Examen rijinstructeur



Stel gratis je vraag:

(60 c/m)

Of stel uw juridische vraag per e-mail of per chat:
  • Betaal € 24,99
  • U krijgt juridisch advies (meestal binnen een dag)
  • Beoordeel NuRecht en stuur het formulier op
  • Wij storten € 24,99 terug!
  • GRATIS!👍
Waarom?
Door de betaling van € 24,99 krijgen wij alleen serieuze vragen en geen spam. Het advies is gratis omdat wij u terugbetalen. Lees hier waarom!

  Ik accepteer de algemene voorwaarden
Stel je vraag  Gratis juridisch advies Gratis juridisch advies

Zwaard van Damocles boven rijinstructeurs, of wetswijziging?

Voor 1974 had je als rijinstructeur je examen voor het leven. Om te zorgen dat de kennis niet met de jaren minder zou worden, werd de Wet Rijonderricht Motorrijtuigen in 1974 van kracht. Vanaf dat moment was er een certificaat dat vijf jaar geldig was en om het te verlengen moest een examen worden gehaald. Voor het geval je dat niet haalde, dan verliep het certificaat na 7 dagen. Maar het certificaat kon met een half jaar worden verlengd als je ging herkansen, zodat je alle tijd had om het alsnog te halen. In 1993 werd de wet gewijzigd, maar deze verleningstermijn bleef hetzelfde.

In 2006 wordt de wet opnieuw gewijzigd en verdwijnt de mogelijkheid tot verlenging met 6 maanden, omdat de wetgever meent dat gemakkelijk vóór het verlopen van deze vijf jaren al het examen kan worden afgelegd. In 2009 volgt wederom een wetswijziging als gevolg van een Europese richtlijn en een de evaluatie van de doeltreffendheid van de Wet Rijonderricht Motorrijtuigen in de praktijk. Omdat verbetering mogelijk werd geacht, ontstond een nieuw systeem, namelijk met ´bijscholing´. De bijscholing wordt daarna tweemaal beoordeeld waarbij de laatste beoordeling voldoende moet zijn. Is dat niet het geval, dan krijg je een herkansing maar die moet dan wel voldoende zijn. En is dat niet het geval, dan verloopt het certificaat binnen 7 dagen en ben je geen rijinstructeur meer.

In de praktijk wordt deze manier van toetsen door veel instructeurs juist niet ervaren als een kwaliteitsverbetering, maar zoals door sommige rijschoolhouders getypeerd “een verplicht toneelstuk”. [1] Maar erger is het gevolg van zakken op het herkansingsexamen: je bent je baan kwijt, veel instructeurs zijn ZZP-ers, hebben geen recht op WW of andere voorzieningen.

De wetgever heeft ook dit onder ogen gezien en om die reden is een nieuwe wetswijziging voorgesteld. Daarin krijgt de gezakte rijinstructeur acht weken de tijd om alsnog het examen te halen. Afdwingen via de rechter dat die wetswijziging er sneller komt lijkt geen optie vanwege de Trias Politica ( de rechter gaat niet op de stoel zitten van de wetgever). Maar met een beetje geluk zou de rechter wel – bijvoorbeeld bij een voorlopige voorziening – rekening kunnen houden met deze wetswijziging en daarop vooruitlopend iets meer respijt kunnen geven.

Wet Rijonderricht Motorrijtuigen 1993

In artikel 22 Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (WRM) is bepaald dat het door de minister aangestelde instituut (art. 2 lid 1 en onder 1 WRM) moet toetsen of de rijinstructeur nog voldoende kennis heeft. Lid 2 en lid 4 bepalen verder:

  • “Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking alsmede bij gebreke van een positief toetsresultaat binnen de krachtens artikel 21, derde lid, vastgestelde termijn besluit het instituut onverwijld tot ongeldigverklaring van het certificaat van de houder.
  • De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na de dag waarop de beschikking tot ongeldigverklaring is bekendgemaakt.”


Die laatste bepaling is waar het hier vooral om te doen is. Waarom en wanneer is deze in de wet gekomen?

De Wet rijonderricht motorrijtuigen 1974 (WRM)

Met de invoering van de WRM werd een einde gemaakt aan een situatie waarin het een ieder vrijstond om rijonderricht te geven zonder dat tevoren van de bekwaamheid daartoe behoefde te zijn gebleken. Ingevoerd werd een wettelijk verbod om rijonderricht te geven zonder dat aan krachtens de wet vastgestelde bekwaamheidseisen is voldaan. Beoogd werd ook destijds een verbetering van de kwaliteit van het rijonderricht. De resultaten die met invoering van het stelsel van de WRM werden bereikt hadden evenwel niet in alle opzichten aan de verwachtingen beantwoord; het kwaliteitsniveau binnen de groep in Nederland werkzame rijinstructeurs en de door hen aangeboden opleiding varieerde sterk. Het systeem van de WRM was helaas mede debet aan dit verschijnsel. De vakbekwaamheid van rijinstructeurs werd toen uitsluitend getoetst bij gelegenheid van het instructeursexamen. [2]

Vier jaar geldig

Om te bewerkstelligen dat rijinstructeurs hun kennis op pijl zouden houden, werd door de wetgever voorgesteld om het certificaat dat behaald werd als het examen voldoende werd behaald, voor vier jaar geldig te laten zijn:

“De rij-instructeur die zich tijdens het examen voldoende vakbekwaam heeft betoond, verwerft daarmee de bevoegdheid tot het geven van rijonderricht voor een periode van vier jaar. Deze bevoegdheid wordt belichaamd in het certificaat. De wens om kwalitatieve verbetering van de rijopleiding duurzaam te doen zijn heeft ertoe geleid dat aan zodanig certificaat een beperkte geldigheidsduur is gegeven. Voorwaarde voor de afgifte van een nieuw certificaat en derhalve voor het behoud van bevoegdheid is een positief toetsresultaat, inhoudende dat betrokkene de vereiste mate van bekwaamheid heeft behouden. Met de introductie van een periodieke toets wordt beoogd de vakbekwaamheid van rij-instructeurs en daarmee de kwaliteit van de rij-instructie optimaal te waarborgen. Immers de voorgestelde regeling noopt rij-instructeurs er toe hun bekwaamheden op het vereiste peil te brengen of te houden. Een goede voorbereiding op de toets vormt naar mijn oordeel de deelname aan een applicatiecursus. Het is aan de vrije keuze van rij-instructeurs overgelaten of zij een dergelijke cursus al dan niet volgen. De ontwikkeling van applicatiecursussen is reeds ter hand genomen door de particuliere opleidingsinstituten.”[2]


Herkansing mogelijk?

In het voorstel van deze wet zouden rijinstructeurs dus periodiek herkeurd moeten worden en zij hadden dan zelf de keuze of zij zich vooraf zouden voorbereiden op dit periodieke examen via ene ‘applicatiecursus’. Wel zouden er voldoende herkansingsmogelijkheden zijn indien men zou zakken, of zoals de minister van verkeer en waterstaat het toelichtte:

“Ten behoeve van degenen die er niet in slagen de toets met goed gevolg af te leggen is voorzien in de mogelijkheid van herkansing, in die zin dat men de gelegenheid krijgt zich binnen een half jaar na dato alsnog voldoende vakbekwaam te betonen. In die gevallen zal de geldigheidsduur van het certificaat met zes maanden worden verlengd. Het aantal herkansingsmogelijkheden is niet gelimiteerd. Blijft echter de beoordeling van de vakbekwaamheid van betrokkene negatief dan vervalt na zes maanden de bevoegdheid tot het geven van rijonderricht. Deze bevoegdheid kan vervolgens herleven zodra betrokkene alsnog een toets met goed gevolg aflegt.” [3]


Risico voor de beroepstak

Het risico voor de beroepstak van rijinstructeurs werd toen door de wetgever onder ogen gezien:

“Erkend moet worden dat een stelsel van slagen voor de verplichte applicatietoets op straffe van verlies van bevoegdheid een risico van beroepsbeëindiging oplevert. In een systeem van verplichte cursussen zit een zodanig risico nauwelijks opgesloten: men behoeft slechts aanwezig te zijn op de cursus teneinde het beroep te kunnen continueren. Het is evenwel geenszins de bedoeling het stelsel van het wetsvoorstel uit te laten monden in sanering van de bedrijfstak. Het gaat erom dat de kwaliteit van de bedrijfstak wordt verhoogd. De ter zake van de toets te formuleren vakbekwaamheidseisen - waarop hierboven is ingegaan - zullen dienen als leidraad voor applicatiecursussen. Aangenomen mag worden dat rij-instructeurs die zodanige applicatiecursus zorgvuldig hebben gevolgd, redelijkerwijs zullen slagen voor de toets. Mocht men niet slagen voor de toets, dan zijn er geen beperkingen gesteld aan herkansing: telkens als men is gezakt, kan men een aanvraag doen voor een nieuwe toets. Voorts is erin voorzien (artikel 12, eerste lid, tweede volzin) dat de geldigheidsduur van het oude certificaat wordt verlengd met maximaal zes maanden indien de geldigheidsduur van het oude certificaat is verlopen en men nog niet is geslaagd voor de nieuwe toets. Te allen tijde herleeft de bevoegdheid als betrokkene de toets alsnog met goed gevolg aflegt.” [4]


Vijf jaar geldig, herkansing, verlening zes maanden

In de toen voorgestelde wet werd bepaald: [5]

“Een certificaat is geldig voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de dag van afgifte. Deze termijn kan door het instituut overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels één maal worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden ten behoeve van degene die de door het instituut afgenomen toets niet met goed gevolg heeft afgelegd. Het instituut plaatst hiertoe een aantekening op het certificaat.” [6]


En zo is dit uiteindelijk ook in de wet gekomen. Artikel 13 WRM bepaalde:

“Een certificaat is geldig voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de dag van afgifte. Deze termijn kan door het instituut één maal worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden ten behoeve van degene die de door het instituut afgenomen toets niet met goed gevolg heeft afgelegd. Het instituut plaatst hiertoe een aantekening op het certificaat.” [7]


Wetswijziging 2006

In 2001 komt de wetgever tot de conclusie dat het niet nodig is om verlening te geven van een half jaar indien de toets niet met goed gevolg is afgelegd. De wetgever stelt dat de rijinstructeurs feitelijk gemakkelijk alvast de toets opnieuw kunnen gaan afleggen in het half jaar, voorafgaande aan het verlopen van het certificaat, dus na 4,5 jaar:

“In de toelichting bij de voorgestelde wijziging van artikel 13 is gemeld dat de mogelijkheid is vervallen de geldigheidsduur van het certificaat eenmaal met zes maanden te verlengen indien de houder van het certificaat niet tijdig de toets met goed gevolg heeft afgelegd. In de praktijk blijken de zes maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur vaneen certificaat, voldoende te zijn om de toets tijdig en met goed gevolg te hebben afgelegd. In die zes maanden is het, mocht dat onverhoopt nodig zijn, mogelijk ten minste drie of vier keer de toets af te leggen. Eerder dan de zes maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat is wel mogelijk alleen dan verliest betrokkene een deel van de geldigheidsduur van het eerder afgegeven certificaat. Immers, ingevolge het tweede lid van artikel 13, sluit de geldigheidsduur van het nieuwe certificaat alleen aan bij die van het eerder afgegeven certificaat, indien de toets wordt afgelegd in die zes maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur dan wel indien de toets wordt behaald in de periode dat aan betrokkene op basis van artikel 24a een ontheffing is verleend.” [8]


De termijn van zes maanden komt dan ook te vervallen en artikel 24A wordt toegevoegd aan de wet:

  • “Het instituut kan onder daarbij te stellen voorwaarden ontheffing verlenen van artikel 7 indien:
  • degene die door omstandigheden die hem redelijkerwijs niet kunnen worden verweten, een door het instituut afgenomen toets niet met goed gevolg heeft afgelegd en waarbij het niet mogelijk is binnen de resterende geldigheidsduur van het eerder aan hem afgegeven certificaat, nogmaals een toets af te leggen;
  • in andere gevallen indien toepassing van artikel 7, gelet op het door die bepaling beschermde belang, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
  • De ontheffing wordt verleend voor de duur van maximaal zes maanden en kan slechts eenmaal worden verlengd met maximaal zes maanden.


Wetswijziging 2009

In 2009 wordt de wet opnieuw gewijzigd als gevolg van ten gevolge van een Europese richtlijn (richtlijn 2003/59/EG) en het Wetsvoorstel: “Wijziging van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 naar aanleiding van de evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.” Daarbij wordt een nieuw systeem geïntroduceerd, namelijk dat van praktische bijscholing (§ 2b Bijscholing) van de rijinstructeurs:

“De praktische bijscholing beslaat in beginsel twee dagdelen. De praktijkbijscholing wordt onder verantwoordelijkheid van het instituut uitgevoerd. Het instituut is verantwoordelijk voor de planning en de uitvoering van de praktijkbijscholing. Indien het resultaat van de tweede praktijkbeoordeling negatief is, dan wordt de kandidaat verplicht een derde praktijkbeoordeling te ondergaan. Is het resultaat opnieuw negatief, dan wordt een herintrederstraject opgelegd. Omdat deze begeleiding echt de kwaliteit van de instructeur meet – een goede instructeur heeft dus niets te vrezen –, vindt de regering het reëel hieraan een beoordelingaspect te koppelen. Als de laatste praktijkbeoordeling in vijf jaar niet goed is, is de enige mogelijkheid voor de betrokkene om het beroep van rijinstructeur te kunnen blijven uitoefenen het deelnemen aan het herintrederstraject en het behalen van een positief resultaat in dat traject.

Het voorgaande betekent:

1. is de eerste beoordeling van de bijscholing onvoldoende, maar de tweede beoordeling van de bijscholing voldoende, dan volgt verlening van een nieuw certificaat;

2. is de eerste beoordeling van de bijscholing voldoende, de tweede beoordeling van de bijscholing onvoldoende, maar de derde beoordeling van de bijscholing voldoende, dan volgt verlening van een nieuw certificaat;

3. is de eerste beoordeling van de bijscholing voldoende, maar zijn de tweede en de derde beoordeling van de bijscholing onvoldoende, dan verklaart het instituut het certificaat ongeldig;

4. zijn de eerste en de tweede beoordeling van de bijscholing onvoldoende en ook de derde beoordeling van de bijscholing onvoldoende, dan verklaart het instituut het cerfiticaat ongeldig;

5. zijn de eerste en de tweede beoordeling van de bijscholing onvoldoende, maar is de beoordeling van de derde, extra bijscholing voldoende, dan volgt verlening van een nieuw certificaat.

Als het instituut de beoordeling van ten minste de laatste van de in vijf jaar gevolgde praktische bijscholingen als onvoldoende vaststelt, wordt het certificaat ongeldig verklaard. Wil betrokkene als rijinstructeur werkzaam blijven, dan rest hem slechts deel te nemen aan het herintrederstraject.” [9]


Evaluatie Wet rijonderricht motorrijtuigen (2013)

In 2013 is de WRM geëvalueerd, mede om te zien hoe het met deze bijscholing gesteld was. Overwogen wordt als gevolg daarvan door de wetgever om de wet opnieuw te wijzigen:

“Uit de evaluatie blijkt, dat de stakeholders en de rijinstructeurs de sanctie dat zij de instructiebevoegdheid kwijt kunnen raken bij onvoldoende bijscholing veel te ingrijpend vinden en pleiten voor afzwakking. Zo vinden zij het verliezen van de instructiebevoegdheid zeven dagen na een onvoldoende herkanste praktijkbegeleiding niet acceptabel en zou een instructeur binnen de periode van vijf jaar ruimere mogelijkheden moeten krijgen om aan de praktijkbegeleiding te voldoen. […]

Op dit moment verliest een rijinstructeur zeven dagen na een onvoldoende herkanste laatste praktijkbegeleiding zijn instructiebevoegdheid. Deze termijn valt binnen de bijscholingsperiode van vijf jaar. Dit zorgt ervoor dat veel rijinstructeurs de praktijkbegeleiding tot het laatste moment uitstellen, omdat zijn hun instructiebevoegdheid dan ten minste vijf jaar behouden en niet eerder kwijt zijn.

Een termijn van zeven dagen blijkt in de praktijk ernstige gevolgen te hebben die de sanctie onbedoeld verzwaren. Zo worden de leerlingen van de betrokken rijinstructeur gedupeerd omdat een rijinstructeur in deze zeven dagen geen vervanging voor reeds geplande rijlessen kan garanderen. Ook zal de niet in loondienst zijnde rijinstructeur – om de continuïteit van zijn bedrijf te waarborgen – tot hij weer bevoegd is de extra kosten van een vervanger moeten betalen, omdat er immers op zeer korte termijn een periode van onbevoegd zijn ontstaat. In het nieuwe regime zal een termijn van acht weken binnen de termijn van vijf jaar worden aangehouden. Een rijinstructeur heeft immers in de voorgaande periode zijn vakbekwaamheid voor vijf jaar aangetoond. In deze acht weken heeft de rijinstructeur ruim voldoende mogelijkheden het herintrederstraject te volgen. Dit zorgt er tevens voor dat leerlingen op tijd kunnen worden ingepland bij andere rijinstructeurs, en dat de continuïteit van de rijschool niet of nauwelijks onderbroken wordt als de instructeur dat herintrederstraject binnen 8 weken met een voldoende resultaat afsluit.” [11]


Antwoorden van de minister

Als antwoord op vragen naar aanleiding van dit wetsvoorstel antwoordde de Minister van Infrastructuur en Milieu:

“Uitgangspunt van de WRM 1993 is dat rijinstructie slechts gegeven mag worden door competente en gecertificeerde instructeurs. De verkeersveiligheid vereist dat het geven van rijinstructie, zeker als dat op de openbare weg gebeurt, geschiedt door competente instructeurs. Daarnaast vereisen de belangen van de cursist in termen van tijd en geld die gemoeid zijn met het volgen van lessen teneinde het gewenste rijbewijs te kunnen halen, dat de instructeurs competent zijn als docent en dus beschikken over de vereiste didactische vaardigheden. […]

De bovenstaande uitgangspunten liggen ten grondslag aan het stelsel van vijfjaarlijkse bijscholing met theorie- en praktijkonderdelen. De mogelijkheid om de bevoegdheid te verliezen waarborgt dat de bijscholing effectief is omdat kandidaten bijscholing serieuzer nemen als er ook daadwerkelijk een kans op verlies van bevoegdheid aan gekoppeld is. Dit bevordert de kwaliteit van de rijinstructeur. Zonder sanctie bestaat de kans dat bijscholing door rijinstructeurs te licht wordt opgevat. […]

In de praktijk zal de rijinstructeur die voor zijn laatste praktijkbegeleiding een onvoldoende resultaat behaalt nog acht weken – voor zover die acht weken binnen de geldigheidstermijn van het certificaat (vijf jaar) vallen – de bevoegdheid hebben om les te geven en zal hij die periode kunnen gebruiken om zijn bevoegdheid te behouden.

Gedurende die acht weken kan de rijinstructeur nog rijinstructie geven aan zijn leeerlingen en ondertussen trachten om het herintrederstraject met voldoende resultaat af te sluiten.

De termijn van acht weken acht ik een verantwoord compromis tussen enerzijds de verkeersveiligheid en anderzijds de continuïteit in de bedrijfsvoering waar vanuit de rijschoolbranche op wordt aangedrongen. Het bijscholingssysteem gaat uit van een bijscholing van eens in de vijf jaar en in dit licht is de periode van acht weken relatief kort.” [12]


Verandering afdwingen via de rechter?

In Nederland geldt als uitgangspunt dat de rechter niet op de stoel van de wetgever zal gaan zitten, en de wetgever niet op die van de rechter. Nu er op dit moment een wetsontwerp in behandeling is om aan deze korte termijn van 7 dagen een einde te maken, kan de kans niet groot worden geacht dat de rechter hierin een verandering zou brengen. In Nederland zijn de machten gescheiden (Trias Politica) en zal de rechter niet op de zetel van de wetgever gaan zitten, en andersom. Het is dus helaas wachten tot dit wetsvoorstel van kracht wordt als wet.

Het enige dat wellicht denkbaar zou kunnen zijn is dat, wanneer een individuele rijinstructeur gedurende de tijd dat dit wetsvoorstel aanhangig is, hij tracht via een voorlopige voorziening deze 7 dagen te verlengen tot acht weken, in de hoop dat de rechter anticiperend op het wetsvoorstel daarin meegaat.



[2] Kamerstukken II, 1988/89, 21 262, nr.3, p. 2.

[3] Kamerstukken II, 1988/89, 21 262, nr.3, p. 4.

[4] Kamerstukken II, 1988/89, 21 262, nr.3, p. 5.

[5] Kamerstukken II, 1991-1992, 21 262, nr. 12, p. 15.

[6] Kamerstukken II, 1988/89, 21 262, nr.1-2, p. 4-5.

[7] Kamerstukken I, 1988/89, 21 262, nr. 279, p. 6.

[9] Kamerstukken II, 2000–2001, 27 840, nr. 3, p. 23.