Gratis juridisch advies




Stel hier je vraag:

(60 c/m)

U kunt uw juridische vraag ook stellen per e-mail of per chat:
  • Betaal € 14,99
  • Wij geven u juridisch advies (meestal binnen een dag),
  • Geef ons een beoordeling en vul het formulier in
  • Wij storten € 14,99 terug!
Waarom?
Door de betaling van € 14,99 krijgen wij alleen serieuze vragen en geen spam. Het advies is gratis omdat wij u terugbetalen. Lees hier de toelichting!

  Ik accepteer de algemene voorwaarden
Vraag stellen    Gratis juridisch advies    Gratis juridisch advies


Loon te laat betaald


In artikel 7:625 BW wordt een op het eerste gezicht enigszins vreemde bepaling aangetroffen. Uit deze bepaling blijkt namelijk dat werknemers aanspraak kunnen maken op een ‘verhoging’ van het loon, wanneer dit niet op tijd wordt voldaan. Een verhoging?

Daarmee wordt dan zeker de wettelijke rente bedoeld? Nee, het is toch echt een ‘verhoging’ van het loon. Wettelijke rente kan daarnaast verschuldigd worden. Nadat het loon 33 werkdagen te laat is, bereikt deze verhoging het maximum van 50%.

Als u uw loon niet op tijd hebt gekregen, dan hebt u na 33 dagen recht op 50% extra!

  • Drie dagen te laat: 0% extra;
  • Vier dagen te laat: 5% extra over het hele loon;
  • Vijf dagen te laat: 10% extra over het hele loon;
  • Zes dagen te laat: 15% extra over het hele loon;
  • Zeven dagen te laat: 20% extra over het hele loon;
  • Acht dagen te laat: 25% extra over het hele loon;
  • Elke volgende dag: 1% extra over het hele loon;
  • ... na 33 dagen moet u anderhalf keer uw loon krijgen!

8 Rechtspraak 1980 - 2000

In de twintig jaren die volgen na het Swaen/Van Hees-arrest zijn tamelijk grote veranderingen waar te nemen als het aankomt op de toepassing van het matigingsrecht van artikel 1638q BW (oud). Enerzijds valt op dat artikel 1638q BW in veel gevallen lijkt te zijn ‘meegezogen’ in de jurisprudentie omtrent de analoge toepassing van artikel 1639r BW (oud) ten aanzien van loonvorderingen (zie § 8.3). Anderzijds lijken de toepassingscriteria van de matigingsbevoegdheid zich – met name in de lagere rechtspraak – nog meer dan voorheen te hebben versoepeld.

Gedurende deze twintig jaren heeft de Hoge Raad zich een aantal malen expliciet uitgelaten over de wettelijke verhoging. In een aantal gevallen werd de rechter opnieuw de vraag voorgelegd wat onder ‘het in geld vastgestelde loon’ diende te worden verstaan. De Hoge Raad liet in 1991 en 1998 weten dat het hier om een ruim begrip gaat.[1]

Rechtspraak 1980 - 2000

Gedurende deze twintig jaren heeft de Hoge Raad zich een aantal malen expliciet uitgelaten over de wettelijke verhoging. In een aantal gevallen werd de rechter opnieuw de vraag voorgelegd wat onder ‘het in geld vastgestelde loon’ diende te worden verstaan. De Hoge Raad liet in 1991 en 1998 weten dat het hier om een ruim begrip gaat.[1]

In vele uitspraken uit deze periode volgt de conclusie dat kennelijk aanleiding bestond om de verhoging te matigen. Anderzijds blijkt ook dat veelal in vergelijkbare gevallen, het tegendeel werd aangenomen. Uit de rechtspraak volgt wat dit betreft een tamelijk diffuus beeld. Dit toont zich met name op het terrein van het ontslagrecht, zoals bijvoorbeeld ingeval van een onregelmatige of vernietigbare opzegging. Juist vanwege het grote belang dat in deze jurisprudentie toekomt aan de omstandigheden van het geval, valt een verdere behandeling daarvan echter buiten het bestek van dit onderzoek.

Ook in tal van andere situaties werd dan weer wel – en dan weer niet door de rechter gematigd. Hoewel ook het percentage van matiging sterk verschilde, valt op dat haast zonder uitzondering werd gematigd tot 1, 5, 10, 15, 20 of 25%. Het merendeel van de uitspraken betreft een verhoging met 10% of 50%. Een enkele maal werd nog een geldbedrag aan wettelijke verhoging toegewezen, in welke gevallen de verhoging (omgerekend) bij uitzondering tussen de 25% en 50% bedroeg. Dit geeft het volgende beeld ten aanzien van het percentage van matiging:

Wettelijke verhoging 1980 -2000



8.1 ‘Het in geld vastgestelde loon’

Verschillende malen werd (opnieuw) aan de orde gesteld waarop gedoeld werd met de term ‘het in geld vastgestelde loon’. In de rechtspraak bleek dat dit begrip niet zag op de vergoeding voor ADV-uren,[2] provisie,[3] wachtgeld,[4] WW-recht,[5] tantième,[6] eindejaarsgratificatie,[7] de vergoeding voor een ter beschikking gestelde auto,[8] vrijgevallen premies[9] en het verschuldigde bedrag dat voortkomt uit een vaststellingsovereenkomst.[10] Evenals in de naoorlogse periode tot 1980 werd vrijwel unaniem aangenomen dat de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen en vakantiebijslag niet als loon in de zin van artikel 1638q BW (oud) viel aan te merken.[11] In 1998 oordeelde de Hoge Raad echter:

 

‘Het begrip loon van art. 1638q omvat alle vergoedingen voor in loondienst verrichte werkzaamheden. Art. 1638q is op dit punt alleen in zoverre minder ruim dat de daar genoemde verhoging, die bedoeld is als prikkel tot tijdige betaling, blijkens de duidelijke bewoordingen van het artikel uitsluitend kan worden toegepast op loon dat in geld is vastgesteld. In aanmerking genomen dat, zoals uit art. 1638bb blijkt, vakantie een recht is, dat door het verrichten van arbeid in loondienst wordt verkregen, behoort ook de aan het einde van de dienstbetrekking voor dat recht in de plaats komende aanspraak op een uitkering in geld – die de werknemer overeenkomstig haar bestemming kan aanwenden voor het opnemen van onbetaald verlof – als een rechtstreekse vergoeding voor in loondienst verrichte werkzaamheden en derhalve als loon in de zin van art. 1638q te worden aangemerkt. Deze ruime opvatting sluit aan bij de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad.’[12]

 



8.2 Arresten van de Hoge Raad

Tussen 1980 en het jaar 2000 heeft de Hoge Raad zich verschillende malen expliciet uitgelaten over de wettelijke verhoging van artikel 1638q BW (oud). Een aantal daarvan zijn reeds in het voorgaande aan de orde gekomen. Hierna volgt een kort overzicht van enkele belangrijke arresten.

In het Steur/Cats-arrest werd in het middel gesteld dat het rechtens onjuist was dat de Rb, gezien de omstandigheden van het geval – en nu tevens rente was gevorderd –, geen aanleiding zag voor het toekennen van een bedrag aan wettelijke verhoging. Enerzijds zou de Rb daarmee buiten de rechtsstrijd tussen partijen zijn getreden omdat in hoger beroep geen grief was gericht tegen het oordeel van Ktr. om de wettelijke verhoging wegens te late betaling op ƒ 1000 vast te stellen. Anderzijds zou de Rb miskend hebben, dat de rechter niet de vrijheid heeft te zijner discretie al dan niet de wettelijke verhoging ex art. 1638q BW toe te kennen. De Hoge Raad oordeelde dat het middel gegrond was: ‘Dat brengt mee dat de Rb de beslissing van de Ktr. omtrent de beperking van gemelde verhoging had te eerbiedigen.’[13]

In het arrest Nieuwkoop-Van Drunen keerde het middel zich tegen het oordeel van de Rb, dat geen gronden aanwezig waren ‘tot het toepassen van de verhoging ex art. 1638q BW’, nu de vertraging in de betaling het gevolg was van een geschil tussen partijen. Het middel klaagde er voorts over dat hierbij geen sprake was van matiging, maar van het buiten toepassing laten van de bepaling.[14] De Hoge Raad stelde echter: ‘De Rb heeft kennelijk gebruik gemaakt van de haar in art. 1638q lid 1 toegekende bevoegdheid tot matiging en heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting te dier zake te zijn uitgegaan.’[15]

In het FNV/Kuypers-arrest benadrukte de Hoge Raad expliciet dat ‘de wettelijke verhoging niet bedoeld is als een vorm van schadevergoeding, maar de strekking heeft de werkgever een prikkel te bieden voor tijdige uitbetaling van het loon.’ Hoewel deze woordkeuze strikter voorkomt dan die in de formulering van het Swaen/Van Hees-arres (‘niet zozeer bedoeld is als …’), volgt niet onomwonden of daarmee ook een strikter criterium werd bedoeld.[16] Een belangrijke – maar overigens volstrekt logische – conclusie kan verder getrokken worden als gevolg van het Boers/Bemo-arrest: wanneer naast een afgewezen vordering tot schadevergoeding of loonbetaling, ook afzonderlijk de wettelijke verhoging is gevorderd over salarisposten die te laat werden betaald, dan gaat het daarbij om een aparte vordering. Het afwijzen van de eerstgenoemde vordering heeft in zo’n geval niet automatisch tot gevolg dat daarmee ook de wettelijke verhoging in het laatste geval zou zijn afgewezen.[17]

Over de motivering ten aanzien van de toepassing van artikel 1638q BW (oud) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten in het Van den Brink/Thalen-arrest. Daarin werd de vraag aan de orde gesteld, of de rechter zou moeten motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot beperking van de wettelijke verhoging. Zoals gezegd wordt met het matigen van de verhoging een uitzonderlijke bevoegdheid aangewend, namelijk om af te wijken van de door de wetgever gestelde regel, wanneer de billijkheid hiertoe in het concrete geval noopt. Een dergelijke (haast omgekeerde) motiveringsplicht vindt volgens de Hoge Raad echter geen steun in het recht.[18] Daaraan deed niet af het beroep op ‘de (rechts) praktijk’ waarin een matiging door de rechter beneden het maximum van 50% ‘regel’ zou zijn geworden. A-G. Franx citeerde daaromtrent uit de losbladige Kluweruitgave ‘Arbeidsovereenkomst’, aant. 2 op art. 1638q: ‘Dat de verhoging bij wijze van gewoonte wordt bepaald op 10% is rechtens volstrekt onhoudbaar.[19]

 



8.3 Samenhang met analogische toepassing ex art. 1639r lid 5 BW (oud)?

In 1953 werd de rechter een algemeen matigingsrecht toegekend om de schadeloosstelling als gevolg van een onregelmatige opzegging te beperken.[20] Veel meer dan voorheen maakte de wetgever een afweging tussen de belangen van de werkgever en die van de werknemer.[21] Het oude artikel 1639r lid 5 BW (oud) kende die matiging alleen in het geval waarin sprake was van een schadeloosstelling, die tot een hoger bedrag was vastgesteld. De mogelijkheid om de schadeloosstelling op grond van de billijkheid te beperken, werd hierdoor enorm vergroot. Een vergelijkbaar gevolg kan worden toegeschreven aan HR 5 januari 1979, NJ 1979, 207 (Swaen/Van Hees), waarin artikel 1639r lid 5 BW (oud) van analoge toepassing werd geacht ter zake van een loonvordering.[22]

Nadien heeft de Hoge Raad deze analoge toepassing in verschillende arresten nader afgebakend. Zo hoeft de rechter niet te motiveren waarom hij matiging achterwege laat, indien geen beroep op matiging wordt gedaan.[23] Ook kan hij de loonvordering ambtshalve matigen.[24] Indien echter wél een beroep op matiging wordt gedaan, dan kan de rechter dat in beginsel met een summiere motivering verwerpen, bijvoorbeeld door te overwegen dat hij geen termen vindt om te matigen.[25] Worden concrete gronden tot matiging aangedragen, dan kan de Hoge Raad beoordelen of de feitenrechter is uitgegaan van een onjuiste opvatting over zijn bevoegdheid.[26] Wanneer de rechter uiteindelijk op grond van bepaalde omstandigheden matigt, dan kan in cassatie worden beoordeeld of hij van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door de matiging op die omstandigheden te baseren.[27]

Hoewel in deze zaken eveneens de wettelijke verhoging werd gevorderd, heeft de Hoge Raad zich in deze gevallen slechts uitgelaten over matiging ex artikel 1639r BW (oud). In géén van deze arresten werd expliciet geoordeeld omtrent de matiging ex artikel 1638q BW (oud). Dit lijk een onbeduidende constatering, en misschien is het dat ook wel. Tóch kan ook worden verdedigd dat die constatering van onderscheidend belang kan zijn. Immers, het betreft twee geheel verschillende matigingsgronden, voor twee totaal verschillende gevallen. Hoewel in beide situaties sprake is van een beperking op grond van de billijkheid, kan daarin m.i. onvoldoende bevestiging worden gevonden voor de stelling, dat het matigingsrecht van de rechter in beide gevallen ‘eender’ is. Dat geldt temeer wanneer bedacht wordt dat artikel 1638q BW (oud) een strafbepaling is, waarin de overheid boete heeft gesteld op een overtreding van de gegeven norm.

In de literatuur lijkt een dergelijk onderscheid minder strikt te worden gemaakt. Zo wordt onder verwijzing naar het Wing/Wehrmeijer-arrest[28] gesteld dat ‘de rechter niet hoeft te motiveren waarom hij niet tot matiging van de wettelijke verhoging overgaat en dat, wanneer hij ambtshalve een matiging heeft toegepast, hij niet hoeft te motiveren waarom hij de gevorderde verhoging niet nog meer gematigd heeft.’[29] In dat arrest heeft het middel zich echter gekeerd tegen het oordeel van de Rb:

 

‘dat zij in de omstandigheden van het geval aanleiding vindt de loonvordering te matigen in dier voege dat de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen geacht wordt in het toegewezen bedrag begrepen te zijn en dat de wettelijke verhoging wordt beperkt tot 10%.’

 

Hieromtrent laat de Hoge Raad weten:

 

‘Ook middel II faalt. De Rb, die kennelijk en begrijpelijkerwijs in de stellingen van Wing niet een verzoek tot matiging van de loonvordering heeft gelezen doch ambtshalve een matiging heeft toegepast op grond van ‘de omstandigheden van het geval’, behoefde niet te motiveren waarom zij de loonvordering niet nog meer gematigd heeft.’

 

Alhoewel het middel zich dus keert tegen het matigen van de loonvordering, ‘in dier voege […] en dat de wettelijke verhoging wordt beperkt tot 10%,’ blijkt het middel zich feitelijk dus niet tegen de matiging van de wettelijke verhoging te hebben gekeerd. Dat is immers geen matiging van de loonvordering.[30] Of de overweging van de Hoge Raad omtrent het matigen van de loonvordering tevens geldt voor het matigen van de wettelijke verhoging, volgt hier in ieder geval minder expliciet, dan het bij eerste lezing eventueel doet voorkomen.

Eenzelfde conclusie volgt ten aanzien van ambtshalve matiging van de wettelijke verhoging. Zo wordt in de literatuur gesteld dat de rechter de wettelijke verhoging ambtshalve kan matigen, voor welke stelling wordt verwezen naar het Steur/Cats-arrest en HR 14 mei 1982, NJ 1982, 604 (Uniforce/Ozpekmezci).[31] In het eerste arrest liet A-G Mok zich hierover in bevestigende zin uit, maar in beide arresten geeft de Hoge Raad geen oordeel omtrent de matiging van de wettelijke verhoging.[32] Met deze constatering wil ik niet het tegendeel betogen, als zou de rechter niet ambtshalve tot matiging van de verhoging kunnen overgaan.[33] Enkel stel ik vast dat in de literatuur soms wordt verwezen naar arresten van de Hoge Raad, alsof daarin expliciet uitsluitsel wordt gegeven over het matigen van de wettelijke verhoging, terwijl bij nadere lezing blijkt dat deze arresten betrekking hebben op een ander matigingsrecht. Daardoor kan m.i. de vraag worden gesteld of voor matiging ex de artikelen 1638q en 1639r lid 5 BW (oud) identieke voorwaarden gelden, en of deze jurisprudentie wel op beide gevallen identiek van toepassing is.[34]

 



8.4 Vernietigbare - en onregelmatige opzegging

De jurisprudentie op het gebied van vernietigbare – en onregelmatige opzeggingen toont een grote diversiteit op het gebied van de toegekende wettelijke verhoging. Bijvoorbeeld blijkt dit in de gevallen, waarin achteraf de vermeende dringende reden kwam te ontvallen aan de onverwijlde opzegging. Zo kwam het voor dat deze reden het ontslag op staande voet niet rechtvaardigde, of dat de onverwijlde mededeling daarvan achterwege was gebleven. De partij die immers opzegt zonder een dringende reden of zonder gelijktijdige mededeling van de dringende reden, is schadeplichtig (art. 677 lid 1 BW). De opzegging is voor de werknemer bovendien vernietigbaar, zodat deze met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op het verschuldigde loon (art. 9 juncto art. 6 BBA juncto artikel 7:628 BW).

   Het voert te ver hier een uitvoerig overzicht te tonen. Wel kan ter illustratie daarvan worden gewezen op enkele schijnbaar contrasterende toepassingen van het matigingsrecht. In de gevallen waarin de werknemer op staande voet was ontslagen vanwege werkweigering, werd de achteraf verschuldigde wettelijke verhoging in het ene geval bijvoorbeeld onverkort toegekend,[35] en in het andere geval gematigd tot 15%,[36] 10%,[37] 5%[38] of slechts 1%.[39] De reden voor deze verschillen valt niet zondermeer op te maken uit de motivering van die beslissingen. Hetzelfde geldt ten aanzien van ontslag op staande voet vanwege een hoogoplopende woordenwisseling: in sommige gevallen bestond geen reden tot matiging,[40] maar in andere gevallen juist tot nihil.[41] Vergelijkbaar is dit ook ten aanzien van vermeende diefstal of fraude,[42] van ‘knoeierijen’ of onjuiste administratie,[43] de situaties waarin de werknemer zich dreigend had uitgelaten tegenover de werkgever,[44] of waarin het ontslag volgde op het begaan van een fout in de uitvoering van de werkzaamheden (verhoging bij dit laatste 25%,[45] 20% [46] of 50%[47]). Een grote diversiteit van de toegepaste matiging lijkt hieruit te volgen. Voorts kan ook gewezen worden op de gevallen waarin geen sprake was van een onverwijlde opzegging.[48]

   Uit de omstandigheden van het geval in de voorgaande situaties lijkt soms te kunnen worden opgemaakt dat ‘eigen schuld’ op een wijze als in artikel 6:101 BW een rol lijkt te spelen. Dit volgt overigens nergens met zoveel woorden in de motivering.[49] Worden echter de gevallen vergeleken waarin juist gesproken lijkt te kunnen worden van ‘eigen schuld’ in de zin van ‘een verwijtbare gedraging’, dan lijkt deze theorie echter niet op te gaan. Ook in die gevallen werd de verhoging namelijk tot vergelijkbare percentages gematigd,[50] terwijl matiging net zo goed plaatsvond wanneer schuld afwezig was.[51] Uit een arrest van de HR uit 1988 volgt in ieder geval de conclusie dat in de omstandigheid, waarin een werkgever als gevolg van het optreden van de werknemer rechtvaardig mocht menen ‘dat dit optreden ontslag op staande voet wettigde’, een reden kan zijn tot matiging van de wettelijke verhoging’. In zo’n geval kan de werkgever namelijk niet ‘worden aangerekend dat hij […] over de toen nog resterende duur van de arbeidsovereenkomst geen loon meer heeft betaald.’[52]

   Doordat het hier een zeer casuïstisch terrein betreft, is het lastig om verder tot algemene conclusies te komen. Bovendien laat de gegeven motivering dit doorgaans niet toe.[53] Bij wijze van uitzondering kan wel nog één algemene constatering worden gedaan: uit de jurisprudentie volgt dat matiging meer regel dan uitzondering is geworden. Maar de conclusie naar aanleiding van een eerder vonnis ‘dat het uit diepste religieuze overtuiging dragen van een hoofddoekje’ in een matiging tot 15% zal resulteren,[54] zou echter voorbij gaan aan de betekenis van de specifieke omstandigheden van het geval. Wellicht ook aan de vrijheid die de rechter hier tentoonspreidt.

 





8.5 Wettelijke rente als grond voor matiging

Nadat de Hoge Raad zich in het Swaen/Van Hees-arrest heeft uitgelaten over de wettelijke rente als eventuele matigingsgrond ‘teneinde een onredelijke cumulatie van de wettelijke verhoging van het loon met de wettelijke interessen tegen te gaan’, is deze matigingsgrond verschillende malen toegepast. Een aantal maal bedroeg de wettelijke rente daarbij op het moment van de uitspraak 12% i.p.v. 5%. De onredelijke cumulatie van 7% (zie § 6.4.7) werd aldus voorkomen door de wettelijke verhoging – soms wat drastisch – te matigen tot ca. 7% of 10%.[55] Evenzo werd een onredelijke cumulatie met de wettelijke rente van 9% voorkomen door de verhoging te matigen tot respectievelijk nihil, 20%, nihil en 10%.[56] Enigszins discutabel lijkt daarentegen de matiging ter voorkoming van een onredelijke cumulatie met een wettelijke rente van 5%; immers het percentage van voor 1971.[57] In 1989 bevestigde de Hoge Raad overigens nogmaals dat artikel 1638q BW (oud) zich er niet tegen verzet ‘dat de rechter gebruik maakt van zijn matigingsbevoegdheid op grond dat [...] over het loon wettelijke rente wordt toegewezen’ (in casu bij 9% rente).[58]

 



8.6 Rechtsdwaling

In verschillende casus bleek de bij (één van beide) partijen levende onjuiste voorstelling van het recht, te resulteren in matiging van de wettelijke verhoging. Gedacht kan worden aan de situatie waarin partijen kennelijk een tegengestelde opvatting hadden omtrent de vraag of sprake was van een arbeidscontract. Doorgaans werd hierbij matiging op zijn plaats geacht. [59] In deze gevallen zijn evenwel zeer uiteenlopende percentages van matiging te zien.[60] Ook blijkt de matiging in lang niet alle gevallen af te hangen van het antwoord op de vraag of ‘de werkgever gerechtvaardigd kon menen dat hij de werknemer geen loon (meer) verschuldigd was’.[61]

Een ander aspect dat op matiging van invloed lijkt te zijn, is de situatie waarbij de werkgever in de onjuiste veronderstelling verkeerde, dat een proeftijd nog voortduurde (art. 7:677 BW juncto art. 6 lid 2 sub c BBA). Ook hierbij lopen de toegepaste percentages uiteen van 10%,[62] 20%,[63] 25%[64] tot 50%.[65]

Tenslotte kan nog worden gewezen op de situatie dat een werkgever zich onvoldoende moeite getroostte om zijn organisatie te laten voldoen aan de inmiddels gewijzigde wetgeving. Daarover liet de kantonrechter te Venlo weten:

 

‘De kantonrechter is van oordeel, dat zeker in de gegeven omstandigheden, de gebleken noodzakelijke nabetaling ingevolge de WGL in de risico-sfeer van gedaagde lag. Het is immers primair de verantwoordelijkheid van de werkgever, in casu gedaagde, om zich bij het in werking treden van de WGL ervan te vergewissen, dat de honorering van haar personeel geschiedde overeenkomstig de bij die wet gestelde bepalingen. […]’[66]

 

Desondanks werd de wettelijke verhoging gematigd tot 10%. In de noot onder dit vonnis van W. Hesseling volgt daarover:

 

‘[…] Twijfel is mogelijk over de vraag of het vrijwillig betalen van hetgeen zeer lange tijd ten onrechte als loon aan een werknemer is onthouden (zonder dat die werknemer enige rechtsmaatregel tot het verkrijgen van het achterstallige heeft ondernomen) grond voor matiging van de wettelijke verhoging van het achterstallige kan zijn.

Men realiseert zich dat meestal niet zo goed, doch bij een vertraging in de betaling van gemiddeld twee jaren bedroeg de rentebesparing/rentewinst voor de traag betalende werkgever de laatste jaren al gauw 2 x 12 pct. (samengesteld) of ruim 25 pct. en de inflatiewinst 2 x 7 pct. of 14 pct. Samen dus plm. 39 pct. De werknemer die het hem toekomende loon gemiddeld 2 jaren te laat ontving had in dat voorbeeld een strop tot een iets lager percentage, want als hij het hem toekomende tijdig zou hebben ontvangen en op rente zou hebben gezet, zou hij waarschijnlijk minder dan 12 pct. rente ‘s jaars hebben ontvangen. Dat de te late betaling voor hem minstens 30 pct. nadeel zou hebben betekend, kan echter wel worden aangenomen. De wettelijke verhoging aan een werknemer is dus zeker niet steeds als een extraatje voor hem te beschouwen. Het afwijzen (of het zeer rigoureus matigen, bijv. tot een gulden) van zo’n vordering betekent echter in verreweg de meeste gevallen een financieel voordeel voor de werkgever. Voor artikel 1638q BW bestaat m.i. nog steeds een goede rechtsgrond.

Wil artikel 1638q BW de werking behouden welke de wetgever er aan heeft willen toekennen dan zal de matigingsbevoegdheid niet zo dienen te worden gehanteerd dat te late loonbetaling voor de werkgever loont. Dan is de wettelijke verhoging immers niet meer een voldoende sterke prikkel voor de werkgever om het loon tijdig te betalen […]’

 

Waar het aankomt op dwaling van de zijde van de werkgever als grond voor matiging, valt op dat de lagere rechtspraak hiermee enigszins flexibel lijkt om te gaan. De Hoge Raad toonde zich immers voorstander van een meer behouden toepassing.[67]

 



8.7 Overige gehonoreerde gronden voor matiging

In de jurisprudentie van de laatste twintig jaar van de vorige eeuw zijn vele gronden te vinden die tot matiging – schijnen – te hebben geleid ten aanzien van artikel 1638q BW (oud). Enkele daarvan lenen zich voor een korte beschrijving ervan.

   Gedacht kan worden aan situaties waarin de werkgever ten onrechter het loon had verrekend met door de werknemer veroorzaakte schade.[68] Ook blijken bijvoorbeeld reden tot matiging te kunnen worden gevonden in de omstandigheid, dat de werkgever ongemachtigd en onrechtmatig zich op verrekening beriep ten aanzien van het loon.[69] Evenzo deden zich verscheidene situaties voor waarin de verhoging over het tijdens ziekte verschuldigde loon werd gematigd.[70] Maar ook hier werd in andere gevallen juist géén grond tot matiging gevonden.[71] In de casus waarin de werknemer aanspraak maakte op betaling van niet-doorgevoerde loonsverhogingen, werd eveneens de volle wettelijke verhoging toegekend.[72]

   In een aantal gevallen beriep de werkgever zich op overeenstemming tussen partijen omtrent het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Uit het inleveren van bedrijfskleding en het elders solliciteren kon volgens de rechtbank Groningen echter geen ontslag met wederzijds goedvinden worden afgeleid, maar hierin bestond kennelijk wel de noodzaak om de verhoging te matigen tot ca. 2%. [73] Een ander voorval doet sterk denken aan de situatie, die later het oordeel van de HR zou vragen in het Hajziani-arres.[74] In casu had de werknemer gezegd: ‘Ik niet meer werken bij TBS’. Hier leidde de vermeende opzegging niet tot het beoogde einde van de arbeidsovereenkomst, maar ondanks de te snelle conclusie van de werkgever – ter zake waarvan inmiddels zijn onderzoeksplicht boven elke twijfel verheven is – werd de wettelijke verhoging gematigd tot 5%. Als reden daartoe werd overigens aangegeven:

 

‘De rechtbank vindt aanleiding om de wettelijke verhoging te beperken tot 5 procent van de hoofdsom. De verhoging van 1638q BW is in beginsel bedoeld als aansporing voor de werkgever om tijdig het loon te betalen, maar is niet bedoeld als extra straf voor een werkgever die een procedure als de onderhavige verliest. Voor een hoger percentage dan 5 procent is te minder aanleiding, nu de werknemer over de loonvordering de wettelijke rente van artikel 1286 BW moet worden vergoed.’[75]

 

Die conclusie komt opmerkelijk voor wanneer bedacht wordt dat deze poena privata juist tot wet is verheven, met als doel de werkgever extra te straffen. Niet voor het verliezen van de procedure, maar wel voor het niet nakomen van de verbintenis. Veelal zullen deze beide elementen in een procedure in elkaars verlengde liggen.

   In een ander geval was de rechter een scherper oordeel toegedaan. Toen de echtgenoot van de werkneemster de overeenkomst gedurende een gespannen sfeer namens haar en in haar bijzijn wilde doen beëindigen, kon uit haar zwijgende houding geen wilsuiting worden aangenomen. Hier was geen matiging op zijn plaats.[76] 

   In 1919 heeft de HR vastgesteld dat het zonder reden ‘stilzitten’ in geval van faillissement, aanleiding vormt om de verhoging te beperken.[77] In de naoorlogse periode is ‘stilzitten’ in de lagere rechtspraak bij tal van andere situaties als matigingsgrond aangenomen (zie tevens § 6.3.6). Ook in de hier besproken periode doen zich hiervan gevallen voor. Zo achtte de Rb te Maastricht het enkele verloop van tijd geen grond voor het matigen van de loonvordering, maar wel voor de wettelijke verhoging.[78]

 



8.8 Artikel 1638q BW (oud) in kort-geding en bij verstek

Het feit dat niet-tijdige betaling aanstonds met sancties wordt gestraft, ‘impliceert dat de wetgever er vanuit gaat dat loonvorderingen uit hun aard spoedeisend zijn’.[79] Toch werd doorgaans geen grond voor toewijzing van de wettelijke verhoging gevonden.[80] Soms werd als reden daartoe gesteld dat er geen spoedeisend belang was om de verhoging toe te kennen.[81] In andere gevallen werd deze echter zonder nadere motivering toegekend.[82]

   De jurisprudentie toont enkele gevallen waarin de wettelijke verhoging bij verstek werd toegewezen. Het lijkt aannemelijk dat in een dergelijk geval geen aanleiding bestaat de verhoging te beperken. De werkgever kan immers volstaan met te stellen dat het loon niet-tijdig is voldaan, welke stelling de werkgever eventueel kan ontkrachten door het leveren van bewijs (zie § 6.3.3).[83] Toch zijn er desondanks ook gevallen bekend waarin de verhoging bij verstek werd gematigd.[84]

 



8.9 Opmerkingen

Ook gedurende de periode van 1980 tot en met het jaar 2000 is de rechter verschillende malen tot een opmerkelijk oordeel gekomen. Zo blijkt bijvoorbeeld in een aantal uitspraken dat de wettelijke verhoging soms bij voorbaat werd gematigd ten aanzien van het loon van nog te vervallen loontermijnen (!).[85]

In enkele gevallen was het loon niet tijdig voldaan als gevolg een tamelijk laakbare toedracht aan de zijde van de werkgever. Hier werd desondanks aanleiding gevonden om de verhoging te matigen.[86] Dergelijke gevallen zullen – naar het zich laat aanzien – niet bijzonder bijdragen aan het doel van de regeling, namelijk om te voorzien in een ‘prikkel’ tot tijdige betaling van het loon. Misschien gaat hiervan zelfs eerder een tegenovergestelde prikkel uit.

Het lijkt aannemelijk dat de wettelijke verhoging bij verstek dient worden toegewezen. De werknemer kan immers in beginsel volstaan met te stellen dat het loon niet-tijdig is voldaan, welke stelling de werkgever eventueel kan ontkrachten door het leveren van bewijs (zie § 6.3.3).[87] Toch zijn er desondanks ook veel gevallen bekend waarin de verhoging bij verstek werd gematigd.[88] In de jurisprudentie zijn ook opnieuw voorbeelden te vinden, die erop wijzen dat zich een standaardmatiging van de praktijk meester heeft gemaakt. Zo zou er een ‘rechtbankbeleid’ bestaan als gevolg waarvan de wettelijke verhoging standaard zou worden gematigd tot 10%.[89] Bijvoorbeeld: ‘De rechtbank zal de verhoging op grond van artikel 7A:1638q BW beperken tot de gebruikelijke 10%.’[90] Een andere keer werd de wettelijke verhoging gematigd, omdat in casu ‘verdere matiging’ van de loonvordering niet mogelijk was – alsof hier de wet van de communicerende vaten geldt.[91] Een soortgelijke conclusie lijkt overigens ook te volgen uit een noot daarbij van de redactie van De Praktijkgids.[92] Ook werd al eens gemotiveerd: ‘Er is reden voor verdere beperking [van de wettelijke verhoging] als de werknemer heeft kunnen terugvallen op WWV-uitkeringen […].’[93] Niet goed valt in te zien om welke reden de eventuele aanspraak op een uitkering, de werkgever zou ontheffen van zijn verplichting om het loon tijdig te voldoen, casu quo de verschuldigde boete berperkt zou dienen te worden. Hierin lijkt zich opnieuw een verruimde toepassing van het matigingsrecht te tonen. Daarbij is soms veeleer sprake van het vaststellen op grond van de billijkheid, dan het beperken op grond daarvan (zie § 6.4.2).[94]

Opmerkelijk was voorts de overweging van de Rb te Zwolle, waarin werd verduidelijkt: ‘De bedoeling van de wetgever met betrekking tot de onderhavige matigingsbevoegdheid is geweest het voorkomen van onredelijke cumulatie met de wettelijke rente.’[95] Enkel in één casus deed zich het geval voor waarin slechts de wettelijke verhoging werd gevorderd, omdat het loon steeds niet-tijdig was voldaan.[96]

 



[1] HR 6 maart 1998, NJ 1998, 527 (Stokkermans/Maatschap Kuijken en Asselbergs); HR 25 januari 1991, NJ 1991, 597 (concl. A-G Koopmans) (Westerweel & Weststrate/Lindhout).

[2] Ktr. Tilburg 21 april 1988, Prg. 1989, 3099 (Van Gool/Brabant Atelier).

[3] Ktr. Arnhem 15 februari 1982, Prg. 1983, 1921 (Bongers/RVS).

[4] HR 28 maart 1997, NJ 1997, 438 (Stichting Zorg voor Bejaarden/Deurenberg).

[5] CRvB 26 januari 1999, LJN AA3580.

[6] Ktr. Rotterdam 15 februari 1989, Prg. 1989, 3057 (Van Herpen/Steijger en Zoon); Ktr. Enschede 17 juni 1993, Prg. 1993, 3971 (Tijhuis/Texim Electronics).

[7] Ktr. Utrecht 21 april 1992, Prg. 1992, 3736 (Van Hoven/Apotheek Amerongen-Elst).

[8] Ktr. Eindhoven 10 december 1992, Prg. 1993, 3876 (Van der Meulen/Cemsto).

[9] Ktr. Leeuwarden 10 februari 1983, NJ 1984, 750 (Hageman/Stichting nieuw Toutenburg); Ktr. Utrecht 27 januari 1988, Prg. 1988, 2850 (Horsman/NCHP).

[10] Ktr. Bergen op Zoom 5 januari 1983, Prg. 1983, 1942 (Vermunt/Roosendaalse Verwarmings Industrie).

[11] Rb Roermond 27 maart 1980, Prg. 1980, 1523 (Achten/De Vezelpers); Rb Amsterdam 13 februari 1985, Prg. 1985, 2305 (Herman/Max Factor); Rb ‘s-Gravenhage 27 januari 1988, Prg. 1988, 2909 (De Boer/RIB); Ktr. Amsterdam 21 augustus 1989, Prg. 1989, 3154 (Ash/HVA-Nederland); Ktr. Utrecht 27 september 1995, Prg. 1996, 4471 (B/Hof van Dieren Pensioen); Ktr. Enschede 31 juli 1997, Prg. 1997, 4836 (Hasselo/Auto Fischer BV); HR 8 mei 1998, NJ 2000, 81 (Management Consultants Europe/Schoenmaker-Wyrwich c.s.); Anders: Rb ‘s-Hertogenbosch 25 oktober 1996, JAR 1996, 231 (Bouma/GIS Munsters).

[12] HR 6 maart 1998, NJ 1998, 527 (Stokkermans/Maatschap Kuijken en Asselbergs). Vgl: HR 25 januari 1991, NJ 1991, 597 (concl. A-G Koopmans) (Westerweel & Weststrate/Lindhout).

[13] HR 26 april 1985, NJ 1985, 663 (concl. A-G Mok) (Steur/Cats).

[14] Dit gebeurde in de praktijk wel meer. Zie bijv. ook het oordeel van de Ktr. in HR 8 juli 1987, NJ 1988, 237 (Boers/Bemo).

[15] HR 13 december 1985, NJ 1986, 293 (concl. A-G Mok) (Nieuwkoop/Van Drunen).

[16] Vergelijk overigens § 4.8 (voetnoot 390) waar in de overweging van Minister van Justitie, Van Raalte, lijkt te volgen dat de wetgever van 1907 eerder gekozen zou hebben voor de formulering in het Swaen/Van Hees-arrest, nu toentertijd werd aangenomen dat naast het poenitieve element, ook een schadevergoedende component als rentebedrag aanwezig zou zijn.

[17] HR 8 juli 1987, NJ 1988, 237 (concl. A-G Mok) (Boers/Bemo), A-G Mok: ‘Ook op wel door Bemo betaalde, maar volgens Boers te laat betaalde, bedragen had de vordering op grond van art. 1638q betrekking. De Rb had daarom grief III niet op de enkele grond van het falen van grief I kunnen verwerpen.’

[18] ‘Onderdeel 2 gaat uit van de opvatting dat de rechter die de werkgever veroordeelt tot betaling van de verhoging wegens vertraging in betaling van het loon, als bedoeld in art. 1638q BW zou moeten motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot beperking van die verhoging als bedoeld in de tweede zin van lid 1 van art. 1638q, zulks zelfs als de werkgever een zodanige beperking niet heeft bepleit. Een dergelijke motiveringsplicht vindt echter geen steun in het recht [...]’

[19] HR 1 juli 1982, NJ 1983, 45 (concl. A-G Franx) (Van den Brink/Thalen). Vgl. ook Rb Breda 10 april 1934, Recht. Besl. Arbeidsov. XX no 12 (Van Besouw/Bachman). Zie ook de conclusie van A-G Franx bij HR 10 april 1987, NJ 1988, 5 (Meuleman/Hagemeyer Services), waarin hij omtrent het Van den Brink/Thalen-arrest de vraag opwerpt of omtrent de zinsnede ‘zulks zelfs als de werkgever een zodanige beperking niet heeft bepleit’ het woord ‘niet’ per abuis terechtgekomen is.

[20] Wet van 17 december 1953, Stb. 1953, 619, strekkende tot herziening van de bepalingen inzake het ontslag bij arbeidsovereenkomsten.

[21] Hoogendijk 1999, p 155.

[22] ‘De maatschappelijke achtergrond van deze beslissing is dat de Hoge Raad een correctie heeft willen aanbrengen op de extreme financiële gevolgen die het naast elkaar bestaan van de ontslagbepalingen in het BW en art. 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 kan hebben. De Hoge Raad toetst hier echter de wet op doelmatigheid, en schept aldus nieuw recht buiten de wet om.’; Data Juridica 1981, 963.

[23] HR 23 mei 1980, NJ 1980, 503 (Hazewind Kledingindustrie/Plekker).

[24] HR 14 mei 1982, NJ 1982, 604 (Uniforce/Ozpekmezci).

[25] HR 25 februari 1983, NJ 1983, 630 (Beerman/Van Raamsdonk).

[26] HR 28 september 1984, NJ 1985, 245 (Stichting Europahuis/Vertommen).

[27] HR 3 januari 1986, NJ 1986, 700 (Rolkens/Rada).

[28] HR 25 maart 1988, NJ 1988, 682 (Wing/Wehrmeijer).

[29] Jacobs, Massuger & Plessen (Mon.Nieuw BW B-85) 1997, p. 29.

[30] Vgl. HR 19 januari 2001, NJ 2001, 264 (Gerrits/ Johan de Bie).

[31] Van Drongelen & Fase 2007, p. 94. Vgl. Scholtens 2000, p. 171: ‘De rechter kan de verhoging amtshalve matigen tot een zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt (zie HR 1 juli 1982, NJ 1983, 45)’. In dit Van den Brink/Thalen-arrest wordt deze vraag evenmin expliciet beantwoord. Wel overwoog de Hoge Raad: ‘Onderdeel 2 gaat uit van de opvatting dat de rechter die de werkgever veroordeelt tot betaling van de verhoging wegens vertraging in betaling van het loon, als bedoeld in art. 1638q BW zou moeten motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot beperking van die verhoging als bedoeld in de tweede zin van lid 1 van art. 1638q, zulks zelfs als de werkgever een zodanige beperking niet heeft bepleit. Een dergelijke motiveringsplicht vindt echter geen steun in het recht, zodat ook dit onderdeel niet tot cassatie kan leiden.’

[32] Zie § 8.2. Wat de Hoge Raad in het Steur/Cats-arrest wél aangeeft is dat de Rb het oordeel van de Ktr. omtrent de verhoging heeft te respecteren, indien daartegen geen grieven worden gericht.

[33] In hoger beroep is het echter wel noodzakelijk om tegen het oordeel van de kantonrechter (incidenteel) beroep in te stellen, indien partijen het oordeel omtrent de wettelijke verhoging in het hoger beroep opnieuw aan de orde wensen te stellen: HR 12 december 2003, NJ 2004, 139 (Van Duiven/Boks).

[34] Vgl. voorts Asser/Heerma van Voss 2008 (7-V), p. 70. ‘Deze matigingsbevoegdheid is veel minder beperkt dan die ten aanzien van loonvorderingen, zie art. 680a, vgl. HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 240 [Boode/Hoheisel] en HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 56 [Vaassen/Stichting SOV Catering Services].’ Of deze daadwerkelijk ‘veel minder beperkt is’ volgt niet expliciet in beide arresten. Tegen de achtergrond van de parlementaire geschiedenis (zie § 4.9) lijkt het eveneens verdedigbaar te stellen dat deze matigingsbevoegdheid misschien niet veel minder beperkt is, maar dat het vooral een wezenlijk andere matigingsbevoegdheid betreft.

[35] Rb Roermond 11 februari 1982, Prg. 1983, 2009 (Pilters - Brummans): weigeren om, in verband met (tijdelijke) overplaatsing van het bedrijf  van Venlo naar een op 27 km afstand gelegen soortgelijke vestiging in Duitsland,  daar te gaan werken, echter niet meer als administratieve kracht, doch voortaan als eierenverkoopster, is in de gegeven omstandigheden geen dringende reden voor ontslag op staande voet ; Rb 's-Gravenhage 24 februari 1982, Prg. 1982, 1785 (Kroon - Westeinde Ziekenhuis): Geen dringende reden, want geen hardnekkige weigering. Incompatibilite d'humeurs tussen economisch-directeur en diensthoofd? ;

[36] HR 21 november 1980, NJ 1981, 143 (Koopmans Installatietechniek - x): Werkweigering i.v.m. ziekenhuisopname echtgenote ; Ktr. Utrecht 17 maart 1982, Prg. 1982, 1760 (Van der Leende - Nefkens): Werkweigering: het verrichten van werkzaamheden als poetser niet als normale werkzaamheden aan te merken, terwijl Nefkens volgens de ktr. had dienen te beseffen dat Van der Leende als buitenlandse werknemer met een zeer beperkte tewerkstellingsvergunning, in een uiterst kwetsbare positie verkeerde. Tegen de matiging werden geen grieven gericht Rb Utrecht 27 januari 1982, Prg. 1982, 1761 (Van der Leende - Nefkens).

[37] HR 19 december 1986, NJ 1987, 906 (Schuitemaker - Ge-Al): werkweigering op grond van ziekte terwijl de werknemer te goeder trouw kon menen niet in staat te zijn de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten.

[38] Rb Maastricht 28 oktober 1982, Prg. 1982, 1863 (Bisschops - Hub Timmers): Vijf dagen later ontslag op staande voet wegens Weigering van overwerk door een werknemer van een onderaannemer.

[39] HR 3 januari 1986, NJ 1986, 700 (Rolkens - Rada): In dit geval beweerde de werkgever a.d.h.v. een brief dat Rada op staande voet was ontslagen - hetgeen Rada betwistte - waardoor niet tijdig een beroep op de nietigheid ervan zou zijn gedaan. Ontslag in rechte niet aangetoond en de Rb matigde tot 1%. 

[40] HR 6 december 1985, NJ 1986, 824 (Kubbal Bar e.q. - Timmermans): woordenwisseling met de bedrijfsleider van het cafe ; HR 29 juni 1990, NJ 1991, 306 (Schils BV - Ubachs e.a.): scheldpartij voornamelijk gevonden moet worden in de verstoorde relatie als buren.

[41] HR 25 februari 1983, NJ 1983, 630 (Beerman - Van Raamsdonk): Naar aanleiding van gebeurtenissen heeft een woordenwisseling plaatsgevonden en de lezing van pp. loopt hieromtrent uiteen ; HR 3 maart 1989, NJ 1989, 549 (Choaibi - NS): stoel heeft geworpen in de richting van een bedrijfsarts van werkgever als gevolg waarvan die arts letsel heeft opgelopen.

[42] Ktr. Assen 16 april 1987, Prg. 1987, 2791 (x - NAM) ; Ktr. Utrecht 18 december 1981, Prg. 1982, 1701 (De Hoop - Automobielbedrijf C. Schmieman) ; HR 19 november 1999, NJ 2000, 103 (R., te P. - Bouma q.q) ; HR 20 november 1987, NJ 1988, 282 (Bankdirecteur Credit Lyonnais Bank) ; HR 27 september 1996, NJ 1997, 42 (Brinkman GmbH - Theelen).

[43] HR 10 augustus 1984, NJ 1985, 34 (Rijnart Internationaal Transportbedrijf - Hobert): knoeierijen met een tachograaf – 10% ; Rb Breda 27 november 1984, Prg. 1985, 2253 (Jongeneelen - Jongeneelen Video Roosendaal):

later aanvangen met de uitvoering van een opdracht + het meer uren als werkuren opgeven dan in feite zijn gemaakt rechtvaardigt – 10% ; Ktr. Amsterdam 29 juli 1994, Prg. 1994, 4186 (Kuipers - Tool): bezoeken aan klanten waren vermeld die in werkelijkheid niet waren afgelegd, maar 30 dienstjaren – 25%.

[44] HR 6 november 1981, RvdW 1981, 145 (De Gier Transporten - Schaap): uitlatingen niet werkelijk als bedreigend heeft ervaren, omdat directeur De Gier Schaap kennelijk niet zou hebben ontslagen als hij excuses zou hebben aangeboden; evenmin is anderszins (bv. uit aangifte bij de politie) gebleken dat directeur De Gier zich inderdaad bedreigd voelde ; Rb Arnhem 28 juni 1990, Prg. 1991, 3395 (Combi-Clean - De Ruyter c.s.): Volgens werkgever: ‘... ik zal hem koud laten maken’ en volgens werknemer: ‘Je zou zo'n vent toch om zeep helpen’

[45] HR 8 juli 1987, NJ 1988, 106 (Chicopee - Van den Oetelaar): een fout in de stof die op de slit-machine verwerkt moest worden niet heeft opgemerkt en die niet uit het doek heeft gesneden ondanks een daarvoor gegeven opdracht.

[46] HR 13 mei 1988, NJ 1989, 72 (IJsunie  - Hubregtse): Geldkist of kassa die zij onder haar beheer had niet had opgeborgen gedurende de pauze.

[47] Rb Alkmaar 1 december 1983, Prg. 1984, 2108 (Beekhuis - Bertrand-Vermolen Technics):

gedragingen van Beekhuis, die, hoezeer op zich ook onjuist, binnen de marges liggen, die een werkgever bij een zestigjarige man, die al lang in dienst is heeft te accepteren.

[48] Rb Zwolle 11 januari 1984, Prg. 1984, 2214 (Transportbedrijf Alb. Weever - Van Bussel): Niet naleven toestemming tot beeindiging (niet binnen 6 maanden na het ontslag een werknemer in dienst nemen): verhoging 25% ;

Ktr. Amsterdam 3 oktober 1991, Prg. 1991, 3579 (Vedlin - Istituto Italiano di Cultura & Italiaanse Republiek): De kantonrechter begrijpt de stellingen van de Republiek Italie aldus dat zij geen toestemming behoefde te vragen aan de directeur GAB, omdat zij op de haar bekende richtlijnen mocht vertrouwen, verhoging 10% ; Ktr. Apeldoorn 26 januari 1994, Prg. 1994, 4114 (Scheer - Stichting Vakopleiding Wegvervoer): Door wijziging van functie en standplaats is een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand gekomen, zodat ingevolge opzegging van die tweede arbeidsovereenkomst moet plaatsvinden, verhoging 0% ; Ktr. Emmen 23 oktober 1996, Prg. 1997, 4713 (Ganpat - AKZO Nobel): Toestemming RDA gebruikt voor een ander doel, namelijk het ongekwalificeerde medewerkers ruilen voor beter opgeleiden uitzend- en inleenkrachten, verhoging 25% ; Rb 's-Hertogenbosch 17 februari 1984, Prg. 1984, 2228 (De Rooy-van der Linden - De Korenaar): U gaat mee over, maar U moet nog even deze verklaring tekenen omdat U niet bij twee bazen tegelijk in dienst kunt zijn’, verhoging 10% ; HR 17 september 1982, NJ 1983, 195 (Sterk Baksteenmuur - Richters): Ontslag was verleend door de algemene vergadering van aandeelhouders, Op welke vergadering M.C. Sterk als enig persoon aanwezig was, die opgaf te zijn enig aandeelhouder van de vennootschap, verhoging 50%. Vgl. ook Ktr. Tilburg 23 februari 1989, Prg. 1989, 3062 (Van Straten - Rath en Doodeheever): ontslagbescherming als een gewezen gekozen OR-lid, verhoging ca. 5 %.

[49] In dat geval zou betwijfeld kunnen worden of nog wel sprake is van matiging of juist van ‘vermindering van de wettelijke verhoging in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de [vertraging] hebben bijgedragen’ (art. 6:101 lid 1 BW). Bij het matigen van schadevergoeding ex artikel 6:109 BW speelt eigen schuld immers geen rol, nu deze eventueel van invloed is geweest op de begroting van de schade.

[50] Ktr. Oud-Beijerland  16 mei 1983, Prg. 1983, 2019 (Van Bree-De Koning - Van Arkel): Drankmisbruik, verhoging ca. 0% ; Rb Breda 24 september 1985, Prg. 1985, 2383: Het buiten werktijd dronken rijden (alcoholgehalte in het bloed 0,86‰) in een hem door zijn werkgeefster ter beschikking gestelde auto, verhoging 10%; Ktr. Gorinchem 22 juli 1985, Prg. 1986, 2568 (Vereenigde Glasfabrieken): op het werk in ‘zijn’ afgesloten kledingkast onbevoegd doch niet openlijk getoond voorhanden hebben van een pistool met munitie, verhoging ca. 22%.

[51] Ktr. Eindhoven 23 juni 1983, Prg. 1983, 1979 (Baggermans - Electro-Technisch Installatiebedrijf Mansveld): Het een uur te laat op het werk komen van een werknemer, die daarvoor al schriftelijk was gewaarschuwd tegen herhaaldelijk te laat komen (variërend van een kwartier tot anderhalf uur), is geen dringende reden voor ontslag op staande voet, aangezien werknemer blijkens een overgelegd psychiatrisch rapport leed aan een objectief aantoonbare pathologische slaap, ca 16 %.

[52] HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 240 (concl. A-G Mok; m.nt.P.A. Stein)(Boode - Hoheisel).

[53] Doorgaans volgt als motivering een zinsnede als: ‘ex aequo ac bono begroot op…’, ‘terwijl de wettelijke verhoging wordt beperkt tot…’, ‘ziet de kantonrechter aanleiding …’ , ‘Er zijn termen de verhoging ex art. 1638q BW te matigen…’ etc.

[54] Ktr. Apeldoorn 30 november 1994, Prg. 1995, 4271 (Nurdogdu-Öcal - ISS Servissystem).

[55] Respectievelijk: Rb ‘s-Hertogenbosch 27 februari 1981, NJ 1982, 130 (De Boer/Tjaden Dental Depot); Rb Utrecht 7 juli 1982, Prg. 1982, 1812 (Van Amerongen/A. Langerak Beheer).

[56] Respectievelijk: Rb Amsterdam 4 juli 1984, Prg. 1985, 2240 (De Lagh/Aziz); Rb Amsterdam 9 april 1986, NJ 1987, 335 (Elship/Blaauw); Rb Haarlem 23 december 1986, Prg. 1987, 2717 (Hendriks/Hoogovens); HR 27 mei 1988, RvdW 1988, 107 (Den Hartogh Internationale Tanktransporten/Luit).

[57] Ktr. Almelo 20 februari 1997, Prg. 1997, 4755 (Gielians/De Groot Wegenbouw).

[58] HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 56 (Vaassen/Stichting SOV Catering Services): ‘Art. 1638q verzet zich er niet tegen dat de rechter gebruik maakt van zijn matigingsbevoegdheid op grond dat de verhoging betrekking heeft op loon over vakantiedagen waarop de werknemer geen arbeid heeft hoeven te verrichten dan wel op de grond dat over het loon wettelijke rente wordt toegewezen.’

[59] HR 23 mei 1980, NJ 1980, 633 (Manpower/Sie) (10%); Ktr. Zaandam 7 mei 1987, Prg. 1987, 2732 (Cohen/Forbo-Krommenie) (10%); Rb Zwolle 6 mei 1992, JAR 1992, 39 (Timmermans/Somers); Zie voorts: Ktr. Amsterdam 26 oktober 1988, Prg. 1989, 2988 (Otten/Stichting Wareco) (ca. 12,5%); Ktr. Almelo 24 juli 1996, Prg. 1996, 4638 (Schoutese/Salland) (nihil).

[60] HR 2 mei 1986, NJ 1986, 625 (Farouk/Van Antwerpen) (50%).

[61] Vgl. Ktr. Amsterdam 1 mei 1987, Prg. 1987, 2716 (Hartman/Smith): huurovereenkomst fysiotherapeut-praktijkhouder en fysiotherapeut-medewerker. Hier was sprake van een schijnconstructie om de afdracht van loonbelasting en sociale premies te ontgaan. Tóch matigde de kantonrechter tot 20%.

[62] HR 6 december 1985, RvdW 1986, 5 (Van der Leelie/Benton & Bowles); Ktr. Hilversum 4 september 1991, Prg. 1991, 3558 (Tiernagan/Broere Beheer); Ktr. Enschede 30 november 1995, Prg. 1996, 4452 (Sein/Bossink en Mosman Installatietechniek).

[63] Ktr. Utrecht 27 september 1995, Prg. 1996, 4471 (B./Hof van Dieren Pensioen).

[64] Ktr. Amsterdam 25 februari 1994, Prg. 1994, 4080 (Clijdesdale/Sigma Coatings); Rb Breda 16 juni 1992, Prg. 1992, 3760 (Van Manen/De Jong).

[65] HR 24 oktober 1986, NJ 1987, 293 (Slijkoord/Hekkema).

[66] Ktr. Venlo 3 november 1982, NJ 1983, 559 (m. nt. W. Hesseling) (Korsten/Ziekenhuis Venlo); Vgl. HR 13 november 1987, NJ 1989, 698 (Stichting Centrum Sint Bavo/Gielen).

[67] HR 18 oktober 1991, NJ 1992, 3 (De Jong/Beyersbergen): ‘De omstandigheid dat de werkgever van de, onjuiste, veronderstelling is uitgegaan dat hij de proeftijd nog met een maand kon verlengen, brengt daarin geen verandering.’; HR 19 november 1948, NJ 1949, 86 (De Kock/J.B. van Heijst & Zonen).

[68] Ktr. Heerlen 31 maart 1989, Prg. 1989, 3072 (Van Hooren - J. Bost Internationaal Transport) (10%); Ktr. Zwolle 5 februari 1991, Prg. 1991, 3430 (Koopmans  - Tendo Haco Farmacie)(15%).

[69] Ktr. Harderwijk 22 januari 1986, Prg. 1986, 2463 (Mulder - Autobedrijf Zeilemaker): kosten van een door werknemer gevolgde

vakopleiding (50% verhoging);  Ktr. Delft 25 maart 1993, Prg. 1993, 3872  (Hersbach - Talens Foto): vergeten een doos ter waarde van ƒ 4456,73. binnen te zetten (50% verhoging); Ktr. Delft 13 februari 1997, Prg. 1997, 4770: In casu is niet komen vast te staan dat de vergissing aan werknemer duidelijk kenbaar is geweest. De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster niet tot verrekening en/of terugvordering van het door haar gestelde teveel betaalde bedrag kan overgaan. De vorderingen worden toegewezen, waarbij de verhoging ex art. 1638q Boek 7A BW overeenkomstig het Haagse rechtbankbeleid wordt gesteld op 10%.

[70] Ktr. Amsterdam 19 maart 1992, Prg. 1992, 3678 (Van Bakkum - Desisco Nederland): Thans kan reeds worden beslist dat de gevorderde verhoging ex art. 1638q BW zal worden gematigd tot 15%; HR 19 december 1986, NJ 1987, 906 (Schuitemaker - Ge-Al)(25%); HR 28 januari 1994, NJ 1994, 420 (Beenen - Vanduho): De rechtbank is evenals de kantonrechter van oordeel dat de wettelijke verhoging dient te worden gematigd tot een bedrag van ƒ 2500 (ca. 18%) Grief II in het incidenteel appel is derhalve ongegrond.

[71] Rb Arnhem 25 februari 1982, Prg. 1982, 1783 (Willems - Boschman Autoschade Schuifdaken): De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte het gevorderde bedrag heeft gematigd en ten onrechte de wettelijke verhoging over het toegewezen bedrag heeft ontzegd.

[72] Rb 's-Hertogenbosch 16 oktober 1981, Prg. 1982, 1851 (Duijmelinck - Pluimveeverwerkende Industrie Ham).

[73] Rb Groningen 20 november 1981, Prg. 1982, 1775 (Hoogendijk - Vloo). Vgl. HR 22 mei 1981, NJ 1981, 469 (Van den Berg - Huybers): verhoging ca. 3% en daartegen werden geen grieven of cassatiemiddelen gericht.

[74] HR 14-01-1983, NJ 1983, 457 (Hajziani/Van Woerden).

[75] Rb Utrecht 7 oktober 1981, Prg. 1982, 1709 (Kharbach - TBS Soest). De wettelijke rente bedroeg ten tijde van de uitspraak 12 %.

[76] Rb 's-Hertogenbosch 11 juni 1982, Prg. 1982, 1854 (El Rhoul - Pluimveeverwerkende Industrie Ham ). Vgl. voorts op het gebied van vermeende wederzijdse instemming met de beëindiging: HR 17 januari 1986, NJ 1986, 732 (Waal - Banketbakkerij Vanderheul)(50%); HR 14 oktober 1983, NJ 1984, 105 (Reisbureau Zuid Europa - Morak)(50%); HR 16 juni 1989, NJ 1989, 655 (Yilmaz - Vlees en Sate Specialist)(10%); HR 14 september 1984, NJ 1985, 244 (Hardchroom - Yigit)(50%). Ktr. Schiedam 20 november 1990, Prg. 1991, 3405 (Hersbach - Aannemingsbedrijf J. van de Tempel en Zonen)(10%).

[77] HR 21 november 1919, NJ 1920, p. 65 (Van der Sluys - Heemskerk).

[78] Rb Maastricht 28 oktober 1982, Prg. 1983, 1907 (Bisschops - Hub Timmers). Vgl. Ktr. Almelo 20 februari 1997, Prg. 1997, 4755 (Gielians - De Groot Wegenbouw ): De gevorderde wettelijke rente verhoging ex art. 7A:1639q BW zal echter gematigd worden, gezien het toch lange tijdsverloop voordat gedagvaard is en omdat tevens wettelijke rente over de opeisbare lonen toegewezen zal worden. (Verhoging 1 %). Vgl ook: Ktr. Venlo 3 november 1982, NJ 1983, 559 (m. nt. W. Hesseling)(Korsten - Ziekenhuis Venlo).

[79] Pres. Rb. Maastricht 11 november 1994,  (Van de Weijer - Janssen Makelaardij). Zie omtrent het verschil tussen de wettelijke verhoging en de dwangsom: Pres. Rb. Middelburg 10 maart 1986, KG 1986, 186 (Ritsma - Firma Dekker).

[80] Pres. Rb. Almelo 27 augustus 1986, KG 1986, 496 (Bagchus - OAD-Reizen); Pres. Rb. Amsterdam 12 juli 1991,  (Groothuis - Rhone-Poulenc).

[81] Pres. Rb. Amsterdam 26 november 1987, Prg. 1988, 2808 (Polat - Schnur); Pres. Rb. Utrecht 22 februari 1983, Prg. 1984, 2120 (Oudenaarden - Nederlandse Kunststofindustrie Soesterberg).

[82] Pres. Rb. Haarlem 2 juli 1993, Prg. 1993, 3935 (Hesse - Toc Automation) ; vgl. Ktr. Arnhem 23 januari 1995, Prg. 1995, 4272 (Vervelde - 's Koonings Jaght).

[83] Vgl. HR 06 november 1964, NJ 1965, 88 (Kervel - Deelen); HR 15 april 1977, NJ 1977, 513 (Van Belleghem - Mabesoone); zie voor een veroordeling bij verstek in hoger beroep (50% verhoging): HR 13 mei 1983, NJ 1983, 714 (Jongkind - Christiaans).

[84] HR 18 oktober 1991, NJ 1992, 3 (De Jong - Beyersbergen)(10%); Ktr. Schiedam 26 maart 1996, Prg. 1996, 4535 (Ari-Kaya - Akpinar)(10%).

[85] HR 14 mei 1982, NJ 1982, 604 (Uniforce/Ozpekmezci): ‘ de Ktr. heeft bij eindvonnis [...] Uniforce veroordeeld aan Ozdurdu te betalen ƒ 3963,96, vermeerderd met ƒ 500, alsmede ƒ 902 voor elke periode van 4 weken die na 30 nov. 1978 verschenen is en zal verschijnen zolang de arbeidsovereenkomst tussen pp. voortduurt, verhoogd met de wettelijke verhoging van ƒ 100 voor elk van die perioden.’ (ca. 15%); Rb Rotterdam 13 juni 1986, Prg. 1986, 2545 (Pesireron/Van Duijvendijk en Van Overbeek): ‘de wettelijke verhoging ad 10% over het onder a. genoemde loon voorzover netto, indien en voorzover Van Duijvendijk in gebreke is en zal zijn met tijdige betaling’. Zie voorts: Ktr. Utrecht 18 december 1981, Prg. 1982, 1701 (m. nt. W. Hesseling) (De Hoop/Automobielbedrijf C. Schmieman).

[86] Schijnconstructie om afdracht van loonbelasting en sociale premies te ontgaan (20%): Ktr. Amsterdam 1 mei 1987, Prg. 1987, 2716 (Hartman/Smith); Poging tot het ontgaan van ontslagbescherming (20%): Ktr. Alkmaar 24 december 1993, Prg. 1994, 4019 (Oosterbaan/Melkunie); Poging tot het ontgaan van ontslagbescherming (10%): Ktr. Rotterdam 4 juli 1994, Prg. 1994, 4157 (Do Rosario/Spido Holland International); misbruik van omstandigheden (10%): Ktr. Dordrecht 2 maart 1995, Prg. 1995, 4300 (Vondermans/Van der Gijp Barendrecht Adviesgroep); Anders: met de CAO strijdige afspraken omtrent ‘terugschaling’ (50%): HR 28 mei 1999, NJ 1999, 509 (Huijerjans/Transportbedrijf Jac. Kuypers).

[87] Vgl. HR 6 november 1964, NJ 1965, 88 (Kervel/Deelen); HR 15 april 1977, NJ 1977, 513 (Van Belleghem/Mabesoone); zie voor een veroordeling bij verstek in hoger beroep (50% verhoging): HR 13 mei 1983, NJ 1983, 714 (Jongkind/Christiaans).

[88] Zie bijvoorbeeld: HR 18 oktober 1991, NJ 1992, 3 (De Jong/Beyersbergen) (10%); Ktr. Schiedam 26 maart 1996, Prg. 1996, 4535 (Ari-Kaya/Akpinar) (10%).

[89] Ktr. Delft 13 februari 1997, Prg. 1997, 4770: ‘de verhoging ex art. 1638q Boek 7A BW overeenkomstig het Haagse rechtbankbeleid wordt gesteld op 10%.’

[90] HR 17 januari 1997, NJ 1997, 222 (Geerlofs Koeltechniek/Meinsma).

[91] Rb Amsterdam 9 april 1986, NJ 1987, 335 (Elship/Blaauw).

[92] Ktr. Amsterdam 20 januari 1989, Prg. 1989, 3151 (Elings/Randon beveiligingen): ‘Blijkbaar is door ged. geen beroep op matiging van de loonvordering gedaan [...] Veel kans zou dat beroep waarschijnlijk niet hebben gemaakt. Dat valt af te leiden uit de toewijzing van de tot 25% beperkte wettelijke verhoging van 1638q BW.’

[93] Rb ‘s-Hertogenbosch 26 oktober 1984, NJ 1985, 897 (Chtioui/Doorne’s Bedrijfswagenfabriek Daf).

[94] Vgl. Rb Alkmaar 1 december 1983, Prg. 1984, 2108 (Beekhuis/Bertrand-Vermolen Technics): ‘Gezien de leeftijd van Beekhuis en zijn arbeidsverleden bij Bertrand acht de rechtbank het billijk de verhoging ex art. 1639q BW maximaal toe te kennen.’ Vgl: Rb Utrecht 7 juli 1982, Prg. 1982, 1812 (Van Amerongen/A. Langerak Beheer): ‘De rechtbank zal de wettelijke verhoging ex artikel 1638q van het Burgerlijk Wetboek vaststellen op 10 procent [...] nu aannemelijk is dat Van Amerongen door de wijze waarop het ontslag tot stand is gekomen, aanleiding heeft gegeven tot sterke irritatie bij haar werkgever en deze daardoor zal hebben beïnvloed tot het nemen van een onjuiste ontslagbeslissing.’

[95] Rb Zwolle 17 juni 1982, Prg. 1983, 1921 (Slagter/Van Zanten), zie immers § 6.4.7.

[96] Rb Eindhoven 14 november 1991, Prg. 1992, 3644 (Sieben/Augustinus van Egdom).