Kan ik in het huis
blijven wonen als de huurder komt te overlijden?
Meestal wordt die vraag pas gesteld op het moment dat de huurder
daadwerkelijk is overleden. En dan is het de vraag of u er kunt blijven
wonen.
Als er tussen u en de huurder sprake is van een huwelijk of
geregistreerd partnerschap terwijl u bovendien daadwerkelijk en
hoofdzakelijk in deze woning woonde (dit was uw hoofdverblijf), dan mag
u erin blijven wonen.
Maar als er geen sprake is van een huwelijk of geregistreerd
partnerschap, dan is dit niet altijd het geval. Bent u gewoon een
huisgenoot, inwonende vriend of vriendin, dan hangt het af van de vraag
of u samen met de huurder een ‘duurzame gemeenschappelijke
huishouding’ voerde. Wat dat inhoudt kunt u hieronder lezen.
Om eventuele problemen of onduidelijkheden te voorkomen, kunt u
natuurlijk altijd uw verhuurder vragen om deze huisgenoot
óók in het contract op te nemen als huurder. Hij
wordt dan medehuurder en kan dan met zekerheid in de woning blijven
wonen. Mocht uw verhuurder dat niet willen, dan kunt u hieronder lezen
wat u zou kunnen ondernemen.
Kan een medebewoner een
huurovereenkomst voortzetten na het overlijden van de huurder?
‘De dood van
de huurder of de verhuurder doet de huur niet eindigen.’ Dat
zegt artikel 7:229 lid 1 BW en dat is klare taal: ook al komt de
huurder of verhuurder te overlijden, dan eindigt daarmee niet de
huurovereenkomst. Dat is ook eigenlijk niet zo verwonderlijk als je
bedenkt dat de huurder en verhuurder (doorgaans) erfgenamen zullen
hebben. Deze erfgenamen volgen de overledene vervolgens op en nemen
daarmee in beginsel al zijn verplichtingen, schulden, rechten en
vermogen over (zie art. 4:182 lid 1 BW). En dus ook de huurovereenkomst.
⚠Let op: dit artikel gaat over huur
‘in het algemeen’, dus bijvoorbeeld ook over de
huur van een stukje grond. Echter, als het om de huur van woonruimte
gaat, dan kent de wet nog aanvullende bepalingen die deze situatie
verder regelen. En van dit algemene artikel (7:229 BW) mag ook worden
afgeweken. Dat komt niet vaak voor, maar in de huurovereenkomst van een
stukje grond zou dus kunnen staan: ‘De
huurovereenkomst eindigt als de huurder komt te overlijden’.
Of dat ook mag bij woonruimte, kunt u hieronder lezen.
De huurovereenkomst eindigt dus (in principe) niet met het overlijden.
Maar de vraag is dan vervolgens: betekent dit ook dat een medebewoner
(woonruimte) daardoor (altijd) in de woning mag blijven wonen? Stel
bijvoorbeeld dat deze medebewoner niet in het huurcontract staat als
(mede)huurder. Mag hij er dan blijven wonen? En neemt hij in dat geval
dan de huurovereenkomst over?
Medehuurder of huisgenoot?
Allereerst is het van
belang om na te gaan of de persoon die in de woning wil blijven wonen
een ‘medehuurder’ is, of alleen een
‘huisgenoot’. Als iemand namelijk een
‘medehuurder’ is, dan zet hij de huurovereenkomst
voort indien hij ook
voor die tijd hier zijn
‘hoofdverblijf’ had (art. 7:266 lid 1 BW en 7:268
lid 1 BW). Hij is dan vervolgens dus ‘de huurder’.
Maar zou hij alleen maar een ‘huisgenoot’ zijn, dan
heeft hij minder rechten. Hij kan dan - als aan bepaalde voorwaarden
wordt voldaan - nog zes maanden in de woning blijven. In die zes
maanden zet deze huisgenoot dan dus de huurovereenkomst voort: hij is
dan voor zes maanden de huurder.
Wie is medehuurder?
De wet geeft in elk
geval aan dat een echtgenoot of geregistreerde partner van de huurder
automatisch (‘van rechtswege’) een medehuurder is.
Maar dan moet deze woning wél zijn enige of belangrijkste
woning zijn. Of zoals de wet het zegt: ‘als hij in deze
woning zijn hoofdverblijf heeft’ (art. 7:266 lid 1 BW). Als
je dus nog een andere woning hebt (bijvoorbeeld een latrelatie) en
alleen in het weekend bij de (inmiddels) overledene in deze woning verbleef, dan is
dit niet je ‘belangrijkste woning’ en dus niet je
hoofdverblijf.
⚠ Let op: de echtgenoot of
geregistreerde partner van de huurder is na zijn overlijden dus
automatisch (‘van rechtswege’) de nieuwe huurder.
Als hij niet in de woning wil blijven wonen, dan zal hij dus de huur
moeten opzeggen. Hij kan de huur binnen zes maanden na het overlijden
opzeggen per aangetekende brief, met ingang van de eerste dag van de
tweede maand na opzegging (art. 7:268 lis 1).
Wie is geen medehuurder?
Huisgenoten van de
huurder die niet zijn echtgenoot of geregistreerde partner zijn, worden
volgens de wet niet gezien als ‘medehuurder’.
Behalve dan natuurlijk, wanneer deze huisgenoot partij is bij de
huurovereenkomst (in het huurcontract staat als medehuurder). Gedacht
kan worden aan een medebewoner met wie de huurder een relatie heeft, of
de kinderen van de huurder. Maar als zij wel in de woning van de
huurder wonen, mogen zij dan na zijn overlijden in de huurwoning
blijven wonen? Ja, voor de duur van (ten minste) 6 maanden, maar
alléén als zij voor het overlijden een
‘duurzame gemeenschappelijke huishouding’ voerden
met de huurder en daarnaast ook hun hoofdverblijf hadden in de woning.
⚠ Let op: uiteraard moet er dan geen
echtgenoot of geregistreerde partner zijn op wie de huurovereenkomst
‘van rechtswege’ overgaat. Maar zou deze de
huurovereenkomst niet willen voortzetten, dan kunnen eventuele andere
medehuurders dit - onder de omstandigheden die hieronder worden
toegelicht - wél (zie:
Kamerstukken II, 14249 nr. 11-12, p.
16)
Duurzame gemeenschappelijke huishouding + hoofdverblijf
Als een huisgenoot van de huurder na zijn overlijden in de woning wil
blijven wonen, dan moet er dus sprake zijn van:
- een duurzame gemeenschappelijke huishouding, en
- moet de huisgenoot zijn hoofdverblijf hebben in de
woning.
In dat geval mag de huisgenoot gedurende 6 maanden in de woning blijven
wonen (art. 7:268 lid 2 BW). De huishouding moet dus gemeenschappelijk
én duurzaam zijn.
Duurzaam
Dat de huishouding
‘duurzaam’ moet zijn, wil niet zeggen dat er sprake
moet zijn van een affectieve (liefdes) relatie. Ook hoeft geen sprake
te zijn van ‘bijzondere lotsverbondenheid’ (zie
deze uitspraak - HR 20 maart 2009,
ECLI:NL:HR:2009:BH0393). Er kan dus ook sprake zijn van een duurzame
huishouding met vrienden, familieleden, een butler of een verzorger.
Enkele indicatoren voor ‘duurzame samenleving’
kunnen worden gevonden in artikel 7:267 lid 3 BW (art. 7A:1623h BW
(oud)):
- de medehuurder moet (in beginsel) meer dan twee jaar in de
woning zijn hoofdverblijf hebben gehad,
- er moet daadwerkelijk het voornemen zijn geweest om
duurzaam gemeenschappelijk te gaan samenwonen (dus geen ‘schijnsituatie’
om zo huurder te kunnen worden),
- hij moet financieel voldoende draagkracht hebben om de huur
te kunnen betalen.
‘Duurzaam’ wil zeggen dat het niet een
‘aflopende’ situatie betreft, zoals dat doorgaans
het geval is bij inwonende meerderjarige kinderen. Die voeren misschien
wel een ‘gemeenschappelijke huishouding’ met de
huurder, maar meestal zullen kinderen op een bepaald moment het huis uit gaan
en op zichzelf gaan wonen. Daarom is geen sprake van een duurzame
gemeenschappelijke huishouding, maar van een
aflopende
samenwoningsrelatie. Zie bijvoorbeeld
deze uitspraak (Hof Amsterdam 8
februari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP3634).
‘Naar vaste rechtspraak kan van een duurzame
gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in art. 7:268, tweede lid BW
niet zonder meer gesproken worden in die gevallen waarin een kind na
het bereiken van de meerderjarigheid bij zijn (langstlevende) ouder(s)
blijft wonen, en aldus de specifieke vorm van samenwoning voortzet die
zich vanaf zijn geboorte heeft ontwikkeld. Mede met het oog op de
positie van de verhuurder, die - als uitvloeisel van wettelijke
voorschriften ter bescherming van huurders van woonruimte - in beginsel
gehouden is het huurcontract tot in lengte van jaren voort te zetten
zonder daarin noemenswaardige wijzigingen te kunnen aanbrengen, en
daarom een te respecteren belang heeft bij beperking van het aantal
gevallen waarin de rechten uit een lopende huurovereenkomst op een
andere persoon overgaan, moet als uitgangspunt worden aangehouden dat
kinderen die na het bereiken van de meerderjarigheid in het ouderlijk
huis blijven wonen - hetzij om (de) ouder(s) verzorging te bieden,
hetzij om een andere reden -, het vooruitzicht hebben uiteindelijk
elders te (kunnen) gaan wonen.’
Uitzonderingen?
In principe is de
huishouding met meerderjarige kinderen dus niet duurzaam. Maar in
bijzondere gevallen kan dat anders zijn. In dat geval moet er het
voornemen zijn geweest om duurzaam te gaan samenwonen. De rechter zal
dat echter niet snel aannemen. Als een meerderjarig kind een jaar
voordat moeder naar het bejaardentehuis zal gaan bij haar intrekt, dan
is daarvan (waarschijnlijk) geen sprake (HR 11 december 1981, NJ 1982, 351). En ook niet
als het kind pas vlak voor het overlijden in de woning is gaan wonen
(HR 28 april 1989, NJ 1989, 800). Datzelfde geldt voor kleinkinderen
die bij hun opa of oma intrekken, overdag aan het werk zijn, terwijl de
grootouder ook geen speciale verzorging nodig heeft (Ktg. Haarlem 18
februari 1991, Prg. 1991, 3562).
Maar als een meerderjarig kind er bewust voor kiest om door de week bij
zijn moeder te wonen en dat al meer dan 10 jaar doet, dan kan dit
bijvoorbeeld wél wijzen op een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Zie bijvoorbeeld
deze uitspraak (Hof Amsterdam 8
februari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP3634):
‘De
omstandigheid dat de relatie van [de zoon] en zijn vriendin zich aldus
heeft ontwikkeld dat [de zoon] de weekeinden bij haar doorbracht maar
door de week bij zijn moeder in de woning verbleef, terwijl deze
situatie bij het overlijden van laatstgenoemde meer dan tien jaar had
bestaan, wijst evenzeer op een bewuste keuze om het middelpunt van
levensbelangen in de woning gevestigd te houden.’
⚠ Let op: als geen sprake is van een
huurovereenkomst (bijvoorbeeld een koophuis) maar de overleden bewoner
eveneens een huisgenoot heeft, dan mag ook deze medebewoner gedurende 6
maanden in de woning blijven wonen (art. 4:28 BW).
Wat na deze
‘zes maanden’?
Als de medebewoner dus
een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met de huurder, dan
mag hij na zijn overlijden nog 6 maanden in de woning blijven wonen als
'de nieuwe huurder'. Maar moet hij er dan na die zes maanden altijd uit?
Hij zal natuurlijk eerst aan de verhuurder vragen of hij ook na deze
zes maanden de huurovereenkomst als huurder mag voortzetten. Maar geeft
de verhuurder aan dat hij dit niet wil, dan kan deze ‘zes
maanden huurder’ de rechter verzoeken hierover te beslissen.
Hij moet dit verzoek dan wel
daadwerkelijk instellen binnen deze
termijn van zes maanden. Zolang de rechter op dit verzoek nog niet
onherroepelijk heeft beslist mag hij in de woning blijven wonen (art.
7:268 lid 2 BW).
⚠ Let op: de verhuurder
hoeft er niet op te wijzen dat de huurovereenkomst binnen zes maanden
zal eindigen (HR 21 maart 2003, NJ 2003, 591). Bent u te laat met het
verzoek aan de kantonrechter dan eindigt de
huurovereenkomst!
Hoe oordeelt de rechter
in dat geval?
Hoe de rechter op dit
verzoek zal oordelen hangt af van alle omstandigheden van het geval. De
wet geeft in elk geval wel aan wanneer de rechter het verzoek
moet
afwijzen:
- Als het onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake was
van een duurzame gemeenschappelijke huishouding,
- Als de ‘zes maanden huurder’ niet
voldoende financiële draagkracht heeft om de huur te kunnen
betalen, en
- Als voor de bewoning een huisvestingsvergunning
noodzakelijk is van de Gemeente, en de ‘zes maanden
huurder’ deze niet heeft (art. 7:267 lid 3 BW).
Het is in dit geval dus geen strikte eis dat de medebewoner minimaal 2
jaar in de woning heeft gewoond, maar de duur kan wel meespelen in de
beoordeling door de rechter. Deze zal voornamelijk kijken of de huurder
een medebewoner de
intentie hadden om een duurzame gemeenschappelijke
huishouding te gaan voeren (HR 28 april 1989, NJ 1989, 800). Zo werd
wél een duurzame gemeenschappelijke huishouding aangenomen bij een
dochter die bij haar moeder was gaan wonen
met het doel om haar
verzorging op zich te nemen (Rb Amsterdam 7 februari 1990, Prg. 1991,
3563)
Tijdelijk elders het
hoofdverblijf: nog steeds medehuurder?
Er zijn situaties te
bedenken waarin een echtgenoot of geregistreerd partner tijdelijk niet
zijn hoofdverblijf heeft in de huurwoning. Blijft hij dan toch
medehuurder? Gedacht kan ook worden aan de situatie dat de huurder
bijvoorbeeld tijdelijk wordt opgenomen in een verzorgingstehuis /
ziekenhuis en daar vervolgens komt te overlijden. Gedurende de periode
in het verzorgingstehuis / ziekenhuis was dan feitelijk geen sprake van
een ‘duurzame gemeenschappelijke huishouding’. Mag
de medebewoner dan tóch in de woning blijven wonen?
De Hoge Raad (de hoogste rechter in dit soort zaken) oordeelde dat dit mogelijk is, maar dat dit zal afhangen van de verdere
omstandigheden (zie
deze uitspraak HR 18 maart 2011,
ECLI:NL:HR:2011:BP1079):
‘Op
grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat de enkele
omstandigheid dat de 'samenwoner' ten tijde van het overlijden van de
huurder reeds kortere of langere tijd geen gemeenschappelijke
huishouding meer voerde met de huurder omdat laatstgenoemde wegens
ziekte of hulpbehoevendheid moest worden opgenomen in een ziekenhuis of
zorgcentrum, niet meebrengt dat de vordering op grond van art. 7:268
lid 2 moet worden afgewezen. In een dergelijk geval zal de rechter aan
de hand van de omstandigheden van het geval - waaronder de lengte van
de periode van samenwonen, de redenen voor de opname van de huurder, en
de lengte van die opname - moeten beoordelen of de 'samenwoner' gelet
op de strekking van deze bepaling daardoor beschermd dient te worden,
ook al was de huurder voorafgaand aan zijn overlijden reeds geruime
tijd opgenomen in een ziekenhuis of zorgcentrum.’
Tip: verzoek de
verhuurder om ‘medehuur’
Het komt zeer veel voor
dat een medebewoner zich pas op het moment dat de huurder komt te
overlijden bedenkt dat hij geen huurovereenkomst heeft. Wat nu? Dan
geldt dus wat hierboven is beschreven.
Maar die - soms misschien
lastige en onduidelijke - situatie is te
voorkomen. De huurder en
huisgenoot kunnen de verhuurder verzoeken om het contract aan te
passen, zodat de huisgenoot medehuurder wordt. Als er sprake is van een
‘duurzame gemeenschappelijke huishouding’ dan moet
de verhuurder binnen drie maanden op dit verzoek antwoorden. Doet de
verhuurder dat niet, dan kunnen de huurder en de medebewoner de
kantonrechter vragen (vordering) om hierover te oordelen (art. 7:267
lid 1 BW).
In mijn huurcontract
staat dat een ‘gemeenschappelijke huishouding’ niet
is toegestaan!
Als in uw huurcontract
staat dat het voeren van een gemeenschappelijke huishouding niet is
toegestaan, dan zult u ongetwijfeld niet zo snel dit bovenstaande
verzoek willen (of durven) doen aan de verhuurder. Daarom biedt de wet bescherming voor
dit geval:
Nadat u de verhuurder samen met de huisgenoot hebt verzocht om het
huurcontract aan te passen zodat de huisgenoot medehuurder zal worden,
mag de verhuurder de huurovereenkomst
niet opzeggen met als reden dat u in
afwijking van het huurcontract tóch een gemeenschappelijke
huishouding hebt (art. 7:267 lid 2 BW):
‘Nadat een verzoek aan
de verhuurder als bedoeld in lid 1 is gedaan, kan een vordering tot
ontbinding van de huur op de grond dat de huurder in strijd met hetgeen
overeengekomen is, met een ander in de woonruimte een
gemeenschappelijke huishouding heeft, niet meer worden toegewezen. Deze
grond levert alsdan evenmin een grond voor opzegging van de
huurovereenkomst op.’
En de wet geeft ook aan wanneer de rechter uw vordering tot het
aanwijzen van de huisgenoot tot medehuurder
mag afwijzen:
‘De rechter wijst de
vordering bedoeld in lid 1 slechts af:
a) indien de persoon
bedoeld in lid 1 niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte
zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame
gemeenschappelijke huishouding heeft;
b) indien, mede gelet op
hetgeen is komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke
huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de
strekking heeft de persoon bedoeld in lid 1 op korte termijn de positie
van huurder te verschaffen;
c) indien de persoon
bedoeld in lid 1 vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt
voor een behoorlijke nakoming van de huur.’
Als uw e situatie niet is zoals in deze drie punten staat (a, b,
c) dan zal de rechter uw verzoek dus toewijzen. De huisgenoot wordt dan
dus medehuurder en heeft dan een eigen recht om in de woning te wonen;
ook als de andere medehuurder komt te overlijden.
⚠ Let op: als de verhuurder uw
verzoek afwijst of daarop niet reageert, dan is het wel verstandig om
op tijd naar de kantonrechter te stappen. Doet u dat niet, dan kan dit
eventueel later in uw nadeel zijn (zie bijvoorbeeld
deze uitspraak: Rb Amsterdam 15
maart 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP9460):
‘Daarbij
speelt eveneens een rol dat een eerder verzoek van [gedaagde] hem als
medehuurder aan te merken op grond van artikel 7:267 BW recentelijk
door Ymere is afgewezen omdat [gedaagde] niet voldeed aan de vereisten.
[gedaagde] heeft bij de kantonrechter geen verzoek aanhangig gemaakt om
te bepalen dat hij op grond van artikel 7:267 BW medehuurder zou zijn.
Ook om die reden wordt het niet aannemelijk geacht dat [gedaagde] thans
wel als medehuurder zal worden aangemerkt nu [persoon 1] is
overleden.’