Maas in de wet

Fout in de wet

NuRecht ontdekt fout in huurwet – de minister: ‘De wet zal worden gewijzigd!’
In het huurrecht is bepaald dat de huurder een tijdelijke huurovereenkomst eerder mag opzeggen, indien dat nodig is om bijvoorbeeld voor het einde van de huurperiode een nieuwe woonruimte te vinden. Dat wordt bepaald in artikel 7:271 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Heel handig voor de huurder, want anders loopt je ene huurovereenkomst af, maar kun je misschien niet aansluitend een andere woning vinden. Daarom is het dus in de wet opgenomen.

Het huurrecht voor woonruimte is grotendeels ‘dwingend’ en daarom mag er niet in het nadeel van de huurder van worden afgeweken. In artikel 7:282 BW staat: “Van de artikelen 272 tot en met 281 kan niet ten nadele van de huurder dan wel onderhuurder worden afgeweken.”

Nu lijkt het niet logisch om de huurder bij tijdelijke woninghuur tussentijds te mogelijk laten opzeggen, als daarvan mag worden afgeweken in zijn nadeel. Wat heeft die bepaling dan voor zin? Dan kun je verwachten dat alle verhuurders toch bij tijdelijke huurovereenkomsten in het contract zullen zetten: “In afwijking van artikel 7:271 lid 1 BW mag de huurder niet tussentijds opzeggen." In de praktijk zou die bepaling dan eigenlijk een wassen neus worden.

Gedacht kan ook worden aan de vraag of een huurcontract voor bepaalde tijd met een minimale duur voor de tijd van een jaar (zoals in de praktijk gebruikelijk is) nog mogelijk is, of dat dit dan automatisch gezien zou moeten worden als een contract voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar. Dat laatste contract zou dan immers tussentijds door de huurder kunnen worden opgezegd. Hierover gaf de minister al toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, Aanhangsel 653).

Daarom heeft NuRecht via de Tweede Kamer hierover om opheldering gevraagd bij de minister van Wonen en Rijksdienst, en die laat weten:

“Gezien de parlementaire geschiedenis is de veronderstelling gewettigd dat dit niet de bedoeling is van de wetgever. Het lijkt ook ongewenst. Ik zal dan ook bevorderen dat een voorstel tot aanpassing van dit artikel bij gelegenheid bij uw Kamer zal worden ingediend, door een volzin aan het artikellid toe te voegen waarmee wordt bepaald dat elk beding dat in strijd is met die vierde volzin nietig is.”



Antwoord van de minister

Nr. 53 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN EN RIJKSDIENST

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 december 2016

De commissie voor Wonen en Rijksdienst heeft mij bij schrijven d.d. 30 november 2016 verzocht te reageren op een vraag van de Stichting NuRecht over artikel 7: 271 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door de Wet doorstroming huurmarkt 2015 (Kamerstuk 34 373).

Bij deze geef ik hier gevolg aan.

De Stichting NuRecht stelt terecht dat in artikel 7: 271 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet is bepaald dat van de (vierde) volzin «De voor bepaalde tijd aangegane huur, bedoeld in de tweede volzin, kan door de huurder voor het verstrijken van de bepaalde tijd worden opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs overeengekomen dag.» niet kan worden afgeweken. Gezien de parlementaire geschiedenis is de veronderstelling gewettigd dat dit niet de bedoeling is van de wetgever. Het lijkt ook ongewenst. Ik zal dan ook bevorderen dat een voorstel tot aanpassing van dit artikel bij gelegenheid bij uw Kamer zal worden ingediend, door een volzin aan het artikellid toe te voegen waarmee wordt bepaald dat elk beding dat in strijd is met die vierde volzin nietig is.

Of de bankgarantie die de stichting noemt in strijd is met artikel 7: 264 van het Burgerlijk Wetboek zal door de rechter moeten worden beoordeeld wanneer dit aan hem wordt voorgelegd.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

Zie hier het Kamerstuk of download hier de brief