Gratis juridisch advies




Stel hier je vraag:

(60 c/m)

U kunt uw juridische vraag ook stellen per e-mail of per chat:
  • Betaal € 14,99
  • Wij geven u juridisch advies (meestal binnen een dag),
  • Geef ons een beoordeling en vul het formulier in
  • Wij storten € 14,99 terug!
Waarom?
Door de betaling van € 14,99 krijgen wij alleen serieuze vragen en geen spam. Het advies is gratis omdat wij u terugbetalen. Lees hier de toelichting!

  Ik accepteer de algemene voorwaarden
Vraag stellen    Gratis juridisch advies    Gratis juridisch advies


Loon te laat betaald


In artikel 7:625 BW wordt een op het eerste gezicht enigszins vreemde bepaling aangetroffen. Uit deze bepaling blijkt namelijk dat werknemers aanspraak kunnen maken op een ‘verhoging’ van het loon, wanneer dit niet op tijd wordt voldaan. Een verhoging?

Daarmee wordt dan zeker de wettelijke rente bedoeld? Nee, het is toch echt een ‘verhoging’ van het loon. Wettelijke rente kan daarnaast verschuldigd worden. Nadat het loon 33 werkdagen te laat is, bereikt deze verhoging het maximum van 50%.

Als u uw loon niet op tijd hebt gekregen, dan hebt u na 33 dagen recht op 50% extra!

  • Drie dagen te laat: 0% extra;
  • Vier dagen te laat: 5% extra over het hele loon;
  • Vijf dagen te laat: 10% extra over het hele loon;
  • Zes dagen te laat: 15% extra over het hele loon;
  • Zeven dagen te laat: 20% extra over het hele loon;
  • Acht dagen te laat: 25% extra over het hele loon;
  • Elke volgende dag: 1% extra over het hele loon;
  • ... na 33 dagen moet u anderhalf keer uw loon krijgen!



Artikel 7:625 BW - Inleiding

 

In het voorgaande hoofdstuk is al opgemerkt dat niet-tijdige loonbetaling naar Nederlands recht op een andere wijze wordt gesanctioneerd, dan in de daar genoemde landen. In Nederland ontstaat een aanspraak op verhoging wegens vertraging, wanneer het loon meer dan drie dagen te laat wordt voldaan (art. 7:625 BW). De reden daarvoor moet gezocht worden in een rechtsontwikkeling, die terugvoert tot de Gouden Eeuw.

In hoofdstuk 3 is – tegen de achtergrond van ILO-Verdrag 95 – gekeken naar de wijze waarop tijdige betaling van loon in verschillende landen wordt gewaarborgd. In hoofdstuk 4 staat de Nederlandse equivalent daarvan centraal. Eerst volgt een korte uiteenzetting van de wijze waarop tijdige loonbetaling wordt gewaarborgd (§ 4.2), waarna ik de ontwikkeling daarvan in een historisch kader plaats. Aan de hand van de parlementaire geschiedenis probeer ik vast te stellen wat de bedoeling is geweest van de wetgever bij het redigeren van artikel 1638q BW (oud) (§ 4.8). Vanuit deze historische bedoeling tracht ik tevens te achterhalen op welke wijze de rechter toen een recht tot matiging werd toegekend (§ 4.9). Daarbij dient te worden opgemerkt dat de uitkomsten van een wetshistorische interpretatie uiteraard niet bepalend hoeven te zijn voor de huidige toepassing van artikel 7:625 BW.[1] Het hoofdstuk wordt afgesloten met een conclusie.



4.2 Sancties en remedies bij niet-tijdige loonbetaling

 

Naar Nederlands recht ontstaat aanspraak op een wettelijke verhoging van het loon, op het moment dat de betaling vier werkdagen te laat is. Deze verhoging is met name de eerste dagen aanzienlijk. Naast de verhoging kan aanspraak worden gemaakt op wettelijke rente, waarmee de schade wordt gecompenseerd die het gevolg is van de vertraging.

In de regel dient het loon telkens te worden voldaan na afloop van het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend (art. 7:623 lid 1en 7:624 lid 1 BW). Als dit tijdvak korter is dan een week of langer dan een maand, dan moet het loon toch per week respectievelijk per maand worden betaald, hoewel verlenging van deze betalingstermijn soms mogelijk is.[2] Wanneer het loon niet uiterlijk de derde dag die volgt uit de artikelen 7:623 en 7:624 lid 1 BW wordt voldaan, dan ontstaat een aanspraak op een verhoging vanwege vertraging. Deze verhoging bedraagt vanaf de vierde tot en met de achtste werkdag 5% per dag en voor elke volgende werkdag 1%, met dien verstande dat de verhoging in geen geval de helft van het verschuldigde te boven zal gaan. Deze verhoging van artikel 7:625 BW wordt doorgaans aangeduid als ‘wettelijke verhoging’. Naast de wettelijke verhoging wordt voorzien in een forfaitaire vergoeding van de schade die het gevolg is van de vertraging, door middel van wettelijke rente (art. 6:119 BW).

Afgezien van de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW, kent het Nederlandse recht geen verdere specifieke sancties of maatregelen ter bevordering van tijdige loonbetaling. Zo heeft de Inspectie SZW op dit gebied bijvoorbeeld geen taak, en bestaat er evenmin een vorm van strafrechtelijke handhaving.[3] Alhoewel de Inspectie SZW overigens toeziet op ondermeer de naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: WML), maakt toezicht op de tijdigheid van de betaling daarvan geen deel uit (zie art. 18b WML).

Samengevat dient de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW ertoe te verzekeren dat het loon tijdig wordt voldaan, terwijl de wettelijke rente strekt ter compensatie van eventueel geleden schade. De betekenis van de wettelijke verhoging wordt onderstaand nader uiteengezet.

 



4.3 Historische achtergrond van artikel 7:625 BW

 

Aan de huidige redactie van artikel 7:625 BW is een lange geschiedenis voorafgegaan. Een gelijksoortige bepaling is sinds 1907 te vinden in artikel 1638q van het oude BW (zie § 4.3),[4] welke op haar beurt werd voorgegaan door soortgelijke artikelen in het Wetboek van Koophandel. Al deze bepalingen zijn uiteindelijk te herleiden tot artikel 40 van de Instructie ende ordonnantie voor Commissarissen van de See-saecken uit 1641.

In de volgende subparagrafen wordt de geschiedenis van artikel 7:625 BW chronologisch uiteengezet, waarbij respectievelijk de betreffende bepalingen van de Instructie ende ordonnantie voor Commissarissen van de See-saecken (§ 4.3.2, hierna: ‘Instructie ende ordonnantie’), van het Wetboek van Koophandel (§ 4.4), van het Oud BW (§ 4.5) en van het Nieuw BW (§ 4.7) worden toegelicht. Voor de volledigheid wordt tevens artikel 18c Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) kort behandeld (§ 4.6). Aangezien de oudste mij op dit gebied bekende bepaling in de ‘Instructie ende ordonnantie’ is te vinden, en de wettelijke verhoging daarmee haar oorsprong vindt in het zeerecht, volgt daarover eerst een korte inleiding. Het zeerecht is namelijk grotendeels gevormd vanuit het gewoonterecht. Aan het gecodificeerde zeerecht kan zo een veel ouder gewoonterecht voorafgaan, dat soms ook uit geheel andere windstreken afkomstig is. Met enig inzicht omtrent het zeventiende-eeuwse zeerecht van Amsterdam, probeer ik vast te stellen of aan artikel 40 van de ‘Instructie ende ordonnantie’ mogelijk gewoonterechtelijke regels ten grondslag liggen.

 



4.3.1 Inleiding - Zeerecht van Amsterdam

Tegen het einde van de 14e eeuw was te Amsterdam een bloeiende zeehandel tot stand gekomen, die zich uitstrekte over de Noord- en Oostzee. Gaandeweg had zich hier een gewoonterecht ontwikkeld tussen schippers en kooplieden, naar wat zij onderling, volgens langdurig gebruik, als recht in acht namen.[5] Deels werd dit recht later op schrift gesteld. Het is te vinden in de vroegste Amsterdamse Keurboeken als ‘die Ordonnantie van ‘t Schip-Recht’.[6]

Eind 15e eeuw werden verschillende zeerechten op het Zweedse eiland Gotland te Wisby (het huidige Visby) bijeengebracht.[7] Onder deze Wisbysche zeerechten treffen we ondermeer het Amsterdamse gewoonterecht aan, dat werd ingeleid met de woorden: ‘Dit is die Ordinancie die de Scipheers ende die Coeplude met malkander begheren van Sciprecht’.[8] Het Wisbysche Zeerecht bestaat feitelijk uit bepalingen van Wibsy (art. 1-12), van de Vlaamse stad Damme (art. 13-36) en van Amsterdam (art. 37-70).[9] In tegenstelling tot de Amsterdamse Keuren werd het Wisbysche Zeerecht veelvuldig gedrukt en in omloop gebracht, en spoedig verwierf het daardoor grote navolging. In gedrukte vorm – en als ‘Wisbysch zeerecht’ – keerde het in 1532 terug naar Holland, en verdrong daar uiteindelijk de toepassing van het geschreven en ongeschreven gewoonterecht.[10] Als gevolg daarvan ontstond zelfs de hardnekkige misvatting dat het Wisbysche zeerecht vreemd, gerecipieerd recht was.[11]

Het Zeerecht van de Vlaamse stad Damme (De Vonnissen van Damme) blijkt eind 12e eeuw te zijn overgeleverd vanuit het zeerecht van het Franse eiland Oléron (Jugemens d’Oleron). De reden daarvoor moet gezocht worden in de intensieve wijnhandel op Bordeaux en La Rochelle.[12] Dit zeerecht van Oléron is oorspronkelijk afkomstig van het Middellandse Zeegebied, en is via de ‘Consolato del Mare’ van het Koninkrijk Aragon, terug te voeren op de Romeinse ‘Lex Rhodia de Iactu’. Te Oléron werd het ingesteld door Eleonore, Hertogin van Aquitanië, kort nadat zij de kwaliteit van deze wetgeving had ontdekt tijdens de Tweede Kruistocht (1145-1149).[13]

De wijnhandel van Damme en Sluis op Bordeaux en La Rochelle, zorgde ervoor dat men te Damme kennis kreeg van het Oléronse Zeerecht. Het zal daarbij zeker van invloed zijn geweest dat op de in Damme gevestigde Franse wijnhandelaren, het eigen, Oléronse Zeerecht, werd toegepast.[14] Door handelsbetrekkingen verspreidde het Oléronse Zeerecht zich uiteindelijk via Sluis en Damme,[15] tot Middelburg, Westkapelle en Amsterdam.[16]

Zoals gezegd is de Amsterdamse ‘Ordonnantie van ‘t Schip-Recht’[17] ontstaan vanuit het gewoonterecht, hoewel ook invloeden van het Oléronse Zeerecht zijn waar te nemen.[18] Dit gewoonterecht van de zeevaart werd tegen het einde van de 14e eeuw verzameld en werd reeds voor de 15e eeuw in het stadsregister opgenomen.[19] Vanwege de florerende scheepvaart werden te Amsterdam al vroeg bepalingen op schrift gesteld, ‘tot voorkoming of afdoening der geschillen, die tusschen Koopluiden en Zeevarenden, geduuriglyk ontstonden.’[20] Deze geschillen werden beslecht door de Schout en de Schepenen.[21] Men dient echter niet uit het oog te verliezen dat deze Ordonnantie een verzameling van gewoonten betreft, die door schippers en kooplieden zelf bijeen is gebracht.[22] Deze is nimmer door een met gezag beklede overheid bekrachtigd, en heeft vermoedelijk nimmer exclusieve werking gehad.[23] Dat is geheel anders ten aanzien van de nadien uitgevaardigde voorschriften van de Hanzesteden, van Keizer Karel V[24] en van zijn zoon, Philips II.[25]

Het verbond van Hanzesteden was opgericht tegen de zeeroverij op de Oostzee, maar strekte later vooral ter bevordering van de handel. De Hanzesteden waren formeel onderhorig aan de Duitse Keizer, hoewel zij een zelfstandig beleid konden voerden. Binnen dit verbond werden in 1597 ‘Schips-rechten ende Ordonnantien’ vastgesteld.[26] Opmerkelijk is daarvan een bepaling, die voorschrijft dat het loon in drie termijnen diende te worden voldaan, namelijk bij de afvaart, bij het lossen en aan het einde van de reis (art. 29). De ratio daarvan is echter niet om te waarborgen dat het loon op tijd wordt voldaan, maar om contractsbreuk van de zijde van officieren en bootsgezellen te voorkomen.[27]

Op 29 Januari 1549 vaardigde de Karel V een plakkaat uit, houdende Ordonnantie, Statuten en Edict op het feit van de scheepvaart, materialen en toerusting van schepen.[28] Hij had daartoe het verzoek gekregen naar aanleiding van verliezen, die het gevolg waren van storm, kaping en zeeroverij.[29] Voor het opstellen van het plakkaat had hij bij enkele gedeputeerden ‘diversen informatien genomen om grondelijk te weten en te verstaan ‘t fondament en de oorsprong van de inconventien.’[30] Tevens liet hij zich omtrent het recht informeren door ‘in den Koophandel en Zeevaart bedreeven lieden.’[31] Het is dan ook niet verwonderlijk dat hierin – evenals in het latere ‘Eeuwig Edict[32] van zijn zoon Philips II – de bovengenoemde zeerechten duidelijk te herkennen zijn (zie daarvoor bijlage 1). Deze wetgeving gold ‘by na als een gemeen volcker recht’ dat de ‘Romeyn?chen Rechten (voor ?oo veel die de?elve contrarie zyn) derogéert’.[33]

Bij het vergelijken van de bovenstaande rechtsbronnen valt op dat zij min of meer gelijkluidende bepalingen kennen. Gemeenschappelijk is bijvoorbeeld dat het loon dient te worden betaald bij terugkeer van het schip. Bepalingen die tijdige betaling van het loon dienen te waarborgen, worden hierin evenwel niet aangetroffen. In deze rechtsbronnen zijn dan ook geen aanwijzingen te vinden van een vroeger gewoonterecht, dat ten grondslag zou liggen aan artikel 40 ‘Instructie ende ordonnantie’.

 




4.3.2 Instructie ende ordonnantie voor Commissarissen van de See-saecken

In het begin van de 17e eeuw ondervond de zeevaart te Amsterdam veel schade als gevolg van grote ongeregeldheden en geschillen tussen schippers, matrozen en bootsgezellen. De preambule van de ‘Instructie ende ordonnantie’ van 28 januari 1641[34] maakt duidelijk dat het bestuur beoogde hieraan een einde te maken.[35] Nieuw bij deze wetgeving is dat de tijdige betaling van het scheepsloon – zover bekend – voor de eerste maal wettelijk werd gewaarborgd. Als middel werd gekozen voor een civielrechtelijke straf, namelijk een geldboete, die verschuldigd werd indien het loon niet binnen 24 uur na afdanking werd voldaan (zie § 4.8). Deze verhoging bedroeg voor officieren ƒ 3.- per dag en voor bootsgezellen ƒ 2,50 per dag.[36]

Tegelijkertijd werd een speciale rechtbank opgericht (de Kamer van Zeezaken) en werd het ambt van Waterschout of Substituut van zeezaken ingesteld.[37] In de Kamer van Zeezaken hadden vijf ‘Commissarissen van de Zeezaken’ zitting. Zij namen in eerste aanleg kennis van verschillende zaken (art. 1) en spraken recht naar de landelijke plakkaten en de keuren van de stad Amsterdam, ‘doch in duistere of twyfelagtige gevallen naar de beste reden en meeste billijkheid: ‘t welk aan hunne bescheidenheid overgelaten is.’[38] Appel was mogelijk bij de Schepenen (zie bijlage 2).[39] De Watersubstituut-schout had handhavingsbevoegdheid langs Het Y en hield toezicht op de verkoop en monstering bij schepen. Hij was tevens gemachtigd tot het geven van alle soorten bekeuringen te water. Daarnaast was hij belast met het innen van de boeten en het aanklagen van ‘ongewilligen’ voor de Commissarissen.[40]

In Rotterdam is enige tijd later eenzelfde ontwikkeling te zien. Vanwege soortgelijke problemen werd in 1655 een ‘Ordonnantie opde seesaecken ende differentien daerover binnen deze stad vallende’ afgekondigd.[41] Ook in Rotterdam werd een boete van ƒ 3.- (officieren) of ƒ 2,50 (bootsgezellen) per dag verschuldigd bij te late betaling. Geschillen hierover werden tot 1811[42] beslecht door de Kamer van Zeerecht.[43]

De ‘Instructie ende ordonnantie’ laat zich bezwaarlijk naar ‘huidige inzichten’ indelen binnen slechts één enkel rechtsgebied. De regeling laat zich vooral omschrijven als een praktische voorziening tegen de genoemde uitwassen, met zowel civielrechtelijke, strafrechtelijke als administratiefrechtelijke bepalingen. Wie de vele keuren en ordonnantiën nader bekijkt, zal spoedig ontdekken dat de grenzen tussen de verschillende rechtsgebieden, zich destijds anders voltrokken.[44] In de geldboete, die verschuldigd wordt bij niet-tijdige betaling, is de Romeinsrechtelijke poena privata te herkennen.[45]

 



4.4 Wetboek van Koophandel

 

In 1808 stelde Lodewijk Napoleon een commissie samen die belast werd met de codificatie van het Nederlandse handelsrecht. Deze commissie zou daarbij gebruik maken van de Franse Code de Commerce, ‘doch voor zooverre zij begreep dat in Holland andere bepalingen zouden moeten gevolgd worden, zich aan hetzelve geenszins op eene slaafsche wijze […] binden.’[46] In weerwil met haar opdracht heeft de commissie een Wetboek van Koophandel samengesteld, dat zijn oorsprong grotendeels ontleent aan de nationale gewoonten en gebruiken, ‘die zich in Holland onder de oud-vaderlansche ordonnantiën ontwikkeld hadden.[47] Door de Franse inlijving is dit ontwerp nimmer van kracht geworden. In plaats daarvan gold in Nederland van 1811 tot 1838 de Code de Commerce. Het ontwerp van 1809 heeft echter onmiskenbaar tot voorbeeld gediend bij de latere wetsontwerpen van het Wetboek van Koophandel.[48]

Het wetsvoorstel van 1809 toont in artikel 351 een regeling, die in grote lijnen overeenkomt met artikel 40 ‘Instructie ende ordonnantie’ (zie bijlage 1). Vanuit de Tweede Kamer werd een regeling voorgestaan waarbij het loon zou verdubbelen wanneer het te laat zou worden betaald. Volgens de regering was dit echter onmogelijk, nu ‘officieren en scheepsgezellen ook kunnen gehuurd worden op aandeel in de winst, zonder bepaling van gagie.[49] Een verhoging voor iedere dag dat het loon te laat was, zou er bovendien toe aanzetten om het loon alsnog zo spoedig mogelijk te voldoen.[50] De boete bedraagt in het ontwerp van 1809 nog ƒ 3.- (officier) en ƒ2,50 (scheepsgezellen) per dag, waar deze in latere ontwerpen ƒ 3.- (officier) en ƒ1,50 (scheepsgezellen) per dag beloopt.

 



4.5 Oud Burgerlijk Wetboek

 



4.5.1 Wet op de arbeidsovereenkomst 1907

De op Romeinse leest geschoeide regeling van ‘huur van diensten’[51] in de Code Civil, benoemde drie soorten ‘huur van diensten’, die namelijk het meeste voorkwamen: de huur van dienstboden, die van vervoerders en die van aannemers.[52] Naast de huurovereenkomst van diensten, stond de huurovereenkomst van goederen.[53] Deze indeling werd in het Nederlandse recht overgenomen.[54] De huurovereenkomst ten aanzien van dienstboden werd, evenals die van aannemers, geregeld in het Burgerlijk Wetboek (art. 1637 t/m 1639 BW (oud)), en de huurovereenkomst van vervoerders (scheepsofficieren en scheepsgezellen) kreeg een regeling in het Wetboek van Koophandel (Boek 1, titel 4 WvK).[55] Voorafgaand aan de Wet op de arbeidsovereenkomst van 1907 was eigenlijk alleen deze laatste arbeidsovereenkomst deugdelijk geregeld. Bij het ontwerp van het BW zijn de betreffende bepalingen van het WvK als voorbeeld genomen, waarbij artikel 448 WvK (het huidige artikel 447 WvK) model stond voor het uiteindelijke artikel 1638q BW (oud).

Aan het ontwerp van Drucker gingen twee wetsontwerpen vooraf, met eveneens bepalingen ter bevordering van tijdige loonbetaling (zie § 1.3). Zowel het Truck-ontwerp[56] als dat van Domela Nieuwenhuis (beiden uit 1888) stelden niet-tijdige betaling strafbaar, onder verbeurte van een geldboete van respectievelijk 200 en 250 gulden.[57] In geval van recidive werden de voorgestelde straffen hoger: hechtenis voor de duur van drie maanden, gevangenisstraf van ten hoogste 12 maanden, verval van actief en passief kiesrecht gedurende vier jaar en ontzetting van de uitoefening van een beroep. Deze beide wetsontwerpen zijn echter nimmer van kracht geworden.

De meningen in de Tweede Kamer waren verdeeld over de voorgenomen strafbepalingen. Enerzijds achtte men het een deugdelijk beginsel dat nakoming van privaatrechtelijke overeenkomsten enkel onder zeer uitzonderlijke omstandigheden door strafrechtelijke bepalingen dient te worden verzekerd. Maar anderzijds werd onderkend dat de privaatrechtelijke wilsautonomie ‘niet bestaat, waar de omstandigheden een zekeren drang op den werkman uitoefenen om zich een voor hem minder voordeelig contract te laten welgevallen.’’[58] Voor die gevallen zou een strafrechtelijke handhaving mogelijk uitkomst kunnen bieden. Als praktisch bezwaar werd echter gezien, de vermoedelijk geringe bereidheid van werknemers om aangifte te doen, uit vrees voor ontslag. De effectiviteit van een systeem met strafrechtelijke handhaving, wordt immers tevens bepaald door de aangiftebereidheid in geval van normovertreding. Om die reden werd door J.D. Veegens geopperd om de poena privata van artikel 488 WvK als voorbeeld te nemen.[59] In zijn ontwerp heeft Drucker deze suggestie ter hand genomen.

In artikel 27 van het Ontwerp-Ducker vangt de verhoging aan op de vierde dag, in verband met een tussenvallende zondag. Het op zaterdag verschuldigde loon moest zo uiterlijk de volgende dinsdag worden betaald.[60] Om de zondag en algemeen erkende feestdagen niet in deze termijn te laten vallen, spreekt het gewijzigd ontwerp van ‘werkdag’.[61] De memorie van toelichting van Drucker motiveerde: ‘voor de eerste dagen van verzuim moet de boete vrij streng zijn, doch ze mag niet in het oneindige aangroeien; het maximum wordt volgens het Ontwerp den 33en dag bereikt.’[62] Voor het geval slechts een deel van het loon niet tijdig was voldaan, werd de aanhef van het artikel (‘Indien’) vervangen voor de woorden ‘Voor zooverre’.[63] Een beding waarbij van dit artikel zou worden afgeweken, zou slechts beperkt geldig zijn, namelijk ten aanzien van werknemers van wie het in geld vastgestelde loon meer dan vier gulden per dag bedraagt.[64]

In een tussentijds ontwerp werd verduidelijk dat de boete enkel verschuldigd zou worden, wanneer de werkgever in verzuim was, wat werd uitgedrukt door de woorden ‘door schuld van de zijde des werkgevers’.[65] Deze uitdrukking werd als te ruim beschouwd en daarom vervangen door de minder ruime uitdrukking: ‘indien deze niet-betaling aan den werkgever is toe te schrijven.’[66] Het bestuur van de Vereniging van Nederlandse werkgevers achtte de boete buitensporig hoog. Daarover zei de Minister van Justitie, J.A. Loeff:

 

‘Overwegende, dat de werkgever het in zijne macht heeft steeds aan de bijbetaling te ontkomen, en dat de arbeider vaak in ernstige moeilijkheden kan geraken, wanneer hij zijn loon niet tijdig uitbetaald krijgt, is ook de ondergeteekende de meening toegedaan, dat de den arbeider toegekende verhooging geenszins “buitensporig hoog” is te achten.’[67]

 

Tegen het moment waarop het artikel in grote lijnen gereed is, treedt onverhoeds A.F. de Savornin Lohman op de voorgrond met bezwaren. Deze bezwaren zijn aanvankelijk niet gekeerd tegen het voorgestelde artikel 1638q BW (oud), maar tegen het voorstel om de arbeidsovereenkomst ook van toepassing te laten zijn op dienstboden.[68]

Er heerste op dat moment een groot tekort aan dienstboden. De Savornin Lohman had zich sterk gemaakt voor het behoud van een apart dienstbodenrecht, omdat de arbeidsovereenkomst ten aanzien van dienstboden van geheel andere aard zou zijn. Tussen dienstboden en de vrouw des huizes bestond in de eerste plaats een ‘zedelijke band’.[69] Binnen deze verbintenis zou de vrouw des huizes tevens ‘zedelijk aansprakelijk’ zijn voor de inwonende dienstboden, die deel uitmaakten van het gezin.[70] De voorgestelde regeling was volgens De Savornin Lohman volstrekt onbruikbaar voor dienstboden. Hij wierp de vraag op of het niet wenselijk was om voor verschillende categorieën van arbeiders, ook verschillende bepalingen te maken. De wet voorzag daarin immers ook ten aanzien van schippers, scheepsofficieren en scheepsgezellen (art. 1637 q BW (oud)).[71] Om zijn stelling kracht bij te zetten, ging hij daarna over ‘tot de behandeling van de artikelen, die volgens de Regeering zoo heilzaam zouden zijn voor de dienstboden’. Daarbij gaf hij ondermeer als voorbeeld:

 

‘Wij moeten ons voorstellen, dat een 18- of 19-jarige dienstbode zich komt verhuren bij een vrouw des huizes, maar nu zegt art. 1637g, 1e lid: “Een minderjarige is bekwaam als arbeider arbeidsovereenkomsten aan te gaan, indien hij daartoe door zijnen wettelijken vertegenwoordiger, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk is gemachtigd.”

De meeste dienstboden zullen niet weten wat een wettelijke vertegenwoordiger is, en wanneer men haar vraagt: zijt gij gemachtigd? dan zullen zij antwoorden: ik zoek een dienst, is dat niet voldoende? […]

 

Art. 1638k bevat een zeer nuttige bepaling voor de arbeiders, maar die voor de dienstboden tot absurditeit leidt. In dat artikel wordt gezegd: “De voldoening van het loon mag niet geschieden in eene localiteit waarin alcoholhoudende drank wordt verkocht of waarin een andere winkelnering wordt uitgeoefend of die met zoodanige localiteit binnenshuis gemeenschap heeft.”

 

Voldoening van het loon in strijd met deze bepaling is nietig. Nu wordt in een winkel aan de dienstbode haar loon uitbetaald. Het meisje komt den volgenden morgen en zegt, ja dat geld heb ik alvast maar opgestoken, maar ik moet mijn loon nog hebben, want gij had niet mogen betalen in den winkel. De bepaling is volkomen correct voor den arbeider, maar voor de vrouw, die in het huis, niet in den winkel, huiselijke diensten verricht, is het een absurde bepaling.’[72]

 

In zijn pleidooi voor het door hem voorgestane amendement over dienstboden,[73] motiveerde hij zo bij elf voorgestelde artikelen, waarom zij ten opzichte van dienstboden niet bruikbaar zouden zijn. Over de wettelijke verhoging merkte hij op:

 

‘In art. 1688 l is een bepaling die ik al zeer onpractisch acht, vooral wanneer men die leest in verband met art. 1638q. Daar staat: “De uitbetaling van het in geld naar tijdruimte vastgesteld loon zal geschieden als volgt”, en als dit loon niet betaald wordt heeft de arbeider, volgens art. 1038 q, recht op een verhooging met 5 pct.

 

Maar nu gebeurt het helaas menigmaal, dat menschen die een dienstbode houden het toch armoedig hebben en de betaling van het loon eenige dagen uitstellen. Komt dit in een bedrijf voor, dan kan men zeggen: staak uw bedrijf, want uw arbeider mag er niet onder lijden, dat het bedrijf niet goed gaat; maar zijn huishouding echter kan men niet staken; in een gewone dienstbetrekking lijdt de dienstbode, niet den dienstheer. Het geld komt in ieder geval wel terecht, want in geval van faillissement – en iedereen, hoog en laag kan tegenwoordig failliet verklaard worden – is het loon preferent.’

 

Drucker antwoordde hierop dat dit laatste bezwaar evengoed zouden kunnen gelden ten aanzien van kleine ondernemers.[74] Hoewel het amendement werd verworpen, zette de discussie zich later – onverwachts[75] – voort ten aanzien van de wettelijke verhoging. Volgens De Savornin Lohman maakte de regeling onvoldoende onderscheid tussen betalingsonmacht en betalingsonwil, terwijl de boete exorbitant hoog was.[76] Hoe zou dit bijvoorbeeld uitwerken ten opzichte van een respectabele familie, die zich vanwege haar stand gedwongen zag om een dienstbode te houden, hoewel zij daartoe eigenlijk geen middelen bezat?[77] Het antwoord van de Minister van Justitie, Van Raalte, was helder: ‘Dan zal de dienstbode wel geen gebruik maken van haar recht. Zulk een exceptioneel geval behoeft geen afbreuk te doen aan de wenschelijkheid tot het stellen van den regel.’[78]

Dit was echter niet het enige punt dat De Savornin Lohman aanvoerde. Daar, waar Drucker in zijn ontwerp van artikel 1638q BW (oud) aansluiting had gezocht bij artikel 448 WvK, wees hij erop dat deze laatste ‘bijzondere regeling’ bedoeld was voor personen, die telkens nieuwe arbeidsovereenkomsten aangingen. ‘Het scheepsvolk gaat van het ene op het andere schip. Wanneer deze arbeiders niet terstond hun loon krijgen, loopen zij gevaar het geheel kwijt te raken. Vandaar deze stringente bepaling.’ De minister betoogde echter dat de legitimatie van artikel 1638 q BW (oud) gezocht moest worden in de wezenlijk andere positie die een werknemer inneemt ten opzichte van andere schuldeisers:

 

‘Wanneer aan dien werkman, om welke reden dan ook, zijn levensonderhoud onthouden wordt, dan komt hij daardoor in een geheel andere positie als vele andere onbetaalde crediteuren en daarom is het volkomen gerechtvaardigd, dat met het doel om daartegen te waken een exceptioneele wettelijke strafbepaling wordt gemaakt. […]

Ook met deze strafbepaling zal het geld er misschien toch niet komen, maar allicht zal zij uitwerken, dat men zijn uiterste best doet om een dergelijke schade als hier wordt bedreigd te ontgaan.’[79]

 

Een dag later, op 22 mei 1906, had De Savornin Lohman een amendement ingediend, dat aan het eerste lid zou toevoegen: ‘Deze aanspraak vervalt indien de werkgever bewijst tot betaling niet bij machte te zijn geweest.[80] Het merendeel van de sprekers was tegen dit amendement en had daarvoor verschillende argumenten: onmacht zou zeer moeilijk zijn om aan te tonen en er zouden zich afbakeningsproblemen voordoen (Tydeman[81]), het amendement zou uiterst gevaarlijk zijn en leiden tot vernietiging van het wetsartikel (Schaper[82]), het artikel zou van het grootste deel van zijn werking worden beroofd (Drucker[83]) en het artikel zou in vele gevallen krachteloos worden (Van Raalte[84]). Anderzijds kwam het volgens de heer Regout voor een groot deel tegemoet aan zijn bezwaren, maar zou het geen uitkomst kunnen bieden in geval van chicane.[85] Wanneer bijvoorbeeld zou blijken dat de werknemer, enkel met het doel om te frustreren, de betaling zou weigeren; diende de rechter dan niet de verhoging te kunnen laten vervallen? Samen met Van Veen stelde hij daarom voor het amendement van De Savornin Lohman aan te vullen met het subamendement: ‘en kan ter beslissing van den rechter geheel of gedeeltelijk vervallen, indien vertraging ontstaan is ten gevolge van een geschil over het loon’.[86] Op suggestie van de minister diende Drucker, namens de Commissie van Rapporteurs,[87] echter een nieuw amendement in, dat luidde: ‘Niettemin is de rechter bevoegd de verhooging te beperken tot zoodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen.’ Dit amendement werd met 54 tegen 8 stemmen aangenomen.[88]

 



4.5.2 Latere wijzigingsvoorstellen

In het uiteindelijke artikel 1638q BW (oud) werd aan de rechter de bevoegdheid verleend, om de verhoging te beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk zou voorkomen. Tevens werd ten aanzien van werknemers die meer dan vier gulden per dag verdienden, de mogelijkheid geboden om van het artikel af te wijken. Deze beide elementen zouden op latere tijdstippen aanleiding geven tot hernieuwde wetsvoorstellen.

Afwijking van het artikel was mogelijk gemaakt voor arbeiders die zich in een maatschappelijk sterkere - en tegenover de werkgever minder afhankelijke positie bevinden.[89] Daarvan werd geacht sprake te zijn, indien het in geld vastgestelde loon meer dan vier gulden per dag bedroeg. Ondertussen werd dit grensbedrag na de Tweede Wereldoorlog niet meer voldoende geacht, als gevolg van inflatie.[90] Het werd daarom bepaald op tien gulden.[91] Op gelijke wijze werd het in 1960 vastgesteld op twintig gulden.[92] Daarbij werd overwogen dat een regeling van het grensbedrag bij algemene maatregel van bestuur de voorkeur had, maar om de behandeling van het voorstel niet te vertragen werd ingestemd met een wijziging van het bedrag zelf.[93] Halverwege de jaren zeventig werd vervolgens een systeem voorgesteld dat op eenvoudige wijze een geregelde aanpassing aan het loonpeil zou waarborgen. Het grensbedrag werd hierin vervangen door het minimumdagloon krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.[94]

Op hetzelfde moment werd door de C.P.N.-fractie voorgesteld om de rechter niet langer de mogelijkheid te laten hebben om de verhoging met het oog op de omstandigheden van het geval te beperken:

 

‘In de praktijk kan de arbeider alleen maar door een veroordeling van de werkgever door de rechter zo’n verhoging wegens vertraagde betaling verkrijgen. In der minne wordt dat nooit betaald. Artikel 1638q geeft de rechter de bevoegdheid de verhoging te beperken. Dat gebeurt dan ook zeer veel en in slechts in zeer extreme gevallen wordt 50 of 25% toegewezen meestal is dit echter 5% of 10%. Naar de mening van deze leden zou de bevoegdheid van de rechter tot matiging uit dit artikel moeten verdwijnen hetgeen bovendien preventief zou kunnen werken.’[95]

 

De Minister van Justitie, J. de Ruiter, wees deze suggestie van de hand en volstond daartoe te overwegen: ‘Het lijkt mij nuttig dat de rechter deze matigingsbevoegdheid houdt.’[96] In het gewijzigde artikel bleef de rechter bevoegd de wettelijke verhoging te beperken.

 



4.6 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

 

Op 23 februari 1963 trad de WML in werking. Op grond van deze wet heeft iedere werknemer tot 65 jaar jegens de werkgever aanspraak op een loon, ten minste tot het bedrag, bij of krachtens deze wet onder de benaming ‘minimumloon’ vastgesteld (art. 7 lid 1 WML). Nadat in 1977 bleek dat in licht toenemende mate sprake was van onderbetaling, werd de Sociaal Economische Raad (SER) hierover om advies gevraagd.

Bij de adviesaanvraag werd namens de Minister van Sociale Zaken een aantal instrumenten aangegeven, waarmee de naleving van de WML mogelijk bevorderd zou kunnen worden. Ondermeer ging het daarbij om middelen op het gebied van voorlichting, controle op de naleving en het opnemen van een strafsanctie in de WML. Daarnaast dacht de minister erover de mogelijkheid te openen om civiele vorderingen op grond van deze wet te laten overnemen door de overheid.[97]

De SER had reeds driemaal eerder geadviseerd om geen strafrechtelijke sanctie op te nemen, en bleef bij dit standpunt. Wel werd nu unaniem de aanbeveling gedaan, om de kantonrechter zijn matigingsbevoegdheid krachtens artikel 1638q BW (oud) in beginsel te ontnemen, in gevallen waarin werkgevers veroordeeld worden tot betaling van het wettelijke minimumloon.[98] Daarmee werd beoogd dat de ‘poena privata’ in beginsel steeds 50% van de hoofdvordering zou bedragen. De Raad motiveerde dit standpunt door te benadrukken dat het hem onbillijk voorkwam, dat de rechter de verhoging zou beperken op de enkele grond, dat de werknemer had gewacht met het instellen van zijn vordering totdat de dienstbetrekking was geëindigd:

 

‘Daar het late stadium waarin de onderhavige vorderingen meestal worden ingesteld, gewoonlijk het gevolg is van een begrijpelijke vrees van de werknemer voor de verstoring van de arbeidsverhouding zolang deze nog bestaat, acht de Raad een rechterlijke beperking van de verhoging in een dergelijk geval niet juist. Van meer belang nog is de overweging dat, indien bij veroordeling van werkgevers in minimumloonprocedures steeds de volle 50%-verhoging desgevorderd verschuldigd is en daar op ruime schaal bekendheid aan wordt gegeven, de tot onderbetaling neigende werkgevers, zich bewust van het risico dat zij met onderbetalen lopen, eerder tot naleving van de WML zullen besluiten.’[99]

 

Slechts voor die gevallen, waarin uitzonderlijke omstandigheden meebrengen dat een onbeperkt opleggen van de 50%-verhoging tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, diende de rechter de verhoging te kunnen matigen:

 

‘Het voorstel van de Raad houdt derhalve in dat bij vorderingen tot betaling van het minimumloon de 50%-verhoging als regel aan de werknemer verschuldigd zal zijn, en dat een rechterlijke matiging van dat percentage alleen in zeer bijzondere gevallen geoorloofd is.’[100]

 

Daarnaast achtte de Raad bekendheid met de wettelijke voorschriften inzake het minimumloon en de minimumvakantiebijslag een onmisbare basis voor de naleving van de WML. Voorts werden nog enkele andere voorstellen gedaan, ondermeer op het gebied van groepsacties.

Het standpunt van de SER over de matigingsbevoegdheid van de rechter werd door de regering onderschreven. Vanuit wetsystematiek oogpunt werd echter voorgestaan om de voorgestelde beperking van de matigingsbevoegdheid niet in artikel 1638q BW (oud) op te nemen, maar in de WML zelf. [101] Artikel 1638q BW (oud) ziet namelijk alleen op het in geld vastgestelde loon, terwijl de WML een veel ruimer loonbegrip kent, waaronder tevens zaken als voedsel en kleding worden begrepen.[102] Om discrepanties te voorkomen werd een aparte bepaling in de WML opgenomen. Dit artikel, artikel 18c WML, is qua systematiek in grote lijnen ontleend aan artikel 1638q BW (oud).[103] Het is sinds 2007 vervallen.[104]

De wetgever achtte het niet nodig om in artikel 18c WML de aanspraak op de verhoging afhankelijk te stellen van de omstandigheid, dat de niet-naleving van de WML aan de werkgever is toe te schrijven.[105] In navolging van artikel 1638q BW (oud) ontstond de aanspraak op de vierde dag. Vanaf dat moment bedroeg de verhoging 5% per dag, zodat het maximumbedrag eerder bereikt werd. Daarvan mocht voor de werkgever ‘een goede prikkel tot naleving worden verwacht.’ [106] In lijn met het advies van de SER werd enkel in geval van ‘uitzonderlijke omstandigheden’ een matigingsrecht toegekend, waarvan de formulering was ontleend aan artikel 6:109 BW.[107]

Met het toetreden van enkele nieuwe lidstaten tot de Europese Unie in 2004 en 2007, werd een systeem van bestuursrechtelijke handhaving ten aanzien van het wettelijk minimumloon geïntroduceerd. Het werd van belang geacht dat er ‘flankerend beleid’ zou worden gevoerd op het terrein van de arbeidsvoorwaarden.[108] De Arbeidsinspectie[109] heeft hierbij als taak gekregen om meer en stelselmatiger te controleren op de naleving van de minimumloon verplichtingen.[110] Als onderbetaling wordt geconstateerd, dan dient in de regel een boete te worden opgelegd. Deze kan oplopen tot € 6.700,– per werknemer, met een maximum van € 67.000, – ten aanzien van meerdere werknemers. Met de komst van bestuursrechtelijke handhaving ten aanzien van onderbetaling werd het niet langer nodig geacht ten aanzien van de tijdige betaling van het loon artikel 18c WML te behouden. De overweging van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe was:

 

‘Deze bijzondere in artikel 18c WML neergelegde regeling over de wettelijke verhoging kan als gevolg van de invoering van de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom vervallen waardoor alleen nog de regeling in artikel 7:625 BW geldt.’[111]

 



4.7 Nieuw Burgerlijk Wetboek

 

Omtrent delen van het ontwerp tot vaststelling van titel 7.10 (de arbeidsovereenkomst; de artikelen 610 tot en met 688) werd de SER eveneens verzocht advies uit te brengen. De Minister van Justitie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deden dit verzoek op 25 juli 1989 en vestigden er daarbij de aandacht op, dat het hierbij om een technische herziening ging. Wijzigingen met een politiek karakter waren buiten het ontwerp gehouden om te voorkomen dat het ontwerp op politieke meningsverschillen zou stranden of daardoor zou worden opgehouden.[112] Het advies dat de SER uitbracht ten aanzien van artikel 1638q BW (oud) was als volgt:

 

‘In de memorie van toelichting bij het kabinetsvoorstel wordt opgemerkt dat lid 2 van artikel 625 in essentie de inhoud bevat van lid 2 van het huidige artikel 1638q. De belangrijkste wijziging is dat de verwijzing naar het minimumdagloon van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is vervangen door een koppeling aan het wettelijk minimumloon.

Vastgesteld moet worden dat in de huidige praktijk de bepaling van artikel 1638 q lid 2 BW niet of nauwelijks van betekenis is; voor zover de raad bekend is wordt van de mogelijkheid een afwijkend beding te treffen geen gebruik gemaakt. Voorts meent de raad dat de bepaling een voor zijn toepassing complexe regeling bevat, terwijl het beoogde effect van een beding krachtens lid 2 in veel gevallen ook bewerkstelligd zal kunnen worden door de toepassing van het in lid 1 bedoelde rechterlijke matigingsrecht.

Op grond van het vorenstaande geeft de raad in overweging de bepaling van lid 2 te schrappen. Gelet op het voorstel van de raad tot schrapping van deze bepaling, wordt ook afgezien van het geven van commentaar op de voorgestelde sanctie.’[113]

 

Overeenkomstig dit advies werd het tweede lid niet in artikel 7:625 BW overgenomen. Verder werden enkele redactionele wijzigingen aangebracht en werd het bepaalde, dat de vertraging aan de werknemer moest zijn ‘toe te schrijven’, vervangen in ‘toe te rekenen’.[114] In de literatuur was namelijk opgemerkt dat die bepaling te ruim was.[115] De memorie van toelichting verduidelijkt dat aan de hand van artikel 6:75 BW (de vereisten voor overmacht[116]) kan worden bepaald of de vertraging aan de werkgever is toe te rekenen.[117] Het huidige tweede lid verduidelijkt enkel nog: ‘van dit artikel kan niet [meer] ten nadele van de werknemer worden afgeweken.’

 



4.8 De bedoeling van de wetgever in 1907

 

In de memorie van toelichting motiveerde Drucker dat voor te late uitbetaling door een afzonderlijke bepaling gewaakt moest worden. Hij nam daarbij als uitgangspunt dat de boete voor de eerste dagen van verzuim vrij streng moest zijn, maar tevens gebonden diende te zijn aan een maximum, dat op de 33e dag bereikt zou worden. Maar aan de andere kant diende de verhoging niet verschuldigd te worden als de werknemer de betaling frustreert.[118] Evenzo zou de verhoging alleen worden berekend over het eventuele gedeelte van het loon, dat niet tijdig was voldaan.[119] De regeling achtte hij ‘voor alle arbeiders wenselijk; ook de meest onafhankelijke arbeider heeft belang bij eene geregelde uitbetaling. Intusschen kan bij dezen contractuele afwijking worden toegelaten.’ [120] Druckers motivering werd in de memorie van toelichting van 1901 letterlijk overgenomen.[121]

Vanwege de ongelijkheid van contractspartijen voerde Drucker aan dat bepaalde onderdelen van het arbeidsrecht dwingend dienden te zijn.[122] Werknemers namen ten opzichte van werkgevers een zwakke maatschappelijke positie in, die bovendien werd gekenmerkt door een sterke afhankelijkheid.[123] Om die reden werd afwijking van artikel 1638q BW (oud) enkel mogelijk gemaakt jegens werknemers, die meer dan vier gulden per dag (ofwel ƒ 1.200,- per jaar) verdienden.[124] Hieruit kan worden afgeleid dat werd beoogd om werknemers te laten beschikken over die inkomsten, die nodig zijn voor het bekostigen van de elementaire levensbehoeften. In 1977 bevestigde de regering dit.[125] Om dit doel te bereiken werd voorgenomen eventuele niet-tijdige betaling van het loon in beginsel streng te bestraffen, temeer wanneer de werknemer niet meer dan vier gulden per dag verdiende.[126] Als we de grens van vier gulden omrekenen naar de huidige tijd, dan gaat het daarbij om een bruto inkomen van ca. € 1.400,- per maand.[127] Werknemers die hun loon niet op tijd betaald kregen waren aangewezen op geldleningen. Een aanzienlijk percentage van alle bankleningen destijds zou voortkomen uit de niet-tijdige betaling van het loon.[128]

Het middel dat in artikel 1638q BW (oud) is aangewend om tijdige loonbetaling te waarborgen, is een civielrechtelijke straf: een poena privata.[129] Het gaat daarbij om een boete, die enerzijds bedoeld is als straf, maar anderzijds uitwerkt als de betaling van een rentebedrag, naar het voorbeeld van artikel 448 WvK.[130] De Minister van Justitie, Van Raalte, vond een bijzondere bepaling met het oog op die gevallen volkomen gerechtvaardigd en een civielrechtelijke straf toelaatbaar.[131] De vraag of dit een wenselijke ontwikkeling was, werd in de Tweede Kamer verschillend beantwoord.

In het ontwerp waren meerdere van dit soort civielrechtelijke strafbepalingen opgenomen. Verschillende Kamerleden toonden zich voorstander van een regeling daarvan in de Arbeidswet of het Wetboek van Strafrecht. Deze bepalingen dienen immers in eerste instantie het algemeen belang en behoorden daarom niet thuis in het Burgerlijk Wetboek. De wetgever bedoelde immers te zeggen: ‘ik wensch niet, dat deze bepaling overtreden wordt, omdat deze overtreding in strijd is met de openbare orde, dus met het algemeen belang.’[132] Naast dit principiële bezwaar werden ook praktische bezwaren aangevoerd. Zo zou de werknemer er voordeel van genieten als de werkgever de gestelde norm zou overtreden, wat zou kunnen leiden tot uitlokking daarvan. Ook zou bijvoorbeeld onvoldoende onderscheid worden gemaakt tussen betalingsonmacht en betalingsonwil en werd de rechter geen mogelijkheid geboden om afwezigheid van schuld te beoordelen.[133] De minister voerde echter aan dat het bestaande recht met artikel 1639 BW (oud) en artikel 448 WvK reeds soortgelijke burgerrechtelijke sancties kende.[134] Wanneer de bepalingen niet het gewenste effect zouden sorteren, dan zouden de overtredingen alsnog in publiekrechtelijke zin strafbaar worden gesteld.[135] De voorgestane privaatrechtelijke strafbepalingen dienden vooral een preventieve werking te hebben. Wanneer het overtreden van de norm immers zou leiden tot het verschuldigd worden van een hoge boete, dan zou dit werkgevers onthouden van die bewuste overtreding. Of zoals Drucker toelichtte bij een dergelijke bepaling:

 

‘Hoe minder de bepaling moet worden toegepast, des te beter zal het zijn. […] Maar nu moet die bepaling ook zóó worden ingericht, dat zij inderdaad preventief werkt en een afschrikkende kracht heeft.’

 

Met artikel 1638q BW (oud) werd beoogd om vooral de economisch - en sociaal zwakkere werknemer te beschermen tegen te late loonbetaling. Zo zou deze tijdig in de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen voorzien en zou er geen noodzaak ontstaan om tegen slechte voorwaarden een overeenkomst van geldlening aan te gaan. Van deze bepaling kon alleen worden afgeweken ten aanzien van werknemers die meer dan ƒ 4,- per dag verdienden (nu: ca. € 1.400,- per maand). De reden daarvoor was dat zij financieel in een minder afhankelijke positie verkeerden en niet dezelfde mate van bescherming nodig hadden. De regering verwachtte dat de bepaling vanwege de hoge boete vooral preventief zou werken.

 



4.9 De beoogde reikwijdte van de matigingsbevoegdheid

 

De Savornin Lohman had artikel 1638q BW (oud) reeds aangevoerd om te onderschrijven dat het dienstbodenrecht apart diende te worden geregeld. Bij de behandeling van dit artikel zelf merkte hij op dat onvoldoende werd voorzien in gevallen van betalingsonmacht. Het wetsvoorstel maakte zijns inziens onvoldoende onderscheid tussen onmacht en onwil om te betalen.[136] Bovendien zag hij niet in waarom niet-nakoming van deze verbintenis een speciaal rechtsgevolg diende te krijgen.[137] Als compromis werd uiteindelijk een amendement van Drucker aangenomen, dat de rechter de bevoegdheid geeft om de verhoging te beperken tot zoodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen. Daaruit volgt de vraag: welke omstandigheden had de wetgever daarbij voor ogen? En welke reikwijdte werd bij deze matigingsbevoegdheid voorgesteld?

De parlementaire behandeling van artikel 1638q BW (oud) laat deze vragen voor een groot deel onbeantwoord. De verdeeldheid die in het parlement heerste ten aanzien van de wenselijkheid van de civiele boete, was bij de behandeling van andere artikelen al zichtbaar geworden. Daarbij ging het voornamelijk om de principiële vraag of een dergelijke strafbepaling wel in het civiele recht zou moeten worden geregeld, en of de rechter wel een ruime beoordelingsvrijheid diende te krijgen. Om een herhaling van deze discussie te voorkomen deed de Minister van Justitie de suggestie tot een amendement, dat de rechter bevoegd zou maken om de verhoging te matigen. Met die clausule had de kamer namelijk al eerder ingestemd. De formulering van dit amendement kwam grotendeels overeen met de matigingsbevoegdheid van de artikelen 1637r, 1637t, 1638p en het voorgestelde 1637q bis BW (oud).[138] De minister zei daarbij:

 

‘Nu ben ik niet van plan met den geachten afgevaardigde uit Goes [De Savornin Lohman] opnieuw een debat te voeren over de vraag of het al of niet juist is in deze een ruime bevoegdheid aan den rechter te geven. Tusschen ons heeft zich ook thans weer precies hetzelfde verschil van gevoelen geopenbaard als reeds vroeger bij de behandeling van verscheidene andere artikelen. De ruime bevoegdheid die hier aan den rechter wordt gegeven is volstrekt niet iets nieuws, doch ligt geheel in de lijn van het ontwerp.’[139]

 

Uit deze woorden valt op te maken dat de betekenis van deze matigingsbevoegdheid, deels volgt uit hetgeen hierover reeds eerder was verduidelijkt ten aanzien van andere artikelen. Daarnaast zijn bij de behandeling van artikel 1638q BW (oud) negen denkbeeldige situaties aan de orde gesteld waarin het loon niet op tijd zou worden voldaan. Uit die voorbeelden volgt echter onvoldoende scherp of, en zo ja in welke mate de verhoging zou moeten worden beperkt. Wel kan worden vastgesteld dat de rechter een ruime bevoegdheid werd toegekend om de omstandigheden van het geval te beoordelen, maar dat aan toepassing van deze matigingsbevoegdheid, strenge eisen dienden te worden gesteld. De bepaling zou anders illusoir worden. Zo werd bijvoorbeeld verduidelijkt dat betalingsonmacht – als enkele reden voor de vertraging – onvoldoende grond tot matiging diende te zijn.[140] Slechts in uitzonderlijke situaties zou de verhoging worden beperkt.[141]

Bij de behandeling van de bovengenoemde artikelen met een soortgelijke clausule, komt dezelfde bedoeling naar voren. De minister verduidelijkte bij artikel 1637q bis BW (oud) dat een poena privata aan twee eisen moet voldoen:

 

‘In de eerste plaats zal degene wien de vordering toekomt, een gemakkelijk hanteerbare vorm moeten hebben om zijn actie in te stellen, want indien hem daarbij allerlei moeilijkheden in den weg worden gelegd en het zeer bezwaarlijk is om de actie in elkander te zetten ten einde succes bij den rechter te hebben, dan verzwakt men de poenaliteit in hooge mate […]

In de tweede plaats moet de straf, welke bedreigd wordt, gevoelig kunnen aankomen. De bepaling moet preventief werken; de werkgever moet dus weten, niet alleen dat den arbeider een gemakkelijk hanteerbaar middel is gegeven, maar ook dat hij zelf eventueel tot een zeer gevoelig financieel nadeel kan worden veroordeeld.’[142]

 

Over de matigingsbevoegdheid van de rechter voegde de minister daaraan toe:

 

‘Die vrijheid van den rechter moet echter niet zoover gaan, dat hij tot een belachelijk minimum van enkele centen zou kunnen afdalen. Vandaar dat nu als minimum van straf [...] waaraan de rechter zich houden zal, is vastgesteld de som, waarop de door den arbeider geleden schade door hem wordt gewaardeerd. Wij krijgen dus [… naar] analogie met het Wetboek van Strafrecht een boetebepaling met een maximum en een minimum, maar dat is bij het bepalen van een burgerrechtelijke straf onvermijdelijk, en althans rationeel. [...]

Wij moeten aannemen, dat, als de gelegenheid gegeven wordt tot het instellen van een vordering, er ook gebruik van wordt gemaakt, en zeker zal de arbeider dat doen als zijn dienstbetrekking is geëindigd. [...] Doch nu moet weder aan den anderen kant er tegen worden gewaakt, dat daarop niet wordt gespeculeerd en de arbeider het kwaad niet in de hand werkt, meenende dat hoe meer hij in strijd met de wet handelt, hoe meer dit in zijn voordeel zou zijn. [...] Laten wij dit artikel aldus in de wet opnemen en een eerlijke proef nemen met een civielrechtelijke poena; en blijkt die poena het kwaad niet te kunnen keeren, dan blijft altijd nog over een strafrechtelijke regeling.’[143]

 

Uit de parlementaire behandeling volgt duidelijk dat beoogd werd de verhoging slechts dan te matigen, wanneer onverminderde betaling daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (zie § 5.3 en 5.6). Het feit dat de zinsnede ‘door schuld van de zijde des werkgevers’ als te ruim werd vervangen door ‘indien deze niet-betaling aan den werkgever is toe te schrijven’, illustreert dat een ruim toepassingsbereik van het artikel werd voorgestaan.

 



4.10 Conclusie

 

Vanaf de vierde dag dat het loon te laat is voldaan, ontstaat op grond van artikel 7:625 BW een aanspraak op de wettelijke verhoging. Deze neemt vooral de eerste dagen sterk toe en bereikt na 33 werkdagen het maximum van 50% van het verschuldigde loon. Verdere waarborgen – zoals bijvoorbeeld preventieve controle door de Inspectie SZW – kent het Nederlandse recht niet ten aanzien van tijdige loonbetaling.

Artikel 7:625 BW komt in grote mate overeen met artikel 1638q BW (oud). Dit laatste artikel is naar het voorbeeld van artikel 447 WvK, in 1907 als civielrechtelijke boete in het Burgerlijk Wetboek opgenomen. Bij de totstandkoming van het Wetboek van Koophandel werd aansluiting gezocht bij het geldende handelsrecht. Daarbij heeft een oude bepaling uit de Amsterdamse Instructie ende ordonnantie voor Commissarissen van de See-saecken uit 1641, model gestaan voor deze poena privata. De bepaling is vermoedelijk voor het eerst in 1641 ontstaan, om een einde te maken aan de geschillen die zich voordeden tussen schippers, matrozen en bootsgezellen. Tevens werd de Watersubstituut-schout belast met een (preventieve) handhaving ervan. De boete lijkt geen gewoonterechtelijke oorsprong te hebben, maar juist door het bestuur te zijn afgekondigd, als antwoord op de geschillen die zich voordeden.

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever met artikel 1638q BW (oud) heeft willen voorzien in een strenge sanctie op niet-tijdige loonbetaling. Dat gold voornamelijk voor werknemers die niet meer dan vier gulden per dag verdienden, en daardoor in economische - en sociale zin een minder sterke positie hadden. Het doel van de regeling was uiteindelijk om werknemers tijdig te laten beschikken over die inkomsten, die nodig zijn voor het bekostigen van de elementaire levensbehoeften.

De voorgestane privaatrechtelijke strafbepalingen dienden vooral een preventieve werking hebben. Daardoor diende de straf gemakkelijk en met succes te kunnen worden ingesteld bij de rechter, maar diende deze bovendien zodanig hoog te zijn, dat werkgevers ervan zouden worden weerhouden om de gestelde norm te overtreden. De keuze voor een regeling in het privaatrecht kon evenwel op tegenstand rekenen in het parlement. Aanvankelijk werd overigens de mogelijkheid open gehouden, om op een later tijdstip alsnog tot een publieksrechtelijke sanctie te komen, indien de bepaling onvoldoende zou kunnen aanzetten tot tijdige loonbetaling.

Door De Savornin Lohman werd geopperd dat het wetsvoorstel onvoldoende rekening hield met het verschil tussen onmacht en onwil tot betalen. Maar daarnaast was hij erop tegen dat aan de rechter beoordelingsvrijheid zou worden gegeven naar de omstandigheden van het geval. Uiteindelijk werd echter een amendement aangenomen, waarin de rechter de bevoegdheid is toegekend om de verhoging te matigen, wanneer hem dit met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt. Deze clausule werd in verschillende andere artikelen aangetroffen, en was daar reeds aangenomen. De Minister van Justitie, Van Raalte, verwees daarom naar het debat dat ten aanzien van die artikelen had plaatsgevonden, om een herhaling van zetten te voorkomen.

Uit de parlementaire behandeling volgt dat feitelijk een zeer beperkte bevoegdheid werd verleend aan de rechter om de verhoging te matigen, hoewel hij ruim de omstandigheden van het geval kon beoordelen. Beoogd werd dat enkel in zeer bijzondere gevallen aanleiding zou worden gevonden om de verhoging te beperken, indien onverminderde betaling daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, of tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Dat een werkgever bijvoorbeeld geen enkel verwijt kon worden gemaakt, was voor de wetgever in beginsel onvoldoende reden om de verhoging te matigen.



[1] Vgl. Asser/ Scholten 1974 (1-I), p. 77 e.v.

[2] Wanneer het tijdvak korter dan- of gelijk is aan een week, dan kan de termijn waarbinnen betaling dient te geschieden verlengd worden tot maximaal een maand nadat het tijdvak is verstreken. Evenzo kan de termijn van betaling worden verlengd tot maximaal een kwartaal na het verstrijken van het tijdvak, wanneer het tijdvak een maand is of langer. Door een omissie van de wetgever is verlenging van de termijn niet mogelijk, indien het tijdvak langer is dan een week, doch korter dan een maand (denk aan een tijdvak van vier-weken) - Zie: Van der Heijden, Van Sloten & Verhulp 2008 (T&C Arbeidsrecht), art. 7:623 BW, aant. 3. In deze aantekening wordt tevens melding gemaakt van een omissie van de wetgever, die er de oorzaak van is dat verlenging van de termijn tot een kwartaal nog mogelijk is, indien het tijdvak een maand of langer bedraagt. Opmerking: artikel 7:623 lid 2 BW roept, vergeleken met art. 1638 l BW (oud), een nieuwe verlengingsmogelijkheid in het leven. Verlenging van de betalingstermijn tot een kwartaal was onder het oude recht immers niet mogelijk, wanneer het loon bij de maand was vastgesteld. Dit lijkt eveneens op een omissie te berusten, hoewel dit niet zondermeer volgt uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1993/94, 23 438, nr. 3, p. 21-22) en in de literatuur onbesproken is gebleven.

[3] De Inspectie SZW is per 1 januari 2012 de samenvoeging van de Arbeidsinspectie, de Inspectie Werk en Inkomen en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst.

[4] Wet van 13 juli 1907, Stb. 193 (Wet op de arbeidsovereenkomst van 1907).

[5] Biben 1828, p. 478.

[6] Van Leeuwen 1658, p. 140.

[7] De eerste druk in Nedersaksische of Platduitse taal is uit 1505 te Kopenhagen (zie: Biben 1828, p. 236).

[8] Biben 1828, p. 478.

[9] Le Clercq 1757, p. 159 e.v.; Biben 1828, p. 237.

[10] Op 12 januari 1570 verklaarden de Wethouders aan het Hof van Holland: ‘Wort ook inder voor?z. Stede gehouen Seevaerdig recht, in ?aken der Seilinge ende Seevaerdige neringe beroerende: waer inne gebefigt worden de Co?tumen vande Water-regten; eensdeels bij Ordonnantie vande Maje?teit, ende een?deels na den Waterregte van Wisbui, in gewoonte ende ob?ervantie we?ende.’; Verwer 1711, p. 38; Vgl. Biben 1828, p. 238-239; Holtius 1851, p. 222.

[11] Biben 1828, p. 238-239; Holtius 1851, p. 221-227; Verwer 1711, p. 31.

[12] Biben 1828, p. 242.

[13] Biben 1828, p. 249; Anders: Le Clercq 1757, p. 107, die de invoering op Oleron toeschrijft aan haar zoon, Richard I, Koning van Engeland.

[14] Biben 1828, p. 251-252.

[15] In Sluis en Damme kwam de scheepvaart in vergelijking met Holland een eeuw eerder tot bloei, zie: Verwer 1711, p. 32-33.

[16] Biben 1828, p. 261.

[17] Privilegeboek fol. 31.

[18] Biben 1828, p. 482.

[19] Biben 1828, p. 496; Olivier 1839, 167.

[20] Wagenaar 1767, p. 453.

[21] Volgens een oude Keur en het Handvest van Hertog Willem van Beijeren van 4 november 1411, zie: Biben 1828, p. 500. Voor de competentie was bepalend of iemand ‘met zynen eede, hieldt, dat hy zeevaerdigh of vlootvaerdigh was, of dat zyn aenspraecke van Zeevaerdighen goede roede, gehouden waren, hem kort regt te doen’. Om die reden werd gesproken van vlutvairdisch- vlotvaerdich- zeevaerdigh-, en vloot-, vlot- of vluchtvaerdigh recht; Wagenaar 1768, p. 104.

[22] In de preambule staat: ‘Dit is die Ordinancie die de Scipheers ende die Coeplude met malkander geheren van Sciprecht’, zie: Van Leeuwen 1658, p. 140.

[23] Biben 1828, p. 487-488; Vgl. Lokin & Zwalve 2001, p. 2.

[24] Karel V was tevens Graaf van Vlaanderen, Holland en Zeeland, en Hertog van Brabant en Gelre.

[25] Vgl. Biben 1828, p. 232.

[26] Le Clercq 1757, p. 189; ‘De Han?e Steden hebben (gelyk wy zullen zien) ook een Corpus van Zee-Rechten opgesteld, ten behoeven van hunne Koophandel en Zeevaart; en de beroemde Koop?tad Am?terdam, om de veelvuldige wanordens, en ge?chillen die hoe langer hoe meer tu??chen Schippers en Bootsgezellen quamen te ryzen voor te komen, of ?poediger te be?li??en, heeft een Kamer over Zee-zaaken opgerecht, en den Comi??ari??en tot die zaaken van eene korte en bondige Instructie voorzien,waar naa zy zich zouden hebben te ?chikken en te reguleeren.’

[27] Deze blijkt ook uit art. 26 van het reces van 1572, namelijk ‘dewile dat schepes-volck sich underwillen mothwillig gegen den schipperen anstellen, wen se de hele Huer geboret hebben’; Van der Leeuw 1857, p. 71

[28] Ordonnantie, Statuten en Edict op ‘t faict der Zeevaert, equipage en toerusinge van schepen, zoo koopvaerders als visschers en andere, mitsgaders van den geschutte, munitien, mannen van waerre en meer andere saecken dienaangaande, gegeven te Brussel, den 29 Januari 1549; Van der Hoeven 1840, p. 554. In 1551 heeft Keizer Karel tevens, tot algemene rust en welvaart van de Nederlandse onderdanen op hen verzoek een bijzondere orde van politie ingesteld, ten dienste en nutte van de zee, welke nadien in 1563 door zijn zoon Philips V in omvang toenam, Le Clercq 1757, p. 189.

[29] Olivier 1839, 156.

[30] De Meester 1855, p. 262-263.

[31] Vgl. Le Clercq 1757, p. 189: ‘Alvorens had Keizer Karel, onze Landheeer, tot gemeene ru?t zyner Nederlan?che Onderdaanen, en tot welvaart en bloei van hunnen Koophandel en Zeevaart, op hun verzoek, en met den Raad van in den Koophandel en Zeevaart bedreeven lieden, den 19 july des Jaars 1551 eene Byzondere Orden en Politie Inge?teld, ten dien?te en nutte van alle die de Zee bevaren, welke naderhand door zyn Zoon en Opvolger Philips den Vde, naar tyds om?tandigheden en gelegenheid van zaaken, den laat?sten October des Jaars 1563 is vermeerderd, verbeterd en by forme van Eeuwig Edict beve?tigd.’

[32] Ordonnantie, Statuyt en Eeuwig Edict van 31 October 1563, op het fait der Zeervaart.

[33] Weytsen 1697, p. 1-2.

[34] ‘Gepubliceert, nae voorgaende Clock?lag, den 16. Feb. 1641. Pre?entibus den Heeren Schout. D. Andrees Bicker Burgemee?ter. D. Franck vander Meer ende Roelof Bicker Schepenen.’ De ‘Instructie ende ordonnantie’ werd in 1643 gewijzigd en ‘op nieuws’ afgekondigd; Wagenaar 1768, p. 104.

[35] Van der Storck 1678: ‘Al?oo mijne Heeren van de Gerechte in ‘t ?eecker ver?taen / van den groote ongeregeltheden ende erce??en / die dagelijcks by de Matroo?en tegens de Scdhippers gepleecht worden / als mede van de meenighvuldige di?orden / verschillen ende mi?ver?tanden / die hoe langs hoe meer / tu??chen de Schippers ende Boot?ge?ellen ont?taen / allen tot merckelijcke ?chade ende intere??en van de Zeevaert ende den Koophandel in ‘t gemeen. Soo i?t: dat mijne / Voornoemde Heeren / omme ?oodanige ongheregeltheden ende vordere ?chade voor te komen / tot dien?te van den Koophandel ende bevorderinge van de Zeevaert (daer de?e Stadt ten hoogh?ten aen gelegen is) by provi?ie goet gebonden hebben te maecken ?eeckere Ordonnantie en daer beneffens de Willekeuren ende ?tatucren ?eeckere poncten ende articulen / hier nae verklaert.Bevenelde alle de ?elve ?cherpelijck onderhouden ende achtervolgt te worden / op de penen / daar inne begrepen.’; Vgl: Van der Leeuw 1857, p. 122-123.

[36] In de eerste redactie van artikel 40 werden de West- en Oost-Indische Compagnie expliciet van toepassing uitgesloten.

[37] In 1744 kreeg hij de titel: Baljuw van de Zeezaken, of het Watergerecht.

[38] Wagenaar 1768, p. 106-107.

[39] Van der Leeuw 1857, p. 123.

[40] Le Moin de L’espine/Le Long 1780, p, 45.

[41] Van der Leeuw 1857, p. 129.

[42] Van Niekerk 1998, p. 221.

[43] Van der Leeuw 1857, p. 134.

[44] Vgl. Van Apeldoorn/Rinkes e.a. 2009, p. 74 e.v.

[45] In het Romeinse recht kon men zich aanvankelijk op de dader wreken, wanneer enig onrecht was aangedaan. Dit evolueerde zich later tot de mogelijkheid van de dader om dit wraakrecht af te kopen, door de betaling van een geldboete; Heirbaut 2005, p. 358.

[46] Koninklijke Courant 21 november 1808, nr. 282.

[47] De Vries & Molster 1859, p. 74; Vgl. Klomp 2000, p. 9.

[48] Asser 1866, p. 8; Ontwerpen van 1809, 1815, 1819, 1822, 1825 en 1830, Voorduin 1841, p. 576; Handelingen II 1825/26, nr. V, p. 255.

[49] Voorduin 1841, p. 576; Handelingen II 1825/26, nr. V, p. 255.

[50] Diephuis 1853, p. 53.

[51] Het Romeinse recht begreep tevens onder de locatio conductio, de (oneervolle) overeenkomst van huur en verhuur van diensten. De werkgever (conductor) huurde feitelijk de diensten van de werknemer (locator) en was daarmee naar Romeinse zienswijze degene die ‘werknemend’ was. Aanneming van werk (locatio conductio operis faciendi) was een resultaatsverbintenis, en de arbeidsovereenkomst (locatio conductio operarum) een inspanningsverbintenis; Lokin 2003, p. 303-304.

[52] Zie art. 1779 CC (De huur van personen die werkzaam zijn en zich inzetten om iemand te dienen,

die van de vervoerders, over land of door water, die verantwoordelijk zijn voor het vervoer van personen of goederen en die van aannemers die werken door het volgen van offertes of markten.)

[53] Vgl. art. 1583 BW (oud): ‘Er bestaan tweederlei soorten van overeenkomsten van huur en verhuur: huur van goederen en huur van diensten, werk en nijverheid.’; Asser/Van den Berg 2007, p. 3.

[54] Vgl. Art. 1542 Wetboek Napoleon ingerigt voor het Koningryk Holland: ‘De huur van dien?ten bepaalt zich voornamelijk tot drie ?oorten: 1. De huur van dienstboden; 2. Die van voerlieden en ?chippers, per?onen of goederen overbrengende; en 3. Die van aannemers en ambachtslieden.’

[55] Boek 1, titel 4 ‘Van het huren van scheeps-officieren, matrozen en gezellen, derzelver regten en pligten’ (Handelingen II 1822/23, nr. VI, p. 55); later: ‘De arbeidsovereenkomst tussen kapitein en schepelingen’ (Handelingen II 1928/29, 190 nr. 2, p. 2). Vgl. Rb Arnhem 7 mei 1863, Regtsgeleerd Bijblad 14, p. 99.

[56] Wetsvoorstel ‘tot waarborging van de vrije beschikking door werklieden over hun verdiend loon.’ Ook genoemed: Ontwerp-Ruys de Beerenbrouck.

[57] Naar huidige ‘koopkracht’ ca. € 2.500 tot € 3.000 (in 2011) <www.iisg.nl/hpw/calculate-nl.php>.

[58] Kamerstukken II 1889/90, 16, nr. 1, p. 3.

[59]‘Men zou daarbij voor elken dag, gedurende welken de betaling vertraagd wordt, eene zekere som als clausula poenalis aan de vordering kunnen toevoegen, op soortgelijke wijze als zulks bij art. 448 van het Wetboek van Koophandel ten aanzien van het loon van scheepsofficieren en gezellen is geschied. Op dergelijke wijze zou men den werkman een recht kunnen geven tot vordering van in strijd met art. 6 ingehouden loon. Ook hier zou voor elken dag, gedurende welken het loon onrechtmatig is ingehouden, eene bepaalde vermeerdering van het bedrag kunnen worden verordend. Dit vorderingsrecht zou voor den werkman van meer waarde zijn dan strafbepalingen tegen den werkgever.’; Kamerstukken II 1889/90, 16 nr. 1, p. 4.

[60] Bles 1908, p. 175.

[61] Bles 1908, p. 178.

[62] Bles 1908, p. 175; vgl. Memorie van toelichting 1901: Kamerstukken II 1903/04, 137, nr. 3, p. 32.

[63] Bles 1908, p. 177.

[64] Dit bedrag komt overeen met een jaarsalaris van ca. ƒ 1200 en is gekozen in aansluiting met de Ongevallenwet 1901; Bles 1907, p. 247-248. De ‘koopkracht’ van ƒ 4,- in 1904 bedraagt omgerekend naar 2011 ca. € 47; <www.iisg.nl/hpw/calculate2-nl.php>.

[65] Het artikel mag alleen op het geval doelen, dat de werkgever in verzuim is: dit is thans duidelijk uitgedrukt door de inlassching in den vijfden regel van de woorden: “door schuld van de zijde des werkgevers”‘; Handelingen II 1904/05, 23, nr. 1, p. 15.

[66] Bles 1908, p. 178.

[67] Handelingen II 1904/05, 23, nr. 1, p. 15.

[68] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1275 e.v.

[69] Zie ter illustratie daarvan: A. J. Servaas van Rooyen, ‘Meesteresse en dienstbode’, De Hollandsche lelie (26-1), 1912, p. 12: ‘Van de zijde der dientboden moet de meesteresse beurtelings behandeld worden als dochter en als moeder; liefhebben en eeren. Zij moeten zindelijk zijn, ook op lijf en kleeren, en zich niet bemoeien met de zaken van man en vrouw, en zwijgen als de man eens afdwaalt. Voor de kinderen moeten zij alles zijn. Voorzichtigheid wordt der dienstboden aangeraden bij het dienstnemen bij een ongehuwden Heer.’; Vgl. Poelstra 1996; M. Dielens-Jansen, Dienstboden, de ergste plaag des levens, Amsterdam: Ph. C. Busman Cornelius 1858.

[70] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1275. Vgl. Poelstra 1996, p. 238.

[71] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1276.

[72] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1277.

[73] Amendement De Savornin Lohman: ‘Artikel 1638: Onder dienst- en werkboden worden verstaan de bij het gezin inwonende personen, die zich verbonden hebben tegen belooning huiselijke diensten te verrichten.’ Het amendement werd met 46 tegen 13 stemmen verworpen; Handelingen II 1905/06, p. 1275-1285.

[74] ‘Eindelijk – dat was het positieve betoog van den geachten afgevaardigde – heeft de heer Lohman geredeneerd: er komen in het wetsontwerp tal van artikelen voor, die lastig zijn voor den patroon-gezinshoofd.’

[75] ‘De heer van Raalte, de Minister van Justitie: ‘Mijnheer de Voorzitter! De geachte afgevaardigde uit Goes heeft een strijd tegen dit artikel aangewonden waarop ik eigenlijk niet volkomen voorbereid was.’; Handelingen II 1905/06, 35, p. 1824.

[76] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1823.

[77] ‘Nu zijn mij gevallen, of laat ik niet overdrijven, is mij een geval bekend – natuurlijk evenwel komt dit vaker voor – dat een dienstbode in een respectabele familie haar loon niet op tijd ontving, eenvoudig omdat het er niet was, een familie waarvan ik het beroep in de Kamer niet zal noemen, maar die zelf nauwelijks te eten had en in haar eigen onderhoud kon voorzien, doch een dienstbode hield, omdat dit in den stand waarin zij leefde en om de eischen der huishouding onmisbaar was.’; Handelingen II 1905/06, 35, p. 1823.

[78] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1824.

[79] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1825.

[80] ‘Ik heb door het amendement in te dienen een soort van transactie gesloten met mijn juridisch geweten, want ook na de aanneming van het amendement acht ik het nog zeer twijfelacbtig of het artikel in overeenstemming is met de genuina principia iuris, met gezonde rechtsbeginselen.’; Handelingen II 1905/06, 35, p. 1827.

[81] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1832.

[82] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1832.

[83] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1829.

[84] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1829.

[85] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1828.

[86] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1829.

[87] Zie art. 106 Gw (1848): ‘Over eenig ingekomen voorstel des Konings wordt door de volle Kamer niet beraadslaagd, dan nadat het is overwogen in de onderscheidene afdeelingen, waarin al de leden der Kamer zich verdeelen en welke op gezette tijden bij loting vernieuwd worden. 1. De overweging van eenig ingekomen voorstel in de afdeelingen, waarin de leden der Kamers zich verdeelen, moet dienen tot voorbereiding en vereenvoudiging der beraadslaging in de volle Kamer. De reglementen van orde der Kamers hebben dat onderzoek in de afdeelingen nader geregeld. Daarbij zijn ingesteld rarpporteurs, door iedere afdeeling één te benoemen, welke eene commissie uitmaken, tot onderlinge mededeeling van de overwegingen in de onderscheidene afdeelingen. Die commissie van rapporteurs brengt vervolgens, namens de afdeelingen, een verlag uit, inhoudende de gronden, tot aanneming of verwerping van het voorstel aangevoerd [...]’

[88] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1833-1834.

[89] Kamerstukken II 1903/04, 137 nr. 3, p. 16; Handelingen II 1947/48, 860, nr. 1-3, p. 1.

[90] De vaststelling van een dergelijk grensbedrag leent zich tegenwoordig – ondermeer om deze reden – voor een nadere regeling door de minister bij algemeen verbindende voorschrift (Aanwijzing 26 lid 1 Aanwijzingen voor de regelgeving).

[91] Wet van 7 september 1948 (Stb. 1948, 406) houdende wijziging van de grens van vier gulden in titel VII A van het IIIe Boek van het B.W.; Handelingen II 1947/48, 860, nr. 1-3, p. 2. De ‘koopkracht’ van ƒ 4,- in 1904 bedraagt omgerekend naar 2011 ca. € 47 – de ‘koopkracht’ van ƒ 10,- in 1948 ca. € 43.; <www.iisg.nl/hpw/calculate2-nl.php>.

[92] Wet van 14 juli 1960 (Stb. 1960, 283), houdende wijziging van de grens van tien gulden in titel VII a van het Derde Boek van het Burgerlijk Wetboek. De ‘koopkracht’ van ƒ 20,- in 1960 bedraagt omgerekend naar 2011 ca. € 55.- <www.iisg.nl/hpw/calculate2-nl.php>. Aanvankelijk ging de voorgestelde herziening uit van negentien gulden, maar daarop werd een wijziging voorgesteld ‘die technisch van eenvoudiger aard is, nl. een verhoging van het bedrag van negentien gulden tot twintig.’; Kamerstukken II 1958/59, 5339, nr. 5, p. 1.

[93] Kamerstukken II 1958/59, 5339, nr. 4, p. 1.

[94] Kamerstukken II 1975/76, 14 029, nr. 1-3, p. 2-8; Wet van 11 maart 1981, Stb. 1981, 111.

[95] Kamerstukken II 1976/77, 14 029, nr. 4, p. 3.

[96] Kamerstukken II 1976/77, 14 029, nr. 5, p. 5.

[97] Brief d.d. 31 mei 1979 van de Minister van Sociale Zaken aan de Raad (Advies SER 1981, p. 25 - bijlage).

[98] Advies SER 1981, p. 15.

[99] Advies SER 1981, p. 15.

[100] Advies SER 1981, p. 15.

[101] Kamerstukken II 1985/86, 19 286, nr. 3, p. 9.

[102] Artikel 6 WML Jº KB 18 februari 1969, Stb. 1969, 56.

[103] Kamerstukken II 1985/86, 19 286, nr. 3, p. 9.

[104] Wet van 5 maart 2007, Stb. 2007, 98.

[105] Kamerstukken II 1985/86, 19 286, nr. 3, p. 13.

[106] Kamerstukken II 1985/86, 19 286, nr. 3, p. 13.

[107] Kamerstukken II 1985/86, 19 286, nr. 3, p. 13.

[108] Kamerstukken II 2005/06, 30 678, nr. 3, p. 2-3.

[109] Lees: de Inspectie SZW.

[110] Kamerstukken II 2005/06, 30 678, nr. 3, p. 3.

[111] Kamerstukken II 2005/06, 30 678, nr. 3, p. 16.

[112] Advies SER 1991, p. 5.

[113] Advies SER 1991, p. 23-24.

[114] Kamerstukken II 1993/94, 23 438, nr. 3, p. 23.

[115] Asser/Kamphuisen 1948 (3-III), p. 338 merkt hierover op: ‘Deze laatste uitdrukking is o.i. echter te ruim: er zou ook onder vallen een niet betaling wegens overheidsverbod. Met Meijers, p. 143 nemen wij aan, al aanvaarden wij zijn argument niet, dat men met de uitdrukking “aan den werkgever toe te schrijven” hetzelfde heeft willen zeggen als met de den werkgever persoonlijk betreffende toevallige verhindering van art. 1638d.’ Vgl. Ktr. ‘s-Gravenhage 22 oktober 1924, W. 11301 (Atibrijn/Joosten).

[116] Artikel 6:75 BW: een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

[117] Kamerstukken II 1993/94, 23 438, nr. 3, p. 23.

[118] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1828.

[119] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1829 e.v.

[120] Bles 1908, p. 175.

[121] Kamerstukken II 1903/04, 137 nr. 3, p. 32.

[122] ‘Bij den koop bijv. is nu eens de overmacht bij den kooper, dan weder stelt de verkooper de wet. Bij deze overeenkomst daarentegen doet zich het verschijnsel voor, dat steeds, bijna zonder uitzondering, dezelfde partij namelijk de arbeider, de zwakke is. Bovendien is er geen enkele overeenkomst, die zoo diep ingrijpt in den geheelen maatschappelijken toestand van degene die de handeling aangaat als juist de arbeidsovereenkomst, geen enkele die zoo den ganschen mensch aanpakt en zijn lot bepaalt. […] Eene bevredigende ordering is, vooral met het oog op deze arbeiders, niet anders te verkrijgen dan door een gedeelte der rechtsregels met dwingende kracht te voorzien.’ Drucker 1898, p. 24-25.

[123] ‘De behoefte aan dwingende rechtsregels doet zich niet voor alle arbeiders in gelijke mate gevoelen; ze is nimmer klemmend ten aanzien van diegenen hunner, die zich in eene maatschappelijk sterke positie bevinden. Met betrekking tot sommige voorschriften, die in het algemeen met dwingende kracht zijn voorzien, kan voor deze arbeiders contractuele afwijking worden toegelaten.’ Drucker 1898, p. 39.

[124] Bles 1907, p. 247-248.

[125] ‘Met de leden van de C.D.A. fracties meen ik dat de gehanteerde grensbedragen zowel in de artikelen 1637u, 1638q, 1638s als in artikel 1638g beogen de werknemer de beschikking te laten over die inkomsten die nodig zijn voor het bekostigen van zijn eerste levensbehoeften.’; Kamerstukken II 1979/80, 14029, nr. 5, p. 1.

[126] Vgl. Minister van Justitie, Van Raalte, Handelingen II 1905/06, 35, p. 1825: ‘Het eerste lid is dus bepaald geschreven voor die arbeiders die minder verdienen dan vier gulden daags en voor hen, meen ik, dat het artikel stellig aanbeveling verdient.’

[127] De ‘koopkracht’ van ƒ 4,- in 1904 bedraagt omgerekend naar 2011 ca. € 47; <www.iisg.nl/hpw/calculate2-nl.php>.

[128] Drucker: ‘Het is voor den arbeider haast het ergste wat hem gebeuren kan, wanneer hij ‘s Zaterdagsavonds niet het loon ontvangt, waarop hij gerekend heeft. [...] De bank van leening is dan nog het beste toevluchtsoord voor dergelijke menschen; de meeste werklieden, die ‘s Zaterdagsavonds hun loon niet ontvangen, vallen in erger handen.’ Handelingen II 1905/06, 35, p. 1429.

[129] Vgl. het Romeinsrechtelijke onderscheid tussen publiekrechtelijke delicten (delicta publica) en privaatrechtelijke delicten (delicta privata). De poena privata was een privaatrechtelijke straf als gevolg van een privaatrechtelijk delict, waarbij de betaling van een geldboete de hoofdstaf vormde. Bijkomend kon eventueel ook schadevergoeding worden gevorderd. Van Oven 1948, p. 334.

[130] Vgl. Minister van Justitie, Van Raalte, Handelingen II 1905/06, 35, p. 1824: ‘[…] daar gelden bijzondere omstandigheden en in die bijzondere omstandigheden heeft de wet goedgevonden de betaling van een rentebedrag, dat inderdaad ook werkt als straf. Ik heb het artikel [art. 448 WvK] dan ook vroeger mijnerzijds aangehaald als een voorbeeld van een civielrechtelijke poenaliteit in onze wetgeving. En ik zou meenen, dat op dezelfde gronden het onderhavig artikel in de wet behoort te worden opgenomen. Ook hier kan mijns inziens niet worden volstaan met de gewone, wettelijke gevolgen der mora.’

[131] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1830.

[132] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1412.

[133] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1828 e.v.

[134] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1413-1422.

[135] Handelingen I 1905/06, 35, p. 545; Handelingen II 1905/06, 35, p. 1616 e.v. Om die reden werd ook geklozen voor de formulering ‘ongeoorloofd en nietig’ in artikel 1637s en 1637t BW, met de bedoeling hier de mogelijkheid van een latere ‘strafwettelijke’ bepaling te introduceren.

[136] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1823.

[137] ‘Maar ik vraag: met welk recht kan men hier vaststellen een speciale bepaling wegens verzuim van betaling? […] Men geeft daardoor een groot voorrecht aan den arbeider, dat eenigszins in strijd is met de algemeene rechtsbeginselen, al geef ik toe, dat er in de gegeven omstandigheden met het oog op de billijkheid iets vóór te zeggen is.’; Handelingen II 1905/06, 35, p. 1823-1824.

[138] Niettemin is de rechter bevoegd, bij toewijzing van de vordering des arbeiders de veroordeling te beperken tot zoodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk zal voorkomen.’

[139] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1834.

[140] Vgl. Schaper: ‘Het is een verkeerd beginsel aan te nemen, dat als regel onmacht voldoende is om den werkgever te gemoet te komen, omdat, zoals ik heb aangetoond, bij de mensen die het hier geldt, onmacht dikwijls roekeloosheid moet worden genoemd.’ Handelingen II 1905/06, 35, p. 1833.

[141] Minister van Justitie, Van Raalte: ‘Maar aan den anderen kant is het niet te ontkennen, dat er gevallen denkbaar zijn, waarin de strenge regel van het artikel onrecht zou worden, en is het begrijpelijk, dat men dus naar eenige matiging streeft. Mijnerzijds zou ik mij daarbij dan ook kunnen neerleggen. Evenwel zou ik de zaak liever niet geregeld zien op de wijze van het amendement van den geachten afgevaardigde uit Goes [De Savornin Lohman], omdat daardoor in vele gevallen de geheele bepaling krachteloos zoude worden.’; Schaper: ‘[…]dat ik iets gevoel voor het denkbeeld van den heer Drucker, dat de rechter de bevoegdheid zal hebben om in bijzondere omstandigheden de boete te verminderen.’Handelingen II 1905/06, 35, p. 1830.

[142] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1618.

[143] Handelingen II 1905/06, 35, p. 1618.