er daarbij sprake zijn van een planologische nadeliger situatie. Om dit laatste vast te stellen moet er voor planschade dus een vergelijking plaats vinden tussen de oude en de nieuwe planologische situatie (zie hieronder meer over deze situatie bij planschade).


Een planologische maatregel kan verder ook zowel positieve als negatieve gevolgen hebben (planschade). Bij de beoordeling van de planschade moet ook met deze voordelen rekening worden gehouden. Stel dat als gevolg van de wijziging van een bestemmingsplan een snelweg dichter bij iemands huis komt te liggen (planschade). Maar worden ook geluidswerende schermen geplaatst, dan wordt de planschade deels deels gecompenseerd met de vermindering van de geluidsoverlast van het verkeer door het geluidwerende scherm (minder planschade).

Voorbeeld van planschade: verkeersoverlast

Als er bijvoorbeeld te hard wordt gereden of auto’s verkeerd worden geparkeerd waarvan u hinder ondervindt (en mogelijk zelfs schade). Is dit dan planschade? Nee, dit is geen planschade. Schade die het gevolg is van het niet naleven van verkeersregels is geen planschade, immers is de planologische wijziging er niet voor bedoeld dat nu de verkeersregels niet meer in acht hoeven te worden genomen (dus geen planschade; vgl. Rb Rotterdam 9 december 2010, LJN: BO6799).

Voorbeeld van planschade: meer concurrentie

‘Dat [appellant] schade lijdt in de vorm van omzetdaling kan een gevolg zijn van toegenomen concurrentie, maar dit betekent nog niet dat die schade, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, aan de besluiten van 18 oktober 2005 en 28 maart 2006 kan worden toegerekend (red. 'dus geen planschade'). Daarvoor is het verband te ver verwijderd. Van een toerekening zou wel sprake kunnen zijn, indien de planologische maatregel op zichzelf een directe omzetdaling zou veroorzaken, zoals bijvoorbeeld het geval is bij wegverleggingen (red. 'dan mogelijk planschade').. Dit doet zich hier echter niet voor.’ (ABRvS 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1727).

Voorbeeld van planschade: asielzoekerscentrum

‘Voor zover [appellanten] betogen dat een asielzoekerscentrum niet vergelijkbaar is met het voorheen ter plaatse aanwezige klooster met een bezetting van 10 tot 20 religieuzen, faalt dit betoog, aangezien niet de feitelijke situatie onder het voorheen geldende planologische regime van belang is, maar hetgeen op grond van dat regime uit planologisch oogpunt maximaal had kunnen worden gerealiseerd (red. 'dus geen planschade'). [...] Anders dan [appellanten] hebben betoogd, is dan ook niet gebleken dat het asielzoekerscentrum een nadeliger ruimtelijke uitstraling heeft dan bijvoorbeeld een jeugdinternaat.’ (red. 'dus geen planschade').(ABRvS 23 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD0328).

Voorbeeld van planschade: coffeeshop / drugsverslaafden

‘Anders dan appellanten stellen, voorziet het bestemmingsplan "Arsenaal" niet in de mogelijkheid van vestiging van coffeeshops op het perceel. Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 21 april 2004) ten aanzien van de desbetreffende coffeeshops heeft overwogen, kan de verkoop van softdrugs in planologisch opzicht niet worden gereguleerd, omdat deze activiteit verboden is. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de door appellanten gestelde schade (red. planschade?) veroorzaakt wordt door de overlast ten gevolge van het niet naleven van wettelijke voorschriften die bij de planologische vergelijking buiten beschouwing dient te blijven.’(ABRvS 4 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3100).

Planologische vergelijking

Bij de beoordeling of er sprake is van planschade moet de oude planologische situatie worden vergeleken met de nieuwe planologische situatie. ‘Daarbij is voor planschade wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.’(ABRvS 23 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD0328).

Er wordt bij planschade dus niet gekeken naar de feitelijke situatie, maar naar wat maximaal is toegestaan volgens bijvoorbeeld het bestemmingsplan. Stel dat er (feitelijk) een kantoorgebouw van 8 meter hoog naast uw pand staat. Onder het nieuwe planologische regime wordt een gebouw van 11 meter hoogte toegestaan, echter onder het oude planologische regime mocht al tot 10 meter hoog gebouwd worden. Hier zal de planschade dus worden vastgesteld door niet uit te gaan van de feitelijke situatie (8 meter), maar van de maximaal toegestane hoogte (10 meter).

Zelfs indien deze maximaal mogelijke situatie in het bestemminsplan ‘niet realistisch’ zou zijn of in de praktijk niet haalbaar, dan nog dient de vergelijking wel hierop te worden gebaseerd:

‘De rechtbank heeft gelet hierop terecht geoordeeld dat de in het taxatierapport gestelde schade (red. planschade) betreffende de ligging van de woning, ten onrechte in belangrijke mate is gebaseerd op het - onjuiste - uitgangspunt dat niet mag worden uitgegaan van de voor [appellant sub 2] meest ongunstige invulling van de bouwmogelijkheden van het oude bestemmingsplan. Dat de maximale benutting van het bebouwingsvlak in de oude planologische situatie volgens de taxateur 'niet realistisch' is, is slechts een veronderstelling die voor diens rekening dient te blijven.’ (ABRvS 22 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV2272).

Uitzondering planschade

Bij planschade geld op het voorgaande een uitzondering: alleen wanneer realisering van de maximale mogelijkheden ‘met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten‘, kan dit meebrengen dat van het uitgangspunt van schadebegroting aan de hand van een planologische vergelijking kan worden afgeweken bij planschade:

‘Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden (red. dus planschade). Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.’ (ABRvS 25 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:745)

Peilmoment planschade

In de Wro wordt niet bepaald op welk moment de planschade moet worden vastgesteld. Dat is dus de peildatum voor de planschade. In de rechtspraak blijkt dat het peilmoment voor planschade bij de schade die voortkomt uit een bestemmingsplan, een uitwerkingsplan of een wijzigingsplan de dag na afloop van de termijn van 6 weken waarbinnen tegen dit plan beroep kan worden ingesteld bij de rechter (ABRvS). Zo wordt de planschade getaxeerd naar een moment in het verleden, namelijk het moment van het onherroepelijk worden van de planologische maatregel. Betreft de planschade bijvoorbeeld de waardedaling van uw pand als gevolg van een gewijzigd bestemmingsplan, dan wordt voor planschade gekeken naar de waarde van uw pand op het moment onmiddellijk voor en na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

Planschade voorzienbaar?

Op het moment dat de aanvrager die planschade heeft en planschadevergoeding wil bijvoorbeeld een huis heeft gekocht terwijl op dat moment reeds bekend was gemaakt dat het planologische regime zou wijzigen (planschade is dan voorzienbaar), dan wordt ervan uitgegaan dat hij deze ‘schade’ heeft geaccepteerd en dat deze ook in de koopprijs zal zijn verdisconteerd (Kamerstukken II 2003/03, 28916, nr. 30, p. 64). Ook op het moment dat hij dit misschien niet daadwerkelijk heeft geweten (planschade is dan voorzienbaar, maar niet bekend) en de koopprijs ook niet is verminderd vanwege deze planologische wijzigingen, zal hem toch ‘voorzienbaarheid’ worden tegengeworpen. Planschade door een maatregel die je dus had kunnen voorzien blijft voor eigen rekening. Een voorbeeld van planschade:

‘De rechtbank neemt in aanmerking, dat volgens vaste jurisprudentie de voorzienbaarheid van een planologische wijziging dient te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in nadelig opzicht zou veranderen (red. planschade voorzienbaar).

[naam 4] heeft de woning aangekocht op 22 juni 2002. Uit de stukken is af te leiden dat op 17 september 2001 het voorontwerpbestemmingsplan Landelijk Gebied 4e herziening, waarin de plaatsing van de in geding zijnde windturbines planologisch regeling vindt, voor inspraak ter inzage is gelegd. Daarenboven is op 21 maart 2002 het bouwplan voor de windturbines met vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, WRO gedurende 4 weken ter inzage gelegd. De rechtbank is van oordeel dat eiser vanaf 17 september 2001, en in ieder geval vanaf 21 maart 2002, rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat de planologische situatie te zijnen nadeel (red. is planschade) zou veranderen, en dat mitsdien de planologische wijziging ten tijde van de aankoop van de woning voor [naam 4] voorzienbaar was.’(Rb Middelburg 23 december 2010, ECLI:NL:RBMID:2010:BP6859).

Normaal maatschappelijk risico bij planschade

De regering heeft als uitgangspunt genomen dat iedereen die nadeel ondervindt als gevolg van een ontwikkeling in de samenleving, (dus ook bij planschade) dit nadeel in principe zelf moet dragen. Pas op het moment dat dit nadeel (de planschade) zodanig groot is dat het in redelijkheid niet meer door deze persoon kan worden gedragen, kan de overheid daaraan tegemoet komen en een deel van deze planschade vergoeden (Kamerstukken II, 2002/03, 28916, nr. 3, p. 111). Artikel 6.2 Wro bepaalt daarom over planschade:

1.Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager.

2.In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:

  1. a. van schade in de vorm van een inkomensderving: een gedeelte gelijk aan twee procent van het inkomen onmiddellijk voor het ontstaan van de schade;
  2. b. van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:

    1. 1. van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond, of
    2. 2. van op de onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.

De wet geeft dus in principe een forfaitair ‘eigen risico’ bij sommige planschade, namelijk van 2% van de waardevermindering van de onroerende zaak of geleden inkomstenderving, omdat dit wordt gezien als een normaal maatschappelijk risico en dus niet als planschade. Maar op dit forfaitaire eigen risico worden dus twee uitzonderingen gemaakt, namelijk voor gevallen waarbij sprake is van ’directe planschade’.

Directe planschade

Wat is directe planschade? En wat is het verschil met indirecte planschade? Hoe weet ik wat directe planschade is en wat indirecte planschade is? Wanneer er op het perceel naast uw woning een kantoorgebouw wordt gebouwd (bijvoorbeeld door een wijziging van het bestemmingsplan), dan kan dit de waarde van uw woning negatief beïnvloeden (dus planschade). Uw woning wordt in dat geval door de wijziging van het bestemmingsplan indirect minder waard, namelijk de planschade: er is sprake van indirecte planschade.

Zou echter een wijziging van het bestemmingsplan de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van uw perceel beperken (dus eveneens planschade), dan heeft dat directe gevolgen voor de waarde van uw perceel, namelijk de planschade: er is sprake van directe planschade. Voor de gevallen waarbij sprake is van direct planschade wordt dus een uitzondering gemaakt op het forfaitaire eigen risico van twee procent. Zie hierboven artikel 6.2 lid 2 sub b onder 1 en 2 Wro.

Hoogte bij planschade van de planschadevergoeding

Bij het vaststellen van de planschade wordt gekeken naar de waarde van een pand, namelijk naar de prijs die een fictieve koper hiervoor zou betalen. Daarbij wordt bij planschade uitgegaan van wat een ‘redelijk handelend en denkend koper’ zal betalen en of hij zijn prijs zal bijstellen als gevolg van de nieuwe planologische maatregelen (eventuele planschade). Zou u het pand dus daadwerkelijk verkopen voor een lagere prijs, dan is dit verlies niet automatisch gelijk aan de planschade die u hebt geleden:

‘De schade (red. eventuele planschade) wordt vastgesteld op het verschil tussen de prijs die de woning zou hebben opgeleverd onder het oude planologische regime en de prijs in de nieuwe situatie. Uitgegaan wordt daarbij van de prijs die een redelijk denkend en handelend koper onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de planologische wijziging en op het tijdstip direct daarna voor de woning zou hebben geboden. Die koper wordt geacht uit te gaan van maximale invulling van het planologische regime vlak voor en vlak na de peildatum en zijn prijs daarop af te stemmen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is, op welke wijze de daadwerkelijk gerealiseerde verkoopprijs tot stand is gekomen. Die prijs kan het resultaat zijn van allerlei andere factoren, waarin geen inzicht bestaat. Dat geldt in dit geval te meer nu de in de koopakte en leveringsakte vermelde verkoopprijzen niet eenduidig zijn. De door Bernheze getaxeerde waarde van de woning na de planologische wijzigingen, die gebaseerd is op de gestelde gerealiseerde verkoopprijs van de woning, biedt daarom geen grond voor het oordeel dat de door Van Montfoort getaxeerde waarde van de woning na de planologische wijzigingen onjuist is.’(ABRvS 3 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO2722).

Vaak wordt de hoogte van de te verwachten planschadevergoeding bij planschade overschat. In het algemeen kunnen we stellen dat bij ‘lichte’ planschade 2 a 3% van de waarde voor de planologische maatregel wordt vergoed, bij matig ‘zware’ planschade 5 % en bij ‘zware’ planschade 7-9 % van de waarde voor de planologische maatregel wordt vergoed. Uitkeringen van 10 % en hoger zijn bij planschade zeer zeldzaam en vinden eigenlijk alleen plaats in het geval van directe planschade.

‘De SAOZ heeft het planologisch nadeel (red. planschade) gekwalificeerd als ‘zeer zwaar’. De SAOZ heeft aan de hand van controlepercentages aangetoond dat de waardevermindering (red. planschade) van € 20 000 een waardeverschil van ruim 8% ten opzichte van de getaxeerde waarde voorafgaand aan de planologische wijziging betekent, hetgeen past bij de in dit geval gehanteerde kwalificatie.’

Van lichte planschade kan worden gesproken indien zich één of twee schadefactoren in een niet al te ingrijpende mate voordoen, waarbij dan wordt uitgegaan van een waardevermindering tot circa 4% planschade. Van een middelzware planschade (4 tot 6 a 7%) kan gesproken worden indien zich meer dan enkele schadefactoren manifesteren, waarvan ten minste één in dominante mate. Van zware planschade kan gesproken worden in geval van een reeks schadefactoren, waarvan enkele in dominante mate. In deze categorie van ‘zware planschade’ kan de waardevermindering (planschade) oplopen tot circa 10%. Planschade wordt ‘bovenmatig’ genoemd indien de waardevermindering (planschade) meer dan 10% bedraagt (Noot J.W. van Zundert onder: ABRvS 29 april 2009, BR 2009, 120 m.nt. J.W. van Zundert).

Bij planschade kan zowel vergoeding worden gevraagd van de planschade, als ook de wettelijke rente. Naast de planschadevergoeding kan namelijk aanspraak worden gemaakt op wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de aanvraag en kan ook worden verzocht om vergoeding van de in redelijkheid gemaakte kosten voor juridische bijstand en andere deskundige bijstand (art. 6.5 Wro). Bij planschade komt dus heel wat kijken.

Voorbeelden van planschade

Extra bebouwing ten westen/zuidwesten van vrijstaande woning aanvrager, gevolg: planschade, minder uitzicht en minder bezonning, resultaat: waardedaling van € 435.000 naar € 420.000 planschade. Zie hier de uitspraak: (ABRvS 20 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2014:122).

Nieuw bedrijfsterrein op 40 meter van vrijstaande woning. Resultaat: planschade, waaardedaling van € 205.000 naar € 195.000 planschade. Zie hier de uitspraak: (ABRvS 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:54).

Planschade en WOZ-waarde

Stel dat de WOZ waarde van uw woning na een planologische wijziging wordt verlaagd. Is de planschade dan gelijk aan het verschil in de WOZ waarde?

In de vaststelling van de WOZ waarde in 2005 en 2008 heeft de gemeente Westvoorne na diverse bezwaarschriften en discussies de WOZ-beschikking op planologische gronden verlaagd. De eigenaren van de woningen menen aanspraak te maken op planschade van € 49.000,- (eiser 1) en € 45.000,- (eiser 2) verhoogd met de wettelijke rente vanaf 2005. De rechtbank overweegt:

‘De bijstelling vormt […] geen indicatie voor het ontstaan van planschadevergoeding. De beoordeling van een planschade verzoek betreft een vergelijking van de planologische regimes, waar de maximale planologische mogelijkheden als uitgangspunt worden genomen, terwijl bij de bepaling van de WOZ waarde van een woning de feitelijke situatie wordt beoordeeld.’ (Rb Rotterdam 9 december 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO6799).

Procedure bij planschade

Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming voor planschade moet een aanvraag voor vergoeding van de planschade worden ingediend bij B&W (verzoek planschadevergoeding). In het verzoek tot vergoeding van planschade moet gemotiveerd wordt aangegeven om welke planschade het gaat met een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde tegemoetkoming (art. 6.1 lid 3 Wro). Op grond van artikel 6.1.2.2. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet de aanvraag tot vergoeding van planschade (verzoek planschadevergoeding) in elk geval vermelden:

  • de oorzaak, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de wet, ter zake waarvan een tegemoetkoming in de planschade wordt gevraagd;
  • een aanduiding van een omschrijving van de wijze waarop aan de planschade naar het oordeel van de aanvrager tegemoet dient te worden gekomen indien hij geen vergoeding in geld wenst.

Na het indienen van de aanvraag voor vergoeding van planschade zal van de aanvrager door burgemeester en wethouders worden verzocht om een recht (leges/ retributie) te betalen. Pas daarna zal het verzoek tot vergoeding van planschade inhoudelijk worden beoordeeld. Dit recht moet binnen vier weken nadat daarom gevraagd is door B&W zijn ontvangen. Als te laat zou worden betaald, dan is het verzoek tot vergoeding van planschade niet-ontvankelijk en zal daarop niet inhoudelijk worden geoordeeld (art. 6.4 lid 2 Wro).. Het recht bedraagt € 300, welk bedrag bij verordening van de gemeenteraad met ten hoogste twee derde deel kan worden verhoogd of verlaagd (art. 6.4 lid 3 Wro). Indien op de aanvraag tot vergoeding van planschade geheel of ten dele positief wordt beslist, storten burgemeester en wethouders aan de indiener het door hem betaalde recht terug verlaagd (art. 6.4 lid 4 Wro).

De lengte van de procedure tot vergoeding van planschade om planschadevergoeding te verkrijgen ligt tussen 9 maanden en 1 ½  jaar. Dit is dan afgezien van een eventuele vervolgprocedure bij planschade: de procedure in bezwaar bij planschade, beroep bij de rechter bij planschade en hoger beroep bij de Raad van State bij planschade. De totale procedure tot vergoeding van planschade kan dan wel 5 jaar duren.

Verjaring bij planschade

In beginsel geldt dat de aanvraag om tegemoetkoming in de planschade moet worden ingediend binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de planologische maatregel die volgens de aanvrager de schade (planschade) heeft veroorzaakt (art. 6.1 lid 4 Wro). Let dus altijd goed op de termijn en wacht niet te lang met het aanvragen van de planschadevergoeding bij planschade. Let er ook altijd op dat u een bewijs van ontvangst hebt gekregen zodat u kunt aantonen dat u tijdig de aanvraag tot vergoeding van de planschade hebt gedaan. Stop dus nooit op het laatste moment de aanvraag tot vergoeding van de planschade in de brievenbus op het gemeentehuis!