Gratis juridisch advies




Stel hier je vraag:

(60 c/m)

U kunt uw juridische vraag ook stellen per e-mail of per chat:
  • Betaal € 14,99
  • Wij geven u juridisch advies (meestal binnen een dag),
  • Geef ons een beoordeling en vul het formulier in
  • Wij storten € 14,99 terug!
Waarom?
Door de betaling van € 14,99 krijgen wij alleen serieuze vragen en geen spam. Het advies is gratis omdat wij u terugbetalen. Lees hier de toelichting!

  Ik accepteer de algemene voorwaarden
Vraag stellen    Gratis juridisch advies    Gratis juridisch advies


Loon te laat betaald


In artikel 7:625 BW wordt een op het eerste gezicht enigszins vreemde bepaling aangetroffen. Uit deze bepaling blijkt namelijk dat werknemers aanspraak kunnen maken op een ‘verhoging’ van het loon, wanneer dit niet op tijd wordt voldaan. Een verhoging?

Daarmee wordt dan zeker de wettelijke rente bedoeld? Nee, het is toch echt een ‘verhoging’ van het loon. Wettelijke rente kan daarnaast verschuldigd worden. Nadat het loon 33 werkdagen te laat is, bereikt deze verhoging het maximum van 50%.

Als u uw loon niet op tijd hebt gekregen, dan hebt u na 33 dagen recht op 50% extra!

  • Drie dagen te laat: 0% extra;
  • Vier dagen te laat: 5% extra over het hele loon;
  • Vijf dagen te laat: 10% extra over het hele loon;
  • Zes dagen te laat: 15% extra over het hele loon;
  • Zeven dagen te laat: 20% extra over het hele loon;
  • Acht dagen te laat: 25% extra over het hele loon;
  • Elke volgende dag: 1% extra over het hele loon;
  • ... na 33 dagen moet u anderhalf keer uw loon krijgen!

6.4 Rechtspraak WO II tot 1980

 

In de gepubliceerde jurisprudentie vanaf de Tweede Wereldoorlog tot 1980 valt vooral op dat een duidelijke verruiming is waar te nemen ten aanzien van het gebruik van de matigingsbevoegdheid.[1] Een tweede aspect dat op de voorgrond treedt, is de verhouding tussen de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. De aanleiding daartoe moet worden gezocht in de invoering van een variabele wettelijke rente in 1971, nadat deze voorheen steevast 5% was geweest.[2] Tussen 1971 en 1980 bedroeg de wettelijke rente achtereenvolgens 9%, 8%, 10%, 8% en 10%. De vraag ontstond daardoor opnieuw of naast de wettelijke verhoging tevens wettelijke rente kon worden gevorderd, en zo ja, of in dat geval eveneens wettelijke rente over de wettelijke verhoging kon worden gevorderd. Dit resulteerde in één van de standaardarresten ten aanzien van artikel 7:625 BW: HR 5 januari 1979, NJ 1979, 207 (Swaen-Van Hees).

6.4 Rechtspraak WO II tot 1980

In de naoorlogse periode komt verder veelvuldig de vraag aan de orde of in een bepaald geval sprake is van een vernietigbare- dan wel onregelmatige opzegging van de zijde van de werkgever.[3] Veelal ligt daaraan een – in elk geval vermeende – dringende reden ten grondslag. Wanneer achteraf echter blijkt dat daarvan geen sprake was – of de opzegging blijkt om andere redenen vernietigbaar of onregelmatig – dan kan de werkgever zich geconfronteerd zien met een hoogoplopende loonvordering of schadevergoeding. Evenwel kan de gefixeerde schadevergoeding (inmiddels) worden gematigd op grond van artikel 7:680 lid 5 BW[4] en een eventuele loonvordering op grond van artikel 7:680a BW.[5] In het verlengde daarvan volgt dan de vraag of er tevens aanleiding zou kunnen zijn om de wettelijke verhoging te matigen? Deze jurisprudentie is bij uitstek zeer casuïstisch, hoewel ook duidelijk valt te zien dat het rechterlijk oordeel lijkt te divergeren op vergelijkbare vraagstukken. Vanwege het grote belang dat toekomt aan de specifieke omstandigheden van het geval, valt deze rechtspraak buiten het bestek van dit onderzoek.

De naoorlogse jurisprudentie geeft doorgaans inzicht in het percentage waartoe is gematigd, of dat percentage kan worden herleid. Van alle uitspraken die ik van deze periode heb kunnen vinden, is het gros afkomstig van na 1965. Qua percentage van matiging geeft dit het volgende beeld:

 

Wettelijke verhoging 1945 -1980



7.1. ‘Het in geld vastgestelde loon’

Na WO II kwam het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) tot stand als noodbesluit van de Kroon, ter regulering van de chaotische arbeidsomstandigheden na de Duitse bezetting. Ook over het ten gevolge van dit besluit verschuldigde loon kon wettelijke verhoging worden gevorderd indien het niet-tijdig wordt voldaan.[6]

   Over de vakantievergoeding, die een zieke werknemer kreeg nadat de werkgever aanvankelijk vanwege zijn ziekte geen vakantie toekende, was geen wettelijke verhoging verschuldigd.[7] Ook vakantiegeld en vakantiebijslag waren geen loonbestanddelen waarvan de betaling in de artikel 1638l, 1638n en 1638o was geregeld, zodat hierover geen wettelijke verhoging verschuldigd kan worden.[8] Datzelfde geldt ten aanzien van een winstdeel[9] en de schadeloosstelling ex artikel 1639o (onregelmatige opzegging) en 1637k BW (oud).[10] Daarentegen gold artikel 1638q BW (oud) wel ten aanzien van de niet-tijdig betaalde provisie.[11]

   In de periode voor de oorlog was tantième eenmaal wel, en eenmaal niet als ‘het in geld vastgestelde loon’ aangemerkt. Het Hof te Amsterdam sloot zich aan bij die laatste visie.[12] Voorts kan worden vastgesteld dat over de loonaanspraken, die ontstaan wanneer een werknemer ‘later van zijn bereidheid tot het verrichten van die arbeid opnieuw zou doen blijken’, als ‘het in geld vastgestelde loon’ in de zin van artikel 1638q BW (oud) moeten worden aangemerkt.[13]

 



7.2 Verruiming rechterlijke matiging

Zoals bovenstaand opgemerkt valt een duidelijke verruiming waar te nemen ten aanzien van de gronden die tot matiging hebben geleid. Uit de parlementaire behandeling van artikel 1638q BW (oud) volgt dat de wetgever het nodig achtte dat de verhoging in bepaalde gevallen moest kunnen worden beperkt. Daarbij werd voornamelijk gedacht aan die gevallen waarin de werkgever – kort gezegd – welwillend was geweest om het loon tijdig te betalen, maar dit door bijzondere redenen desondanks niet was gelukt (zie § 4.8).[14] In de periode na de oorlog toont de lagere rechtspraak echter verschillende gevallen waarin een omstandigheid in de persoon van de werknemer, aanleiding vormde om tot matiging van de wettelijke verhoging over te gaan.

Allereerst valt te wijzen op de casus waarin de werknemer lid was van het Nederlands Arbeidsfront.[15] In een tweede geval had de werknemer tijdens ziekteverlof een geweldsmisdrijf gepleegd in de nachtelijke uren op de openbare weg.[16] Het meest sprekende voorbeeld wordt evenwel gevonden in het vonnis van de kantonrechter in Tiel. Een zekere Van W. was op staande voet ontslagen aangezien hij zich schuldig had gemaakt ‘aan het verleiden, althans trachten te verleiden van de gehuwde dochter van de directeur van partij Van de G. tot [een] handeling strijdig met de wetten of de goede zeden [… terwijl] hij op die dag wederom op heterdaad door de directeur van partij Van de G. werd betrapt’. Het ontslag werd als nietig aangemerkt en de kantonrechter overwoog: ‘bovendien blijkt de al te toegeeflijke houding van de dochter van ‘s werkgeefsters directeur in niet onbelangrijke mate tot het ontstaan der ‘moeilijkheden’ tussen partijen te hebben bijgedragen.’ Tóch zag de kantonrechter aanleiding de verhoging te matigen tot 10%.[17]

In deze drie gevallen werd de verhoging gematigd vanwege omstandigheden, die feitlelijk gezien, met de verplichting om het loon tijdig te voldoen niets uitstaande hebben. Enerzijds heeft het er de schijn van dat de rechter hier in enige mate tot een eigen billijkheidoordeel komt, alsof de hoogte van 50% niet zou zijn voorgeschreven. Dan zou er alleen eerder sprake zijn van het vaststellen op grond van de billijkheid, dan beperken op die grond.[18] Anderzijds lijkt de kantonrechter in bepaalde situaties tegemoet te willen komen aan de werkgever, waarvoor dan de matiging – als oneigenlijk middel – wordt aangewend.[19] In bepaalde gevallen leidt dit misschien wel tot een meer billijke uitkomst, maar de medaille heeft ook een keerzijde. Hiermee wordt het oorspronkelijke oordeel van de wetgever – omtrent wat billijkheid is – grotendeels gepasseerd. Daarnaast zal de effectiviteit van het preventieve element van de boete verminderen, terwijl verminderde rechtszekerheid daarvan het gevolg zal zijn.

 



7.3 Rechtsdwaling

In de periode voor de oorlog was in de lagere rechtspraak verschillend geoordeeld ten aanzien van de vraag of rechtsdwaling bij de werkgever aanleiding zou geven om de wettelijke verhoging te matigen. Impliciet lijkt deze vraag ontkennend te zijn beantwoord in HR 19 november 1948, NJ 1949, 86 (De Kock/ J.B. van Heijst & Zonen). Hier was sprake van een nietige opzegging ex artikel 6 BBA, doordat was opgezegd zonder – schriftelijke – toestemming daartoe van het Gewestelijk Arbeidsbureau. De Hoge Raad oordeelde dat een redelijke wetstoepassing in dit geval echter meebracht dat de nietige opzegging moest worden geconverteerd in een geldige.[20] Zij deed de zaak vervolgens zelf af onder toekenning van 50% wettelijke verhoging, met daarbij wettelijke rente over zowel het loon als de wettelijke verhoging.[21] Dat de werkgever meende ook zonder schriftelijke toestemming de overeenkomst te kunnen opzeggen, vormde naar het oordeel van de Hoge Raad klaarblijkelijk geen aanleiding om de verhoging te matigen.

 



7.4 Vernietigbare - en onregelmatige opzegging

In verschillende zaken bleek de werknemer onverwijld zijn ontslag aangezegd te hebben gekregen vanwege een dringende reden daartoe. Zo oordeelde de rechter in een aantal gevallen dat er geen aanleiding was de wettelijke verhoging te matigen, indien van een dringende reden achteraf geen sprake bleek te zijn.[22] Hoe meer deze reden het gerechtvaardigd deed lijken om ontslag op staande voet te verlenen, des te meer zal dit in de matiging kunnen uitwerken. Immers, dan is ook vanuit gerechtvaardigd standpunt het loon niet (tijdig) voldaan.

   Maar omtrent matiging werd ook anders geoordeeld. In een aantal gevallen lijkt dat ook verdedigbaar, zoals in de casus waarin een als hersteld verklaarde werknemerster niet op het werk verschijnt, terwijl haar beroep tegen die verklaring achteraf ongegrond werd verklaard.[23] Ook zijn er situaties te bedenken waarin de matiging niet geheel onbegrijpelijk voorkomt,[24] of waarin zich een geval voordoet, voor welke de matigingsbevoegdheid nu juist in het leven lijkt te zijn geroepen.[25] Maar in veel gevallen roept de toegepaste matiging vragen op.[26] Wanneer er namelijk geen dringende reden was om de werknemer te ontslaan maar de werkgever dit desondanks abusievelijk meende, dan lijkt het toch in beginsel aan hem toe te schrijven dat hij het loon niet op tijd betaalde?

   Het antwoord op die vraag zal sterk afhangen van de omstandigheden van het geval. In ieder geval moet niet uit het oog worden verloren dat artikel 7:625 BW in beginsel straf stelt op niet-tijdige betaling. Wanneer een werkgever bij zijn keuze om het loon niet te betalen bij voorbaat zou kunnen rekenen op de coulance van de rechter, dan zou dit haaks staan op de bedoeling van het artikel. In dat verband kan gedacht worden aan de casus waarin een werknemer vanwege ongeschiktheid op staande voet was ontslagen. Dit komt immers voor als een tamelijk onberaden besluit van de werkgever. Desondanks werd gematigd tot 10 %.[27]

   In situaties waarin sprake is van een vermeende ontvreemding lijkt voorzichtigheid nog meer geboden. Bij het nemen van het vergaande besluit tot onverwijlde opzegging, dient dan ook ten minste ‘buiten iedere twijfel’ vast te staan dat de werknemer schuldig is aan hetgeen hem verweten wordt. [28] Gaat een werkgever hierin lichtvaardig te werk en betaalt hij het loon nadien niet meer, dan valt niet in te zien waarom deze niet-tijdige betaling niet aan hem zou zijn te schrijven. In het verlengde daarvan doet zich de situatie voor, waarin de diefstal achteraf niet wordt bewezen. Dient de wettelijke verhoging in dergelijke gevallen te worden gematigd? En zo ja tot welk percentage? Nu eens wordt gematigd tot ca. 0,5 %, dan weer tot ca. 23 %.[29] Ook kan gedacht worden aan de omstandigheid waarin de dringende reden niet onverwijld werd medegedeeld. De kantonrechter in Hoorn matigde hier tot ca. 37 %, toen hij de vordering afrondde tot het bedrag van f 6.000.- .[30]

   Uit deze jurisprudentie valt geen eensluidend beeld te construeren. Dat komt enerzijds omdat de omstandigheden van het geval uiteraard niet exact hetzelfde zijn, maar anderzijds omdat de motivering van de uitspraak veelal geen opheldering geeft.[31]  In de gevallen waarin sprake was van een vernietigbare - dan wel onregelmatige opzegging, terwijl daarbij geen eventuele dringende reden aan de orde was gesteld, volgt een vergelijkbaar  beeld.[32]

 




7.5 Overige gehonoreerde gronden voor matiging

In twee gevallen werd de wettelijke verhoging gematigd nadat met terugwerkende kracht bleek dat de (gedeeltelijk) zieke werknemer aanspraak had op loon.[33] Ook overwoog de kantonrechter te Leiden in een casus waarin de werkgever niet het minimumjeugdloon had voldaan: ‘nu eiser eerst in een zeer laat stadium, nl. bij het scheiden van de markt – zoals gedaagde dit noemt – met zijn vordering is gekomen, er geen aanleiding bestaat om de wettelijke verhoging integraal toe te kennen; dat Wij met het oog op de omstandigheden van het geval die wettelijke verhoging zullen beperken tot 10 procent.’[34] Geheel anders oordeelde de kantonrechter in Dordrecht omtrent de betaling van overuren in het onderwijs. Er waren geen reden om de verhoging te matigen.[35] In weer een andere zaak verplichtte de CAO er ten onrechte toe ‘ontslag te geven aan een arbeider die geen lid is van een der vakbonden-partijen’.[36] Tenslotte kan gewezen worden op de casus waarin een portier aanspraak kon maken op loon, terwijl oorspronkelijk geen loon was overeengekomen (portier op fooien). Ook hier werd gematigd.[37]

 



7.6 De mate van beperking

In de figuur in paragraaf 6.4 valt te zien dat veelal een verhoging werd toegekend van 0%, 10% of 50%. Bij de vier gevallen, waarin sprake is van een matigingspercentage tussen de 10% en 50%, is dit niet als zodanig door de rechter aangegeven, maar is dit het gevolg van omrekening van het toegekende bedrag aan wettelijke verhoging.[38] Daaruit lijkt te volgen dat de mate van beperking enigszins willekeurig wordt gegeven. Kennelijk wordt eerder gezocht naar een afgerond getal om de verhoging op vast te stellen (0, 10 of 50%). Wanneer echter een mooi rond bedrag als uitgangspunt wordt genomen, dan is de mate van beperking veelal geheel anders. In de vier genoemde uitspraken resulteerde dit immers tot ca. 19, 23, 37 en 41%.

In een enkel vonnis valt te lezen dat de rechter de verhoging maximaal kan ‘beperken tot het minimale bedrag van ƒ 1.-.’[39] Doorgaans wordt in de jurisprudentie van na de oorlog duidelijk tot welk bedrag of welk percentage de rechter matigt indien de omstandigheden dit vereisen. Er zijn echter ook uitspraken waarin bijvoorbeeld een all-in bedrag werd toegekend.[40]

 



7.7 Artikel 7:625 BW en wettelijke rente

In de twee arresten waarin de Hoge Raad de zaak zelf had afgedaan, werd een wettelijke verhoging toegekend van 50%, met daarover de wettelijke rente.[41] Doorgaans werd als gevolg daarvan naast de wettelijke verhoging, tevens wettelijke rente toegekend.[42] Tóch werd de vraag gesteld of dit principieel wel juist was. Zoals gebleken dichtte de wetgever aan artikel 1638q BW (oud) ook een tweeledig karakter toe, met een bestraffend- en een schadevergoedend element (zie § 4.8). In een enkel geval werd deze kwestie in cassatie aan de orde gesteld, hoewel het bestreden vonnis op een andere grond werd vernietigd. Daaruit volgde geen duidelijkheid op dit punt.[43]

In 1979 liet de Hoge Raad zich echter expliciet uit over deze aangelegenheid in: HR 5 januari 1979, NJ 1979, 207 (concl. A-G Ten Kate; m.nt.P.A. Stein) (Swaen/Van Hees).[44]

 

‘Onderdeel IV bevat de stelling, dat de Rb niet naast de in art. 1638q bedoelde wettelijke verhoging van de loonsom wegens niet-tijdige uitbetaling van het loon ook nog de in art. 1286 bedoelde wettelijke interessen had mogen toewijzen. Hierbij wordt echter uit het oog verloren, dat de in art. 1638q geregelde ‘verhoging’, mede blijkens de wijze waarop deze moet worden berekend, niet zozeer bedoeld is als een vorm van vergoeding van door de werknemer als een gevolg van de vertraagde uitbetaling geleden schade, maar veeleer als een prikkel voor de werkgever om het loon tijdig uit te betalen. Daarbij past de sterke ‘verhoging’ over de vierde tot en met de achtste dag, de bepaling dat de verhoging in geen geval de helft van het verschuldigde bedrag zal te boven gaan en de bevoegdheid van de rechter om de verhoging te matigen. Daartegenover zijn de in art. 1286 geregelde wettelijke interessen bedoeld als een vergoeding van de schade die de schuldeiser lijdt doordat hij de geldsom waarop hij recht heeft niet tijdig ontvangt. Voor deze schadevergoeding geldt niet dat zij door de rechter gematigd kan worden, noch dat zij niet meer kan bedragen dan de helft van de vordering. Er is dan ook geen reden aan te nemen dat art. 1638q aan een toekenning van wettelijke interessen krachtens art. 1286, als in het onderhavige geval geschied, in de weg staat. De in art. 1638q aan de rechter toegekende matigingsbevoegdheid biedt voldoende mogelijkheid om een onredelijke cumulatie van de in dat artikel bedoelde verhoging met de in art. 1286 geregelde moratoire interessen te voorkomen.’

 

Annotator P.A. Stein merkte hierover op:

 

‘Oogmerk van de bepaling omtrent wettelijke interessen is, om de discussie omtrent de hoogte van de geleden schade af te snijden (Asser-Rutten I, De verbintenis, blz. 217) en bij een dergelijke wettelijke schadefixatie is voor toepassing van voordeelstoerekening geen plaats. (P.J. Verdam in HNJV 1959, blz. 176; Bloembergen, a.w. nr. 224.)

Om deze reden kan de wettelijke verhoging van het loon cf. art. 1638q niet op de wettelijke interessen in mindering worden gebracht, hetgeen een ongerechtvaardigde bevoordeling van de werknemer kan teweegbrengen. Het bovenstaande arrest bevat een aanwijzing, hoe dit vraagstuk hier moet worden opgelost: de rechter zal in voorkomende gevallen gebruik dienen te maken van de hem in art. 1638q verleende bevoegdheid, de wettelijke verhoging te beperken als hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, teneinde een onredelijke cumulatie van de wettelijke verhoging van het loon met de wettelijke interessen tegen te gaan.’

 



7.8 Opmerkingen

In het bovenstaande Swaen/van Hees-arrest bepaalde de Hoge Raad dat een redelijke wetstoepassing meebracht, de algemene matigingsbevoegdheid van artikel 1639r BW (oud) m.b.t. de daar bedoelde schadeloosstelling in geval van een onregelmatige beëindiging, van analoge toepassing te achten wanneer sprake is van een loonvordering. Daarnaast werd bevestigd dat artikel 7:625 BW bedoeld is ‘als een prikkel voor de werkgever om het loon tijdig uit te betalen’. Die zinsnede is sindsdien sterk verbonden met het artikel.

In veel gevallen lijkt de wettelijke verhoging niet enkel op grond van de billijkheid te worden beperkt, maar naar billijkheid te worden begroot (zie § 7.3). Nog een stap verder is echter het geval, waarvan het vonnis van de kantonrechter te ‘s-Gravenhage getuige doet zijn: ‘[…]dat Wij de wettelijke verhoging ex artikel 1638q BW, gelijk bij dit Kantongerecht gebruikelijk, zullen vaststellen op 10 procent […]’[45] Niet alleen lijkt dan het primaat van de wetgever in het geding te zijn – de rechter zou dan immers op de stoel van de wetgever gaan zitten. Vooral komt het mij zeer twijfelachtig voor wanneer de toepassing van een bepaling, waarin de wetgever een sanctie heeft vastgesteld – waarbij de rechter voor bijzondere gevallen de bevoegdheid is toegekend om te matigen op grond van de billijkheid – door die rechter zodanig in beleid zou worden vastgelegd, dat daarmee feitelijk de beperkende werking van de billijkheid wordt ‘verdisconteerd’ in een lagere standaardsanctie (die kennelijk meer de voorkeur verdient?).

 



[1] Ik bespreek hier 47 uitspraken (16 v/d HR, 7 v/d Rb en 24 v/d Ktr.).

[2] Art. 1286 lid 1 BW (oud) Juncto artikel 1 lid 2 Wet van 22 december 1857, Stb. 1857, 171, tot buiteneffectstelling en vervanging der Fransche Wet van 3 september 1907 op de interesten: De wettelijke interesten bedragen in burgerlijke zeken vijf en in handelszaken zes ten honderd in het jaar.

[3] Vernietigbaar: art. 6 juncto art. 9 BBA gevolgd door een loonvordering ex art. 7:628 BW, of onregelmatig: art. 7:677 lid 2 BW, gevolgd door een volledige schadevergoeding of een gefixeerde schadevergoeding (7:677 lid 2 BW juncto art. 7:680); zie: Bakels/Asscher-Vonk & Bouwens 200 9, p. 149.

[4] Artikel 1639r lid 5 BW (oud).

[5] In dit artikel is de analoge toepassing van de matiging gecodificeerd, zoals deze eveneens in HR 5 januari 1979, NJ 1979, 207 (Swaen/Van Hees) door de Hoge Raad was aanvaard.

[6] HR 14 januari 1955, NJ 1955, 170 (Steenbeek - Van den Heuvel) ; HR 8 januari 1971, NJ 1971, 129 (American Express - Baron Mackay) – geen  matiging.

[7] Rb Groningen 16 maart 1951, NJ 1951, 609 (Huizinga - Groninger Transportbedrijf).

[8] Ktr. Amsterdam 10 februari 1977, Prg. 1977, 1205 (De Jager - Miele Nederland ) & Ktr. Amsterdam 9 maart 1973, NJ 1974, 479 (Mozes - Van Erkelens). Anders: Rb Utrecht 23 december 1970, Prg. 1971, 641 m. nt. M.B. Vos (Woudenberg - Coöp). M.B. Vos: Ik kan mij verenigen met het oordeel en met de motivering van de Rechtbank dat de vakantietoeslag moet worden geacht te zijn naar tijdruimte vastgesteld loon in de zin van art. 1638a. De beoogde bestedingsbestemming van de toeslag brengt geen verandering in het feit dat deze een bestanddeel van het loon – zijnde de contraprestatie voor de verrichte arbeid – vormt en met het gewone loon geheel meeloopt’.

[9] Ktr. Haarlem 28 mei 1954, NJ 1955, 130 (Kerszemaker - Coöp).

[10] Ktr. Maastricht 1 mei 1957, NJ 1958, 167 (Bonfrère - Raike) ; Ktr. Amsterdam 28 februari 1969, Prg. 1971, 650 (S.C.A. - Carre) ; Ktr. Tilburg 26 augustus 1971, Prg. 1972, 707 (Schellekens - Tuerlings).

[11] Ktr. Hoorn 18 april 1967, SMA 1968, p. 139 (P.J.L. - Spaarkas). Kennelijk per abuis is de wettelijke verhoging hier ook toegekend ten aanzien van niet-tijdig betaalde kinderbijslag (!).

[12] HR 23 april 1965, NJ 1965, 211 (Technische Uitgeverij H. Stam - Rijff). In cassatie kwam deze vraag niet aan de orde.

[13] HR 6 november 1964, NJ 1965, 88 (Kervel - Deelen).

[14] Vgl. Molenaar 1957, p. 82.

[15] Ktr. Haarlem 27 september 1946, NJ 1947, 295 (Kock/NS): ‘dat dit impliceert, dat eischer in ernstige mate is tekort geschoten in het betrachten van de juiste houding in verband met de bezetting, zoodat gedaagde het volste recht had hem in afwachting van een nadere beslissing te schorsen.’

[16] Ktr. Delft 25 januari 1979, Prg. 1981, 1641 (M.D./Nutricia).

[17] Ktr. Tiel 6 oktober 1976, Prg. 1977, 1148 (J.H.van W./Van der G. 's Tapijt- en Meubelcentrale).

[18] In een enkel geval lijkt de motivering van de rechter hier tevens van te getuigen: Ktr. Hoorn 20 maart 1972, Prg. 1974, 887 (Harinck/Oudejans). Vgl. de vaststelling ex aequo et bono volgens artikel 6:96 BW; Vgl. Abas 2006, p. 2.

[19] Zie bijv: Ktr. Amsterdam 7 februari 1977 (De Klerk/De Volkskrant): ‘Is de agent van een dagblad werknemer/arbeider (krantenbezorger) bedoeld in art. 1 BBA? Ktr: Ja. ‘Een andere vraag is, of eiser al of niet behoorlijk aan die verplichtingen uit de overeenkomst voortvloeiend heeft voldaan en of op deze grond het door gedaagde gegeven ontslag gerechtvaardigd was, doch nu gedaagde uitdrukkelijk heeft gesteld deze vraag in deze procedure als niet relevant te willen beschouwen, behoeven Wij in een onderzoek van deze vraag niet te treden.’ De wettelijke verhoging werd echter gematigd tot ca. 9%. Vgl. Abas 1972, p. 105 over het ‘bemiddelend vonnis’: ‘dat de rechter in sommige gevallen de door beide partijen ingenomen standpunten dermate aannemelijk vindt, dat hij er niet toe kan besluiten de één in het gelijk, de ander in het ongelijk te stellen.’

[20] HR 19 november 1948, NJ 1949, 86 (De Kock /J.B. van Heijst & Zonen).

[21] Vgl. HR 21 november 1919, NJ 1920, p. 65 (Van der Sluys/Heemskerk), waarin de Hoge Raad eveneens wettelijke rente over de wettelijke verhoging toekende.

[22] HR 15 maart 1968, NJ 1968, 301 (Noels - Rombout): ‘Je kunt je jas wel (of: weer) aantrekken’ was terecht opgevat als een hem aangezegd ontslag op staande voet ; Ktr. Haarlem 2 maart 1971, Prg. 1972, 717 (De Zoete - Katholiek Maatschappelijk Jeugd- en Gezinswerk): het niet versturen van een bericht van genezenverklaring nadat de werknemer op non-actief was gesteld ; HR 15 april 1977, NJ 1977, 513 (Van Belleghem - Mabesoone): wellicht enigszins dubieus, nu bewezen werd geacht dat Van Belleghem ‘kennelijk had berust’ in het ontslag, terwijl [HR:] ‘het onderdeel van het middel uitgaat van een andere lezing van het arrest en daarom feitelijke grondslag mist.’ ;  HR 16 februari 1973, NJ 1973, 163 (Schrijver - Jansen).

[23] Ktr. Amsterdam 18 februari 1975, Prg. 1975, 1012 (Biks - Plieger) ; Vgl. Rb Amsterdam 27 juni 1979, Prg. 1981, 1581 (Plet - Papierfabrieken Van Gelder).

[24] Ktr. Amsterdam 10 februari 1977, Prg. 1977, 1205 (De Jager - Miele Nederland ): ‘Uitdrukkingen als ‘schijtbrief’ en ‘met mooie praatjes de mond snoeren’ kunnen moeilijk als beledigend worden opgevat. O. dat een minder parlementair woordgebruik door een werknemer tegen de directeur van de werkgeefster geen voldoende grond voor ontslag op staande voet is.’

[25] Ktr. Hoorn 18 april 1967, SMA 1968, p. 139 (P.J.L. - Spaarkas).

[26] Vgl. Ktr. Delft 14 februari 1974,  (Rijgersberg - Aannemingsmaatschappij D. de Rooy): ‘een ontslagen arbeider in ieder geval in de gelegenheid dient te worden gesteld om zo spoedig mogelijk na een hem gegeven ontslag inlichtingen omtrent de geldigheid van dit ontslag in te winnen bij het bevoegde Gewestelijk Arbeidsbureau’ – matiging tot 10 %. Vgl. in dat verband: Rb Zaandam 29 februari 1996, Prg. 1996, 4639 (Zomerdijk - Jongeneel ).

[27] Ktr. Delft 14 februari 1974, Prg. 1974, 918 (Rijgersberg - Aannemingsmaatschappij D. de Rooy).

[28] Vgl. Ktr. Amsterdam 28 februari 1969, Prg. 1971, 650 (S.C.A. - Carre).

[29] Matiging: ca 0,5% HR 12 november 1976, NJ 1977, 140 (D.W.E.M. Exploitatie Maatschappij - Geldermans) (in hoger beroep en cassatie kwam de wettelijke verhoging in casu niet nader aan de orde) ; ca. 23 % Rb Roermond 30 januari 1975, Prg. 1976, 1084 (Nass - Klaassen).

[30] Ktr. Hoorn 18 april 1967, SMA 1968, p. 139 (P.J.L. - Spaarkas).

[31] Zie overigens: Rb Arnhem 13 oktober 1977, Prg. 1978, 1255 m. nt. Van der Grinten (A - Firma A. van Dijk ): W.G.L. van der Grinten: ‘Hoogst merkwaardig vonnis’ Rb: Niet onverwijld gegeven, maar dat ook afgezien van het niet onverwijld aan A. mededelen van de dringende reden tot ontslag, het tekortschieten van A. in de afdracht van de gelden der cadeaux niet zodanig ernstig is, dat dit een ontslag op staande voet rechtvaardigde.’ Verhoging gematigd tot 10%.

[32] Geen reden tot matiging: Ktr. Alkmaar 26 september 1973, Prg. 1974, 943 (Neugebauer - Johanna’s Hof): ontslag van eiser als nietig moet worden beschouwd, waar ook de vergunning van de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau ontbrak ; Rb Arnhem 11 januari 1979, Prg. 1981, 1632 (Venus  - Te Kaat): Grief 2: ‘Ten onrechte heeft de Kantonrechter de maximale wettelijke verhoging toewijsbaar geacht’- O. dat ook deze grief faalt: dat toch het feit dat eerst op 20 juli 1977 door Te Kaat schriftelijk tegen het hem op 13 juni 1977 gegeven ontslag per 1 augustus 1977 is geprotesteerd, mede gelet op de ziekte van Te Kaat, nog niet medebrengt dat matiging van de verhoging ex artikel 1638q BW op zijn plaats zou zijn en evenmin het feit dat Venus sedert 1 augustus 1977 geen werk meer voor Te Kaat had en tegenover de loonvordering van Te Kaat geen enkele prestatie zijdens Te Kaat staat, zijnde dit Venus persoonlijk betreffende omstandigheden, die Te Kaat niet regarderen ; HR 21 december 1973,  (Het Botermeisje - Te Vruchte). Wel reden tot matiging: Ktr. Amsterdam 7 februari 1977,  (De Klerk - De Volkskrant) - ca. 9 %: Een andere vraag is, of eiser al of niet behoorlijk aan die verplichtingen uit de overeenkomst voortvloeiend heeft voldaan en of op deze grond het door gedaagde gegeven ontslag gerechtvaardigd was, doch nu gedaagde uitdrukkelijk heeft gesteld deze vraag in deze procedure als niet relevant te willen beschouwen, behoeven Wij in een onderzoek van deze vraag niet te treden ; Ktr. Groningen 4 juli 1979, LJN AM4669 (Wildeboer - ASCA) - ca. 1 %: Gedaagde blijkt niet tot een effectuering van ontslag tegen laatstgenoemde datum te hebben kunnen en willen overgaan, omdat eiseres voor dat tijdstip ziek werd.

[33] HR 3 februari 1978, NJ 1978, 248 (Roovers - De Toekomst) – de ktr. had  gematigd tot 10% en daartegen werden geen grieven gericht ; Ktr. Sittard 9 juni 1978, Prg. 1979, 1328 (Vloedmans - Philips Gloeilampenfabrieken).

[34] Krt. Leiden 15 maart 1978, Prg. 1978, 1283 (Van der Wilde - Kamsteeg).

[35] Ktr. Dordrecht 7 maart 1977, Prg. 1979, 1408 (Lous - KNLC).

[36] HR 16 januari 1970, NJ 1970, 156 (De Boer - De Leidsche Courant) – ktr. matigde tot ca. 19% en daartegen werden geen grieven gericht.

[37] HR 14 januari 1955, NJ 1955, 170 (Steenbeek - Van den Heuvel).

[38] Ktr. Hoorn 18 april 1967, SMA 1968, p. 139 (P.J.L./Spaarkas); HR 16 januari 1970, (De Boer/De Leidsche Courant); Ktr. Hoorn 20 maart 1972, (Harinck/Oudejans) & Rb Roermond 30 januari 1975, Prg. 1976, 1084 (Nass/Klaassen).

[39] Ktr. Sittard 9 juni 1978, Prg. 1979, 1328 (Vloedmans/Philips Gloeilampenfabrieken).

[40] Ktr. Tilburg 22 november 1978, Prg. 1980, 1428 (Janssen/Schoenmakers).

[41] HR 19 november 1948, NJ 1949, 86 (De Kock/J.B. van Heijst & Zonen); HR 19 november 1948, NJ 1949, 86 (De Kock/J.B. van Heijst & Zonen). In latere arresten lijkt de Hoge Raad de mening te zijn toegedaan dat het oordeel omtrent de eventuele matiging op grond van de billijkheid, als van feitelijke aard aan de feitelijke rechter is voorbehouden: HR 2 oktober 1987, NJ 1988, 233 (Pons/Meerman); HR 11 oktober 1996, NJ 1997, 202 (Laffeber/Borm).

[42] Zie bijv.: Ktr. Amsterdam 14 maart 1950, NJ 1951, 316 (Van Dorth/Firma ETTI); HR 19 november 1948, NJ 1949, 86 (De Kock/J.B. van Heijst & Zonen); HR 21 december 1973 (Het Botermeisje/Te Vruchte).

[43] HR 11 februari 1955, NJ 1955, 220 (Fabron/Pastoor): A-G Langemeijer ‘ het tweede middel beklaagt zich in onderdeel a vooreerst dat de Rb naast de verhoging van art. 1638q ook rente heeft toegekend. Uw Raad deed echter hetzelfde bij Uw arrest van 19 nov. 1948, NJ 1949, 86. Ik zie geen reden om aan te nemen, dat dit niet op een welbewust oordeel heeft berust en ook schijnt mij deze opvatting het meest in overeenstemming met de strekking van art. 1638q, dat toch niet anders kan beogen dan aan de aanspraak van de arbeider op stipte loonbetaling een extra versterking te verlenen.’

[44] Zie overigens de conclusie van A-G Ten Kate, waarin hij opmerkt: ‘Ook al is de gedachte geopperd van een amendement om in het artikel aan te late betaling ‘moratoire interesse krachtens de wet en niets meer dan dat’ te verbinden (Bles III, p. 184), daaraan is geen gevolg gegeven.’ Hier wordt gedoeld op het amendement ‘De Savornin Lohman’, dat echter een andere strekking lijkt te hebben (zie § 4.5.1).

[45] Ktr. ‘s-Gravenhage 7 september 1973, Prg. 1973, 853 (Van Woerkom/Nederlands Dans Theater). Dit vonnis werd in hoger beroep bekrachtigd, hoewel overigens geen grieven waren gericht tegen het vermelde oordeel: Rb ‘s-Gravanhage 5 november 1975, NJ 1978, 12 (Nederlands Dans Theater /Van Woerkom).